Artikelen en boekbesprekingen geschreven door Prof. Hoksbergen

Klik op de titel van het artikel of de boekbespreking om naar de tekst te gaan.

  

Krantenartikelen

 

-   Trouw, 9 februari 2012

Draagmoederschap is al een miljardenbusiness

 

-   NRC, 12 januari 2012

     Herroeping van adoptie

 

-   Volkskrant, 4 april 2011

Donorkinderen zijn geadopteerde kinderen

 

-   Trouw, 26 maart 2011

Draagmoeder die een kind ontvangt is nieuw

 

-   Trouw, 20 augustus 2009

Adoptie voor kind of wensouder

 

    -   Katholiek Nieuwsblad, 19 juni 2009

Terug naar het belang van het kind

 

-   NRC, 23 mei 2009

Ivf-gebruik mag niet eindeloos zijn – Opinie

 

-   Trouw, 5 december 2008

Internethandel in baby’s hoort onmogelijk te zijn

 

-        Katholiek Nieuwsblad, 29 augustus 2008

Lesbisch ouderschap

 

-        Trouw, 18 juni 2008

Adoptiekind komt op het tweede plan

 

-        De Morgen, 9 mei 2008

Baby Donna: wat is het belang van het kind?

 

-   Trouw, 7 november 2006

Bij adoptie ontbreekt alle nazorg

 

-   NRC Trefpunt, 16 januari 2006

Donorkind

 

-   Trouw, 7 april 2005
Help kind en gezin ook ná de adoptie

 

-   Trouw, 6 juni 2005
Kinderhandel via internet in de strafwet  - Baby Donna

 

-   Trouw, 17 september 2005
Baby Donna moet direct naar België

  

 

Algemene artikelen

 

     -   Artikel 2007
        Bemiddelingsorganisaties onder kritiek

 

     -   Lezing Grootouderdag december 2007
        De onmisbare adoptiegrootouder

 

-   Algemeen artikel

    Reactie op: Met de meeste adoptiekinderen gaat het goed - Femmie Juffer & Rien van IJzendoorn

 

-         Brief aan de Tweede Kamer, 22 januari 2006

Bijzondere nazorg voor adoptiegezinnen hard nodig

 

-   Respect: Een kernbegrip

-         Lezing
Identiteit en ontwikkeling van adoptiekinderen

-         In LAVA Contact 3(4), december 2004
Evaluatie adoptiewet: voorstellen gaan niet ver genoeg


 

       Boekbesprekingen

 

-   Irene Ypenburg (2009). De multiculturele persoonlijkheid als gevolg van adoptie en migratie. Een Gouden Kans

 

-   Niels P. Rygaard, (2006) - Severe attachment disorder in childhood. A guide to practical therapy

 

-   Karin van Hoorn (2006) - Levensboek van een adoptiekind. Praktische handleiding voor ouders en kinderen

 

-   Ruth Willems (2006) - Vragen over adoptie - Anamneselijst voor hulpverleners

 

-   Machteld de Jong, Corine Schuil, Marieke Anthonisse en Helma Coolman - Mijn kleinkind uit een ver land. Ervaringen van grootouders van adoptiekinderen

   

-   Hanne Rots – Jij mag niet lief zijn

 

-   Liesbeth Groenhuijsen - Met het vliegtuig geboren

-  Lawrence P. Adams - Lost Son? A bastard Child’s journey of hope, search, discovery, and healing

 

-   Toby Alice Volkman - Cultures of transnational adoption

 

-   E. Lodewijks-Frencken en J. Lodewijks - Wachten op Zach

 

-   I. Holla - Mijn droom van een kind

 

-   J. Yoon - Eindelijk leef ik echt

 

 

Terug naar homepage

 

 

Trouw, 9 februari 2012

Draagmoederschap is al een miljardenbusiness

 

In het interview met VVD Kamerlid Anouchka van Miltenburg over buitenlands draagmoederschap (Trouw 6 februari) komen twee opvallende inconsequente redeneringen voor. Deze vloeien kennelijk voort uit de wel zeer pragmatische aanpak die zij voor staat. In Nederland vinden we commercieel draagmoederschap onwenselijk omdat we kinderen niet als koopwaar over de toonbank willen laten gaan. Daarom is het hier verboden. Maar ja, als mensen de grens over gaan om een commerciële draagmoeder te zoeken, dan moeten we ze volgens Van Miltenburg geen strobreed in de weg leggen. Sterker nog, we moeten de wet dan maar aanpassen om dit te vergemakkelijken. En nee, dit betekent helemaal niet dat we commercieel draagmoederschap stimuleren. Snapt u het?

Als tweede ongerijmdheid duikt de kwestie van de anonimiteit van eicel- en spermadonoren op. Zij stelt: “onze wetten worden vanuit het perspectief van het kindje gemaakt. Wij vinden dat het kind zijn ouders moet kennen”. Inderdaad een goede zaak. Twintig jaar ‘Spoorloos’ en veel wetenschappelijk onderzoek maakten duidelijk waarom. Waarom moet dan vergemakkelijkt worden dat in het buitenland een draagmoeder wordt ingeschakeld over wie nauwelijks informatie bekend is en waar voor de commerciële reproductiebemiddelaars( in India een geschatte omzet van 1,7 miljard euro) geen enkele verplichting bestaat om informatie te bewaren voor later? En dan heb ik het nog niet eens over het gebruik van een embryo dat ‘samengesteld’ is uit een anonieme eicel en een anonieme zaadcel die bij een buitenlandse draagmoeder wordt geïmplanteerd. Moeten wij, die vinden dat “het kind zijn ouders moet kennen”, dit faciliteren? Hoe zou het kind het vinden zo op de wereld te worden gezet en als een materieel object over de toonbank van de draagmoedermarkt te gaan? Daarover lezen we in het gesprek met Van Miltenburg niets.

In een eerder artikel in Trouw (25-3-2011) concludeerde ik dat de kwaliteit van het leven van het via een commercieel werkende draagmoeder verwekte kind bij voorbaat fundamenteel is aangetast. Wensouders dienen zich dus de normatief-ethische vraag te stellen of zij op deze wijze een kind op de wereld mogen zetten. Betalen kind en samenleving niet straks een hoge prijs voor de bevrediging van die zo extreme kinderwens? Een prijs in de vorm van noodzakelijke hulpverlening voor het kind om met zichzelf en de geheel of gedeeltelijk onbekende achtergrond in rust en vrede te leven?

Wordt het niet hoog tijd dat de ‘wild-west’ praktijk van de moderne voortplanting, waaronder het commercieel draagmoederschap, tot internationaal overleg leidt?

Niet voor niets schreef ik in mijn kortgeleden gepresenteerde boek: Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar adoptie in beeld: “Als we in Nederland werkelijk respect hebben voor het recht van ieder mens om zijn achtergrond te kennen, op zijn identiteit, dan zou het van moed getuigen om internationaal het voortouw te nemen bij het invoeren van een ‘Haags Verdrag inzake Assisted Reproductive Technology, involving a third party’. Laat Nederland weer eens gidsland zijn. Bij adoptie heeft het 25 jaar geduurd, maar nu hebben 193 landen het Haags Adoptie Verdrag geratificeerd. Het moet niet 25 jaar duren voor de rechten van donor- en draagmoederkinderen wereldwijd worden erkend. Liefde alléén is niet genoeg”.

 

René Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

NRC, 12 januari 2012

Herroeping van adoptie

 

De eerste adoptiewet uit 1956 gaat ervan uit dat de juridische banden van het adoptiekind met zijn biologische ouders geheel verbroken worden. De mogelijkheid voor geadopteerde om de adoptie later door de rechtbank te laten herroepen, dus ongedaan te maken, kende nauwelijks voorstanders. Daarom kreeg de geadopteerde slechts tot één jaar na zijn twintigste verjaardag de mogelijkheid hiertoe. Herroeping zou in zijn of haar belang moeten zijn. Naar schatting zijn er per jaar vijf verzoeken tot herroeping. Aanvankelijk werden deze alleen door een van de nu 18.000 in Nederland geboren geadopteerden gedaan; de laatste twintig jaar ook door buitenlandse geadopteerden1. Eind 2011 zijn er ongeveer 37.000 geadopteerden uit vijftig verschillende landen.

Regelmatig bleek de termijn voor indiening van het verzoek tot herroeping veel te kort. Betrokken geadopteerden kwamen veelal pas later in hun leven op een punt dat zij de adoptie wilden laten herroepen. Of zij waren daar emotioneel pas op latere leeftijd toe in staat. Vaak ook wisten zij op jonge leeftijd niet dat deze mogelijkheid bestond. De wetswijziging van 1998, de termijn werd tot drie jaar verruimd, gaf enig soelaas, maar toch nog veel te weinig.

Voor een geadopteerde is het een grote stap om de adoptie ongedaan te maken. Daar moeten zwaarwegende redenen voor zijn. En die zijn er soms ook. Bedenk hierbij dat de sociale status van een geadopteerde een kunstmatige is. Bijna altijd is hij in een adoptiegezin geplaatst waarmee voordien geen enkele band bestond. Met als belangrijk gevolg, dat hij vaak worstelt met zijn identiteit, met de vraag wie hij nu eigenlijk is, bij wie en waar hij thuishoort. In de meeste gevallen levert dit uiteindelijk geen onoverkomelijke problemen op. In enkele gevallen echter wel. Soms is het contact tussen adoptieouders en geadopteerde al vele jaren geheel verbroken. Het contact met de biologische ouders, veelal de moeder, kan zelfs weer hersteld zijn. Het contact met de adoptieouders hoeft niet eens slecht te zijn. Het is voorgekomen dat geadopteerde, ver na zijn 23e en zelfs pas na het overlijden van zijn adoptiemoeder – zijn adoptievader was allang overleden - het verzoek tot herroeping indiende. Betreffende man wilde zijn adoptiemoeder niet te zeer emotioneel belasten. De rechter willigde het verzoek tot herroeping in. Een geadopteerde kan worstelen met een traumatisch verleden. Pas na langdurige psychotherapeutische hulp besluit hij zijn adoptie te herroepen. Maar weer ver na de termijn.

Kortom, redenen genoeg om de wet te wijzigen. Ik zou ervoor pleiten geen tijdslimiet voor de mogelijkheid tot adoptieherroeping in te stellen. De rechter kan altijd zelf bepalen of het inderdaad in het belang van geadopteerde is. En of er geen onedele motieven aan het verzoek ten grondslag liggen. Of niet andere belangen zwaarder wegen. Bijvoorbeeld de belangen van eventuele kinderen van geadopteerde. Zij kunnen het volstrekt oneens zijn met hun vader of moeder en graag de (juridische) band met hun grootouders behouden.

Anno 2012 is bezinning op de wet rond adoptieherroeping zeker op zijn plaats.

 

René Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie) 

 

1 R.A.C. Hoksbergen (2011). Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar adoptie in beeld. Soesterberg: Aspekt, p. 321-326     

 

Terug naar de lijst

 

 

Trouw, 26 maart 2011

Donorkinderen zijn geadopteerde kinderen

 

Zoals velen willen gynaecologen graag hun werk doen. Willen zij mensen die zelf geen kinderen kunnen krijgen, helpen. Zij kunnen dit ook. De technologie rond de moderne voortplanting is na de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling geraakt. Technisch gezien lijkt alles mogelijk. Vrouwen van tegen de zeventig zelfs kunnen nog een kind baren. Eicel, zaalcel, embryo’s kunnen voor later gebruik worden ingevroren of van (anonieme) donoren door wensouders gebruikt.

Omdat in Nederland sinds 2004 de anonimiteit van de donor is afgeschaft, is er echter een tekort aan donoren ontstaan. Vandaar dat er bij gynaecologen stemmen opgaan om mensen maar geld te gaan betalen voor het afstaan van zaad of eicel. Dan kunnen meer wensouders geholpen worden. Over mogelijke effecten op het zo geboren kind horen we weinig. Dit komt door de gehanteerde terminologie. Men spreekt van donoren, zoals dit ook bij donoren van bloed, een nier of een ander orgaan gebeurt. Het gevolg is, dat bij de ‘donatie’ van zaadcellen of eicel de ontvanger, de gelukkige moeder of wensouders, centraal blijft staan. Maar wat gebeurt er werkelijk? De wensmoeder bij ovumadoptie, de wensvader bij semenadoptie of de wensouders bij embryoadoptie, adopteren een kind. Het kind heeft een andere vader of moeder of, zoals bij embryoadoptie, geheel andere ouders. Dit kind zal later als volwassene willen weten wie zijn biologische ouder(s) is (zijn). Dit kan om medische redenen zelfs gewenst zijn. Kan het dit te weten komen? In ons land tegenwoordig wel. Als mensen naar een buitenlands adres gaan en daar door een gynaecoloog via een anonieme donor ‘geholpen’ worden, is die kans vrijwel nihil. Hoe zal het kind en de latere volwassene dit ervaren? Uit de adoptiepraktijk en de ervaringen met donorkinderen is het duidelijk hoe belangrijk de biologische achtergrond voor de mens is. En dit is toch ook vanzelfsprekend! Iemands identiteit wordt voor een groot deel, misschien wel voor het grootste deel, bepaald door zijn biologische ouders en –familie. Eigenschappen, talenten, fysieke bijzonderheden zijn afkomstig van de biologische ouders/familie. De kennis daarvan te missen, betekent het moeten leven met gevoelens van verlies, onzekerheid, onrust, frustratie en daaraan gekoppeld ergernis. De kwaliteit van het leven is voor deze kunstmatig verwekte mensen bewust verlaagd. Zij zullen zich ook nog als een soort marktartikel voelen. Vooral als wensouders de mogelijkheid tot expliciete keuze hebben, zaad van een Nobelprijswinnaar en eicel van een fraaie Zweedse kunnen verlangen. Gevoelens van eigenwaarde kunnen snel worden beschadigd. Als geld een belangrijke rol speelt bij de wijze van verwekking: betalen voor eicel of zaad of inschakeling van een commerciële draagmoeder, zal dit een levenlang beschadigend zijn voor identiteit en zelfgevoel van de zo verwekte persoon.

Er zijn meer problemen. Moet de gynaecoloog de wensmoeder in alle gevallen helpen? Moeten bijvoorbeeld drugsverslaafden, psychisch gestoorden, verstandelijk gehandicapten, HIV-patiënten, mensen met een ernstige aangeboren afwijking in de familie, geholpen worden? Gynaecoloog Fauser heeft wel eens opgemerkt dat bij IVF de meest elementaire vragen niet worden gesteld (Volkskrant, 14 februari 1998). En wat moeten we vinden van vrouwen die ver na de menopauze zwanger worden? Hun kind met een grootmoeder in plaats van een moeder opzadelen. Moeders die het kind bewust een vader laten ontberen.

Op allerlei terreinen zijn er regelingen ter bescherming van het kind. Bij de voortplanting nauwelijks. Het grondrecht ‘vrijheid van voortplanting’ is zodanig sterk dat alles wat technisch kan, wel ergens ter wereld wordt toegepast. Ethisch gezien lijkt de moderne voorplanting daardoor nog in de Middeleeuwen te verkeren. Het recht op een kind is geen illusie maar werkelijkheid. Het kind heeft geen rechten. Wensouders zijn geen patiënten met een fysiek probleem, maar cliënten die inwilliging van het recht op een kind eisen.

De wezenlijke discussie over de effecten van de wereldwijde ‘reproductieve markt’ voor de toekomstige persoon, de wensouders, biologisch ouders en draagmoeders moet nog gevoerd worden. Als we in Nederland werkelijk respect hebben voor het recht van ieder mens om zijn achtergrond te kennen, op zijn identiteit en zelfbeschikking, dan zou het van moed getuigen om internationaal het voortouw te nemen bij het invoeren  van een  “Haags Verdrag  inzake de moderne voortplanting waarbij derden worden ingeschakeld.” Bij adoptie heeft het 25 jaar geduurd, maar nu hebben 193 landen het Haags Adoptie Verdrag geratificeerd. Laat het nu niet opnieuw 25 jaar duren voor de rechten van donor- en draagmoederkinderen wereldwijd worden erkend.

 

René A.C. Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

Trouw, 26 maart 2011

Ontvangende draagmoeder van 63 jaar

 

In bijna alle media is gereageerd op de alleenstaande Harlingse vrouw die op haar 63ste een kind ter wereld brengt (Trouw, 23 en 24 maart). Het kind is genetisch van een onbekende moeder, de biologische vader is onbekend, het kind zal de dagelijkse zorg van een vader ontberen en als het in de puberteit is, zal het voor de bejaarde moeder moeten gaan zorgen. “Niet ideaal” is het in het Commentaar van Trouw van 24 maart.

Deze moeder noem ik een ‘ontvangende draagmoeder’. Zij is namelijk niet de biologische moeder van het kind, maar heeft het kind wel gebaard. Een gevende draagmoeder is een vrouw die een kind baart dat dan vervolgens naar een ander gaat. Commercieel draagmoederschap is niet toegestaan.

Voor de ontvangende draagmoeder bestaan nog geen regels. Daarom kon deze 63-jarige gewoon haar gang gaan. Boven de 45 wordt overigens in ons land geen IVF meer gedaan. Gynaecologen zijn ook niet altijd bereid om IVF toe te passen. Bij drugsverslaafden, psychisch gestoorden, verstandelijk gehandicapten, of mensen met een gewelddadige relatie, kan IVF worden geweigerd. 

Bij de moderne voortplanting is de psychologisch-ethisch dimensie onderbelicht. Dit komt ondermeer door de gehanteerde terminologie. Men spreekt uitsluitend van donoren, zoals dit ook bij donoren van bloed, een nier of een ander orgaan geschiedt. Dit heeft als consequentie dat bij de ‘donatie’ van zaadcellen of eicel de ontvanger: de gelukkige moeder of ouders, centraal blijft staan. Er wordt voorbij gezien aan wat er werkelijk gebeurt, namelijk dat de moeder bij ovumadoptie of de vader bij semenadoptie of beide bij embryoadoptie een kind geheel of gedeeltelijk adopteert (eren). De Harlingse heeft dus een kind volledig geadopteerd zonder ook maar enige verplichting en voorbereiding zoals wij die bij adoptieouders kennen.

Waar vraag is, is aanbod, zeker als de vraag, zoals die naar het krijgen van een kind, groot en intens is. In de adoptiepraktijk is veel gereguleerd en we weten hoe moeilijk dit is. Er zijn steeds weer mensen die tussen de mazen van het net door willen glippen. Bij de moderne vruchtbaarheidsbehandelingen blijken die mazen wel heel erg groot. Deze 63-jarige had natuurlijk nooit dit kind mogen krijgen. De kwaliteit van het verdere leven van het zo geboren kind is bij voorbaat en fundamenteel aangetast. De samenleving zal straks de prijs, in de vorm van de nodige hulpverlening aan dit kind, moeten betalen. Nog steeds denken mensen dat het gewenst zijn van het kind, de liefde en aandacht die zij ‘hun kind’ zullen gaan geven, voldoende zullen zijn om dit kind een goed leven te bieden. Dat kan misschien zo zijn zo lang het kind nog erg jong is. Uit de adoptiepraktijk en ervaringen met donorkinderen, weten we dat dit als de stilte voor de storm is. De adolescent en de (jong)volwassene, wil klaarheid over zichzelf als persoon. De wijze van verwekking, zijn genetische achtergrond, de plaats die hij bij zijn ouders en in de directe sociale omgeving inneemt, en zijn identiteit zijn bepalend voor de kwaliteit van zijn leven.
In 1970 kwam Boek 1 over het personen- en familierecht van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek uit. Toen bestond er nog geen IVF(in Nederland sinds 1983 mogelijk). Uitgangspunt is ‘mater semper certa est’ de moeder is altijd zeker. Dat was toen geldig, nu echter niet meer. Bij deze oude moeder is een andere vrouw de biologische moeder. In het belang van het waarheidsgehalte over iemands achtergrond is het Burgerlijk Wetboek aan herziening toe. Het wordt tevens tijd dat artikel 8 van het VN-Verdrag over De Rechten van het Kind: ‘het kind heeft recht op het behoud van zijn identiteit’ door de wetgever serieus wordt genomen.
De wezenlijke discussie over de vrijheid van ‘voortplanting’ en de effecten van de wereldwijde ‘reproductieve markt’, waar de Italiaanse arts Antinori die deze oude moeder heeft ‘geholpen’ een voorbeeld van is, voor de toekomstige persoon moet nog gevoerd worden. De huidige staatssecretaris van het Ministerie van Veiligheid en Justitie Fred Teeven heeft bij eerdere gelegenheden al van enige moed getuigd. Hij kan dit bij verkeerde praktijken bij het verwekken van kinderen opnieuw doen. Laten we in Nederland werkelijk het belang van het hulpeloze kind boven dat van de wensouder stellen. Het zou van moed en betrokkenheid bij kinderen getuigen om internationaal het voortouw te nemen bij het uiteindelijk ingevoerd krijgen van een  “Haags Verdrag  inzake Assisted Reproductive Technology (ART), involving a third party”. Bij adoptie heeft het 25 jaar geduurd, maar intussen hebben 193 landen het Haags Adoptie Verdrag geratificeerd. Het moet nu niet 25 jaar duren voor de rechten van donorkinderen en draagmoederkinderen wereldwijd worden erkend.

 

René A.C. Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

Trouw, 20 augustus 2009

Adoptie voor kind of wensouder

 

 

Ina Hut van Wereldkinderen heeft gelijk met haar stelling dat het ministerie van justitie alleen in woorden opkomt voor het belang van adoptiekinderen. De directeur van het grootste adoptiebureau stapt op wegens ‘falend Haags beleid’. Hopelijk gaat het ministerie stevig bij zichzelf te rade, en brengen Haagse beleidsmakers de moed op om ongemakkelijke beslissingen te nemen.

Over adoptie van buitenlandse kinderen is al lange tijd een felle richtingenstrijd gaande. Aan de ene kant vind je de opinie dat het belang van het kind centraal dient te staan. Er wordt kritisch naar organisaties die voor veel geld kinderen uit het buitenland halen. Het beter wordt geacht al dat geld in het land zelf te besteden en te zorgen dat kinderen in hun geboorteland blijven.

Aan de andere kant wordt gesteld dat opvang in een Westers gezin altijd beter is dan ergens in een armoedige situatie blijven. Adopties door beroemde filmsterren als Madonna zijn voorbeelden van dergelijke praktijken. Belangen van adoptieouders lijken centraal te staan.

De belangrijkste Nederlandse adoptieorganisatie, Wereldkinderen, doet de laatste jaren aan hulpverlening aan gezinnen ter plaatse. Plaatselijke adoptie wordt gestimuleerd. Landen met een twijfelachtig adoptiebeleid worden door Wereldkinderen gemeden.

Tegen het Justitiebeleid bestaan op twee punten principiële bezwaren, zoals verwoord door Ina Hut. Het gaat om ‘deelbemiddeling’. Daarbij proberen aspirant-adoptieouders zelf ergens een kind te vinden met de bedoeling het in hun gezin op te nemen. Het andere pijnpunt is de adoptie van Chinese kinderen die mogelijk zouden worden verkocht.

Minister en Kamer discussieerden in juni over deelbemiddeling. Dat ging vrijwel alleen over adopties uit de VS. In 2008 kwamen via deelbemiddeling 61 kinderen naar Nederland, van wie 56 uit de Verenigde Staten, allemaal Afro-Amerikaanse kinderen. Als deze adopties worden beperkt, zullen met name alleenstaanden en homoseksuele paren nauwelijks nog kans op adoptie hebben. En daar wrong de schoen.

In de VS worden elk jaar ongeveer 80.000 binnenlandse en 20.000 uit het buitenland afkomstige kinderen geplaatst, daarvan 2000 kinderen uit Afrikaanse landen. Het argument dat voor een aantal ‘zwarte’ kinderen uit de VS geen Amerikaanse ouders te vinden zijn, doet terecht de vraag rijzen waarom er dan zoveel kinderen uit bijvoorbeeld Ethiopië naar de VS gaan. Het rijkste land ter wereld zou niet in staat zijn om voor de eigen kinderen te zorgen? Diverse landen zijn dan ook gestopt met adopties uit de VS. Amerikaanse adoptieorganisaties werken graag met Nederlandse ouders. Tegen de geringe transparantie van de kosten wordt weinig bezwaar gemaakt. Het gaat om bedragen tussen de 23.000 en 55.000 dollar.

De minister is er opeens van overtuigd geraakt dat adopties uit de VS moeten doorgaan ondanks ernstige bezwaren tegen deze deelbemiddeling. Enig recht op een kind bestaat er evenwel niet, noch voor heteroparen, noch voor homoparen of alleenstaanden. Het COC kan tevreden zijn. Hun oneigenlijke argument, dat homoparen evenveel recht op een kind hebben als heteroparen, heeft gewerkt.  Ik had verwacht dat de minister naast het COC ook organisaties van geadopteerden hun mening over deelbemiddeling gevraagd had. Dit gebeurde niet. Andere belangrijke zaken rond adoptie bleven onderbelicht. Kortom in deze discussie koos de minister voor het belang van adoptieouders en niet voor het ‘belang van het kind’.

De kwestie van de adopties uit China speelde vorig jaar op. Trouw meldde dat achter een aantal van deze adopties vraagtekens gezet kunnen worden. Netwerk kwam met alarmerende berichten. Verkoop van kinderen en onbetrouwbare tussenpersonen zouden tot de praktijk in bepaalde Chinese provincies behoren. Justitie deed onderzoek in China en kwam met geruststellende berichten. Wereldkinderen en Ina Hut wilden alsnog zelf een onderzoek doen, maar dat werd Ina door Justitie sterk afgeraden. Terwijl nota bene enkele weken geleden de adopties uit China opnieuw negatief in het nieuws kwamen. Hoewel dit door het ministerie niet expliciet werd gezegd, kan ook ik niet anders concluderen: economische belangen zijn belangrijker dan adoptiebelangen.

Maar hoe nu verder? Hopelijk gaat het Ministerie met adoptiedeskundigen in discussie over het toekomstige beleid rond buitenlandse adoptie. En durft Den Haag het aan soms pijnlijke beslissingen te nemen. Zo dient een bemiddelingsorganisatie die met onbetrouwbare contacten werkt, haar vergunning te verliezen. En moeten kanalen die onbetrouwbaar zijn, zoals nu enkele Chinese contacten, gesloten worden.

 

René A.C. Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

Katholiek Nieuwsblad, 19 juni 2009

Terug naar het belang van het kind

 

 

Elf juni vond in de Tweede Kamer Algemeen Overleg plaats tussen Minister van Justitie Hirsch Ballin en 9 kamerleden met adoptie in hun portefeuille. De publieke tribune was volledig gevuld. Doel van de kamerdiscussie was met adoptie samenhangende problemen te bespreken en de minister voorstellen te doen om wetgeving aan te passen. Voor het Televisieprogramma Netwerk zei ik dat de discussie voor mij een teleurstellend verloop had. Mevrouw Hut, directeur van de grootste adoptieorganisatie Wereldkinderen, liet ons voor dit zelfde programma weten dat zij boos was omdat economische en politieke overwegingen boven het belang van het kind gaan. Het hele debat werd een beschamende vertoning. De discussie draaide voor 90% om de deelbemiddeling uit de Verenigde Staten. De dagen ervoor was namelijk duidelijk geworden dat de minister voornemens was om deelbemiddeling aan banden te leggen, conform het advies van de Commissie Kalsbeek. Bij deelbemiddeling proberen aspirant-adoptieouders zelf ergens in de wereld een kind te traceren om het te adopteren. Bemoeienis van een erkende adoptieorganisaties is beperkt. Omdat de VS het Haags Adoptieverdrag heeft geratificeerd kan volgens dit verdrag alleen nog gewerkt worden via erkende adoptieorganisaties. Het is dan allereerst de bedoeling dat gezocht wordt naar mogelijkheden het kind in zijn eigen land te laten. In 2008 kwamen via deelbemiddeling 61 kinderen naar Nederland, van wie 56 uit de Verenigde Staten, allemaal Afro-Amerikaanse kinderen. Wanneer deze adopties worden beperkt, zullen met name homoseksuele paren nauwelijks kans op adoptie hebben. Hoewel het om slechts een klein aantal kinderen gaat, ontslaat dat ons niet van de verplichting kritisch naar deze adopties te kijken. Kernpunt bij adoptie is immers de latere vraag van geadopteerde: was mijn adoptie noodzakelijk en zo ja ook de overplaatsing naar een geheel ander land? In de Scandinavische landen en België heeft men adopties uit de VS om die reden reeds stopgezet. In de VS worden elk jaar ongeveer 20.000 uit het buitenland afkomstige kinderen geplaatst, daarvan 2000 kinderen uit Afrikaanse landen. Het argument dat voor deze ‘zwarte’ kinderen uit de VS geen Amerikaanse ouders te vinden zijn, doet je afvragen waarom er dan zoveel kinderen uit bijvoorbeeld Ethiopië naar de VS gaan.

Daarbij zijn er vraagtekens bij de adoptiekosten. Amerikaanse adoptieorganisaties werken graag met Nederlandse ouders, omdat over de geringe transparantie van de kosten kennelijk weinig bezwaar wordt gemaakt, het gaat om bedragen tussen de 23.000 en 55.000 dollar. En het is gemakkelijk, er hoeft, ondanks het Haags Adoptieverdrag, niet ‘langer’ gezocht te worden naar een echtpaar in de VS.

Het COC kan tevreden zijn. Hun argument dat homoparen evenveel recht op een kind hebben als heteroparen heeft gewerkt. Dat er geen ‘recht op een kind’ bestaat, maar alleen maar dankbaarheid als je een kind krijgt, durven de kamerleden kennelijk niet in de mond te nemen. De kamerleden, en nu ook de minister, zijn ervan overtuigd dat deze adopties uit de VS moeten doorgaan, deelbemiddeling of niet.

Tijdens het debat werd door alle deelnemers voortdurend betoogd dat ‘het belang van het kind’ centraal staat. Dan zou je verwachten dat aan geadopteerden was gevraagd wat zij van deze kwestie vinden. Omdat buitenlandse adoptie al meer dan vijftig jaar bestaat, zijn er genoeg geadopteerden die een duidelijke mening hebben. Deze mening is niet gehoord. Misschien omdat bekend is dat zij zeer kritisch staan tegenover adopties uit de VS? De grote landelijke organisatie United Adoptees International heeft aan de minister en alle kamerleden duidelijk gemaakt dat deelbemiddeling, waaronder die uit de VS, juist om het belang van het kind, aan banden dient te worden gelegd. Er dient allereerst gekeken te worden of er niet adoptieouders in het geboorteland gevonden kunnen worden. Zouden die in het rijkste land van de wereld, waar al zo veel zwarte kinderen worden geadopteerd niet gevonden kunnen worden? Het geadopteerd zijn is al een uitzonderingspositie, het raciale element eveneens en daar zou plaatsing bij een homopaar als volstrekt onnodige bijzonderheid nog bijkomen? Speelt hierbij het belang van het kind enige rol? Nee, slechts het belang van adoptieouders telt hier. En dat tekende de gehele discussie op 11 juni, terwijl er zo veel meer zaken rond adoptie spelen. Bijvoorbeeld die rond de bewaartermijn van dossiers van geadopteerden, nodig om informatie over hun achtergrond te verkrijgen. Op het voorstel van één kamerlid om de bestaande 30 jaar te verlengen tot 100 jaar reageerde de minister niet eens. Op het voorstel om bij tweede kind plaatsing minder star het leeftijdscriterium van veertig jaar te hanteren, werd door de minister slechts vaag gereageerd. Over de handelwijze bij illegale adopties, koop van kinderen of adoptie van een gekidnapt kind werd nauwelijks iets gezegd. China is dan ook een te belangrijke handelspartner om al te openlijk over mistoestanden in de zorg voor kinderen aldaar te spreken. Over de invoering van de ‘zwakke adoptie’ in ons land schiep de minister geen enkele duidelijkheid. Zwakke adoptie is in het belang van pleegkinderen en hun –ouders. De pleegouder kan dan zijn reeds vele jaren verzorgde en opgevoede kind adopteren zonder dat de banden van het kind met zijn oorspronkelijke ouders geheel worden verbroken. Enkele kamerleden wezen op de noodzaak van verbetering van de nazorg voor adoptieouders en speciaal voor volwassen geadopteerden. Veel verder dan te verwijzen naar het Ministerie van Jeugd en Gezin en de bestaande jeugdhulpverlening kwam de minister niet.

De discussie op 11 juni had weinig met het belang van het kind te maken. Een nieuw Algemeen Overleg dat echt over adoptie zal gaan is absoluut nodig.

 

René A.C. Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

NRC Handelsblad, 23 mei 2009

Ivf-gebruik mag niet eindeloos zijn – Opinie

 

 

Wybo Dondrop en Guide Wert (NRC 14-5) hebben met hun ‘Een slimme meid vriest haar eicellen in’ voor ethici een opvallend kortzichtig stuk geschreven. Zij stellen voor dat vrouwen tenminste tot hun vijftigste via invitrofertilisatie (ivf) en met behulp van vele jaren eerder bevroren eicellen alsnog een kind kunnen krijgen. Aan enig belang van het kind wordt niet gedacht. Hou zou immers een kind het vinden om naar de leeftijd gerekend bij zijn/haar oma geboren worden? Een vijftienjarige met een 65jarige moeder moet optrekken? ‘Natuurlijk is het beter als zij eerder kinderen krijgen’ merken beide auteurs op. Waarom zou een samenleving dan iets mogelijk moeten maken dat kennelijk minder goed is voor kind en ouders?

Ouders die willen adopteren mogen niet meer dan veertig jaar in leeftijd verschillen van hun adoptiekind. Dit is gedaan in het belang van het kind. Zijn de belangen van kinderen die via kunstmatige voortplanting worden geboren anders?

Het wordt hoogtijd dat de zogenaamde vrijheid die bestaat bij het gebruik van invitrofertilisatie en andere kunstmatige voortplantingsmethoden aan banden wordt gelegd. Voor het kind bestaat die vrijheid niet. Voor adoptiekinderen bestaan er allerlei maatregelen en wetten ter bescherming. Belangen van kinderen verwekt via kunstmatige voortplanting zijn niet anders.

 

René A.C. Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

Trouw, 5-12-2008

Internethandel in baby’s hoort onmogelijk te zijn.

Kinderhandel via internet is een onaanvaardbare misstand. De Tweede Kamer kan er gemakkelijk een stokje voor steken.

 

 

We moeten vrezen dat er veel meer kinderen via koop in de verkeerde wieg terechtkomen. Baby Donna en Baby J. zijn kort na de geboorte gekocht door een Nederlands echtpaar. Door omslachtige rechterlijke procedures en getreuzel bij de Raad vd Kinderbescherming bleef Baby Donna gewoon in Nederland.

Bij baby J. blijkt er nu ineens anders en vooral zonder onnodig getreuzel te kunnen worden  beslist. Dit kind is eveneens op volkomen illegale wijze in een Nederlands gezin gekomen. De biologische ouders hadden vanwege geldgebrek hun (tweede) kind via internet te koop aangeboden. Een jong Nederlands stel, dat zelf geen kinderen kon krijgen, ging hierop in. Vergeefs hadden zij enkele malen geprobeerd om via een draagmoeder een kind te verkrijgen en daar veel geld aan besteed.

De dag na de geboorte op 3 juli namen de wensouders baby J. uit het Belgische ziekenhuis, nota bene op hun naam geregistreerd, mee. Enkele weken later kwam EO-Netwerk deze zaak op het spoor. Als de feiten rond baby J. bekend raken, wordt er meteen door alle deskundigen vastgesteld dat dit kind illegaal is verkregen, er zelfs sprake is van kinderhandel, en dat het kind dus niet in het

gezin mag blijven. Op donderdag 27 November beslist de Rechtbank te Zwolle dat het Bureau Jeugdzorg Overijssel wordt belast met de voorlopige voogdij over baby J.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat nog steeds kinderen op internet worden aangeboden? Dat mensen alles in het werk stellen om maar een kind te krijgen en daarbij alle wettelijke regels rond adoptie, die er niet voor niets zijn, totaal negeren? Dat de obsessieve kinderwens kennelijk blind maakt voor de consequenties voor het kind? Hoe kunnen wij deze koop- en verkooppraktijk van een kind op internet nog steeds toelaten?

Positief is wel dat de Zwolse rechtbank anders dan de Utrechtse rechtbank bij baby Donna in 2007 vrijwel meteen tot een beslissing komt en niet hoefde te aarzelen i.v.m. het zogenaamde ‘family life’ probleem. Dit houdt in dat men meent dat er een zodanige band tussen ouders en kind is ontstaan, dat het schadelijk voor het kind zou zijn om het uit het gezin van de (wens)ouders weg te halen. Maar bij zo’n beslissing kijkt een rechter naar mijn mening ten onrechte alleen naar het gezinsleven op de korte termijn, noem het ‘short term family life’. Op de lange termijn zou er, zoals bij baby Donna, niet sprake hoeven te zijn van ‘family life’. Als namelijk het gekochte kind volwassen wordt en zijn adoptieouders om een kind te krijgen, de illegale gang van zaken rond de adoptie ernstig gaat verwijten. Dat het zich als handelswaar behandeld voelt en daardoor ernstige gevoelens van minderwaardigheid heeft gekregen. De kans bestaat dat deze persoon de banden met de ouders, die hem in feite hebben gekocht, verbreekt. Van handhaving van het gezinsleven, dus van ‘long term family life’, is dan geen sprake meer. Baby J. hoeft in ieder geval niet in deze emotionele valkuil terecht te komen.

Ondertussen hebben de biologische ouders van baby J. te kennen gegeven toch voor het kind te willen zorgen. Bij de Zwolse rechtbank en de Raad vd Kinderbescherming was dit kennelijk nog niet bekend, want zij hebben een periode van nog eens zes weken verblijf in een crisisgezin voorgesteld om te kijken wat nu het beste is voor baby J. Een kind dat, uit welk buitenland ook, hier onrechtmatig terecht is gekomen, dient op de kortst mogelijke termijn te worden teruggebracht. Het gesleep met een kind van het ene gezin naar het andere dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Bij baby J. kan de Belgische kinderbescherming onderzoeken of het kind weer terug kan worden gebracht naar zijn eigen ouders. En op welke wijze dit gezin gesteund moet worden.

Het wordt hoog tijd dat er in Europees verband een algeheel verbod komt van kinderhandel via internet of welke media ook. En dat er duidelijke sancties komen op het niet naleven daarvan.

Iedereen kan nog steeds bij de Burgerlijke Stand een kind aangeven zonder dat hij/zij hoeft te bewijzen dat het kind ook inderdaad van hem/haar is. Daardoor kon baby J. simpelweg op naam van het Nederlandse echtpaar geregistreerd worden. Deze frauduleuze praktijk komt veel vaker voor. Daarom moet bij elke aangifte van een kind een verklaring van de arts of verloskundige zijn dat het kind uit deze moeder is geboren. De regels moeten aangepast worden en zo kan het ministerie van justitie een hoop ellende voor kinderen voorkomen.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

Katholiek Nieuwsblad, 29 augustus 2008

Lesbisch ouderschap

 

 

De laatste jaren gaan er steeds vaker stemmen op om adoptie door homoparen gemakkelijker te maken. Het in 2006 ingediende wetsvoorstel (30551) ‘adoptie door homoparen’ is een voorbeeld hiervan. In 2007 diende Alexander Pechthold van D’66 een motie in met het verzoek aan de regering wetsvoorstel 30551 zodanig uit te breiden dat lesbische paren niet langer de volgens hem ingewikkelde weg van adoptie hoeven te bewandelen om juridisch ouder te worden. Er werd een commissie van deskundigen benoemd, de commissie Kalsbeek, die onlangs het Rapport Lesbisch Ouderschap uitbracht. De belangrijkste conclusie van de commissie is dat de biologische moeder zonder tussenkomst van de rechter de ‘meemoeder’ kan promoveren tot juridisch ouder. De positie van de biologische vader moet nog verder worden uitgewerkt. De commissie memoreert dat Nederland een emancipatoir homobeleid voert (p.10) en zij hanteert als uitgangspunten; het belang van het kind en de gelijke behandeling van homoparen en heteroparen. Deze uitgangspunten kunnen tegenstrijdig zijn. De situatie van hetero- en homoparen zijn wat betreft het krijgen van kinderen nu eenmaal niet gelijk. Dit heeft consequenties voor het kind. Zo is het bij lesbische paren altijd de vraag wie de vader is. Daarom zou bij lesbische paren, anders dan de commissie meent (p. 26), juist wel de verplichting dienen te bestaan dat de identiteit van de biologische vader wordt vastgelegd. Dat deze juridische verplichting bij heteroparen niet bestaat, komt omdat het duidelijk is wie de vader en de moeder is. In de uitzonderingsgevallen dat de sociale vader niet ook de biologische vader is, bestaat de morele verplichting het kind daarover in te lichten. Boven dit juridisch gekibbel over gelijkheid waar geen gelijkheid bestaat, moet je vaststellen dat het kind zonder meer altijd recht heeft te weten wie zijn biologische ouders zijn.

De commissie had ook in de situatie van ouderschap van twee mannen moeite met  het gelijkheidsbeginsel. De situatie waarin twee mannen ouder zijn van een kind heeft de Commissie zelfs niet beschouwd. Deze verschilt van de situatie van het lesbisch ouderschap omdat volgens de Commissie ‘Een kind immers niet binnen de relatie van twee mannen geboren kan worden’. Een opvallende conclusie, omdat evenmin een kind binnen de relatie van twee vrouwen geboren kan worden. Door te concluderen dat een kind kan worden geboren binnen een relatie van een vrouw en een vrouw (p.13) wordt de plaats van de biologische vader genegeerd. Er is toch in ieder geval een derde, de verwekker of de spermadonor nodig.

De Commissie benadrukt het belang van de identiteit van het kind. Het juridisch ouder zijn betekent volgens de Commissie dat kind en ouder het gevoel krijgen voor altijd bij elkaar te horen. Het zou gaan om een ‘diepe emotie’ (p. 16). Aan die uitspraak moest ik denken toen ik het verhaal (Volkskrant 18 augustus jl.) las over Petra Saive-Smit (36 jr.) die wanhopig op zoek is naar haar vader. Petra was kort na haar geboorte afgestaan en vervolgens geadopteerd. Haar biologische moeder wilde niet de naam van haar biologische vader noemen, zelfs niet na rechtszaken die dochter tegen haar had aangespannen.

Petra staat niet alleen in deze dwingende behoefte te weten wie haar vader is. In mijn decennia lange ervaringen in de wereld van de adoptie, ben ik het zó vaak tegengekomen. Bij elke overweging, waarbij het belang van het kind centraal zou staan, dient bedacht worden dat voor het kind zijn biologische moeder en zijn biologische vader fundamenteel tot zijn identiteit, het antwoord op de vraag wie ben ik, behoren. Daar overheen te stappen is niet in het belang van het kind. Daarom ontgaat mij wat een uitspraak als ‘de samenstelling van het gezin is daarbij niet van belang’ (p. 17) met het belang van het kind te maken heeft.

De werkelijkheid laat zien dat het ‘sociale ouderschap’ steeds vaker voorkomt. Dit laat onverlet dat voor het kind het biologisch ouderschap evenzeer werkelijkheid is. Alle wetgeving betreffende het sociale ouderschap dient dit in overweging te nemen.

Daarom weet ik niet of het wel in het belang van het kind is om de juridische positie van de meemoeder gemakkelijker te maken. Is in deze gevallen adoptie zo tijdrovend en kostbaar? Graag zou ik aan de hand van onderzoek wat meer willen weten over de stabiliteit van dergelijke lesbische relaties, de reactie van het kind op eventuele scheidingen, de plaats van de volgende ‘meemoeder’, hoe tegen de behoefte van het kind om te weten wie zijn vader is wordt aangekeken en hoe wordt gereageerd als het wat oudere kind misschien omgang met zijn vader wil. In ons land is de erkenning van ouderschap een rechtshandeling en niet een waarheidshandeling zoals in veel landen. Het sociale ouderschap staat centraal. Deze praktijk is m.i. aan herziening toe.

Alle voorstellen rond het homohuwelijk komen direct voort uit behoeften van volwassenen. Natuurlijk kan ik mij goed voorstellen dat men graag kinderen wil. Wordt echter rekening gehouden met wat kinderen willen? Met de werkelijkheid van kinderen? Met hun behoefte aan een stabiele en bekende identiteit? Met hun behoefte op te groeien bij hun biologische ouders?

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Trouw, 18 juni 2008

Adoptiekind komt op het tweede plan

 

 

Donderdag 29 mei jl. verscheen het rapport ‘Interlandelijke Adoptie’ van de door Justitie ingestelde commissie Kalsbeek. Het werd een omvangrijk rapport. Dat behoeft geen verbazing. De laatste jaren is gezinsvorming, via adoptie van een buitenlands kind, voortdurend in het nieuws geweest. Ter discussie kwam regelmatig de professionaliteit van de zeven erkende bemiddelingsorganisaties; frequente gevallen van illegale adopties; signalen dat adopties uit landen als Guatemala, Haïti, India en China, niet volgens algemeen erkende regels waren verlopen; de 12.000 tot 30.000 euro, die door de Nederlandse adoptieouders moeten worden betaald en klachten over eisen aan adoptieouders. Kortom de commissie stond voor een moeilijke taak. Daarbij vroeg zij zich af op welke wijze een evenwichtige invulling kan worden gegeven aan de belangen van de te adopteren kinderen enerzijds en de wensen van adoptieouders anderzijds. Kunnen we tevreden zijn over het resultaat als we bedenken dat belangen van het hulpeloze kind voorop dienen te staan?

Allereerst jammer is het, dat naast de adoptieouders niet ook geadopteerden vertegenwoordigd waren. Terwijl er meer dan genoeg geadopteerden zijn - buitenlandse adoptie bestaat reeds vanaf 1958 - die een goede inhoudelijke bijdrage hadden kunnen leveren. De commissie zegt nota bene zelf ‘dat de belangen en wensen van de potentiële adoptieouders het politieke debat over interlandelijke adoptie de afgelopen jaren meer hebben beïnvloed dan die van de geadopteerden en de biologische ouders’.

De commissie memoreert voorwaarden uit het Haagse Adoptieverdrag van 1993. Maar waarom wordt er niets gezegd over de verplichting, zowel voor vergunninghouders als hun buitenlandse contacten, om gegevens van geadopteerden tenminste honderd jaar te bewaren? Te bevorderen dat Nederlandse vergunninghouders hun buitenlandse contacten tot veel grotere nauwkeurigheid in het verzamelen, en openheid tot het verstrekken, van achtergrondgegevens manen? De praktijk en televisie programma’s als Spoorloos leren ons hoe belangrijk dit is voor het adoptiekind die veelal meer wil weten over zijn achtergrond.

Het is ook in het belang van adoptiekinderen dat er veel scherper, dan nu wordt voorgesteld, gecontroleerd wordt op gegevens over het gezin van herkomst. Is moeder of vader echt onbekend of gestorven? Heeft het kind broertjes of zusjes? Leven grootouders misschien nog?

Wat het financiële aspect aangaat, volgt de commissie vreemde wegen en lijkt zij niet het belang van het kind maar bevordering van interlandelijke adoptie op het oog te hebben. Het geven van geringe betalingen om overheidsdienaren in landen van herkomst van de kinderen aan te sporen hun werkzaamheden uit te voeren, beschouw ik als een ongehoord advies. Herkomstlanden zouden er meer en meer van doordrongen moeten raken, dat ze blij mogen zijn dat hun kinderen elders ontwikkelingskansen krijgen. Dat scheelt die landen heel veel aan kosten voor die kinderen. De houding die ook uit dit rapport blijkt: dat wij blij mogen zijn dat er kinderen komen, is naar mijn mening fors aan herziening toe.

De Commissie ziet adoptie niet als kinderbeschermingsmaatregel. Zij legt namelijk de nadruk op adoptie als wijze van creëren van nieuwe familierechtelijke betrekkingen tussen kind en adoptieouders, op adoptie als gezinsvorming dus. Deze stellingname kan grote psychologische effecten voor de praktijk hebben, want niet het kind in nood staat centraal, maar de kinderwens van aspirant-adoptieouders.

Er worden kwaliteitseisen gesteld aan het werk van vergunninghouders. Adoptiekinderen en hun ouders hebben er groot belang bij dat de wijze van plaatsing correct geschiedt en met een professionele kijk op de psychologische gevolgen voor adoptiekind en gezin. De Commissie is echter nog altijd weinig voortvarend. Vergunninghouders krijgen immers nog alle tijd om aan de voorgestelde eis van dertig bemiddelingen per jaar te voldoen, terwijl wij al decennia lang precies weten hoeveel bemiddelingen elke organisatie tot stand brengt. Waarom dan niet per 1 januari 2010 ingevoerd dat alle vergunninghouders aan deze eis moeten voldoen en niet nog enkele jaren later? Aan aspirant-vergunninghouders wordt nota bene vijf jaar de tijd gegeven om aan de eis van 30 bemiddelingen per jaar te voldoen. Dat heeft niets met het belang voor het kind of gezinnen te maken. Daarbij, we hebben helemaal geen behoefte aan meer vergunninghouders, de mogelijkheid daartoe bevordert de jacht op kinderen.

Kinderen zijn niet gebaat om bij ouders geplaatst te worden die naar leeftijd gezien ook hun grootouders hadden kunnen zijn. De leeftijdseisen aan adoptieouders blijven dus volgens de Commissie gehandhaafd. Adoptieouders en adoptiekind mogen niet meer dan 40 jaar van elkaar verschillen, uitzonderingen daargelaten. Het is tevens in het belang van het kind om tot die uitzonderingen ook de tweede kind plaatsing te rekenen, dan kan het opgroeien in een gezin met meer kinderen.

Waardering voor de aanbeveling dat geadopteerden op verzoek hun oorspronkelijke voornaam en/of geslachtsnaam op een gemakkelijker manier kunnen herkrijgen. Veel geadopteerden worstelen met hun identiteit, met de vraag wie ze eigenlijk zijn.

De voorstellen met betrekking tot de nazorg voor adoptiegezinnen zijn volstrekt onvoldoende. Juist omdat er steeds meer oudere kinderen en kinderen met medische of psychische problemen worden geplaatst, is structurele begeleiding vanaf het moment van plaatsing noodzakelijk. Die kan niet alleen bestaan uit een verplichte video-interactie begeleiding, maar dient verbreed te worden tot het stellen van diagnoses en het opstellen van behandelingsplannen voor kinderen met (ernstige) gedragsproblemen. Dus regelmatig overleg met adoptieouders is aangewezen. Deze nazorg dient te gebeuren door een aantal over het land verspreid werkende groepen adoptiedeskundigen. De Stichting Voorbereiding Interlandelijke Adoptie is daarvoor minder geschikt, omdat adoptieouders al vóór de adoptie verplicht met deze organisatie te maken hebben en dan ook na de adoptie geen keus hebben wie zij bij problemen willen raadplegen.

Tot slot. Juist voor de ontwikkeling van een gezond gevoel van eigenwaarde van het adoptiekind dient elke mogelijkheid tot illegaliteit bij adoptie de kop ingedrukt te worden. Node mis ik daarom enige aanbeveling hoe rechters en Raden voor de Kinderbescherming dienen te handelen bij apert duidelijk illegale adopties. Ook deze commissie lijkt kennelijk niet zijn handen daaraan te willen branden.

 

 

René Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie, Universiteit Utrecht)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

 

De Morgen, 9 mei 2008 

Baby Donna: wat is het belang van het kind?

 

Al ruim drie jaar zijn een Belgische vader en een Nederlands echtpaar in een heftige strijd gewikkeld over de toekomst van een kind, bekend als baby Donna.

Een Belgische draagmoeder, die zichzelf medio 2004 insemineerde met sperma van de Belgische wensvader, heeft dit kind begin 2005 via internet voor 15.000€ te koop aangeboden. Dit terwijl zij met de biologische vader en zijn toenmalige echtgenote had afgesproken dat zij dit kind zouden krijgen, tegen de forse vergoeding van ca. 10.000€.

Een Nederlands echtpaar gaat in op de advertentie. Zij hebben enkele jaren eerder door een medische fout hun kind verloren en kunnen helaas geen kinderen meer krijgen, terwijl zij dat dolgraag willen. De man heeft uit een eerder huwelijk wel twee kinderen. Voor adoptie komen zij niet meer in aanmerking omdat de man, bij hun eerste verzoek aan het Nederlandse Ministerie van Justitie, net enkele weken te oud is.

In mei 2005 berichtten verschillende Nederlandse en Belgische kranten voor het eerst over deze kwestie. De biologische vader spant een rechtszaak. Deze neemt veel tijd in beslag. Pas in oktober 2007 besluit een Nederlandse rechter, dat het kind bij het Nederlandse echtpaar dient te blijven. Het meisje heeft zich immers gehecht aan deze pleegouders, er zou sprake zijn van family life. De biologische vader heeft niet de mogelijkheid gehad met het kind family life op te bouwen, dus ook geen recht op omgang met zijn kind. De vader gaat in beroep, maar volgens de uitspraak van de Utrechtse rechter op 7 mei jl. kan hij alleen maar hopen op een onregelmatig contact met zijn kind. En dit waarschijnlijk pas over enkele jaren.

Hoe moeten we tegen deze gang van zaken aankijken?

Allereerst, waar een draagmoeder wordt ingeschakeld om een kind te krijgen, is er een gerede kans dat afspraken niet worden nagekomen. Afdwingbaar zijn in dit verband gemaakte afspraken niet. Niet-commercieel draagmoederschap is mogelijk en gebeurt meestal binnen familieverband. De Raad voor de Kinderbescherming moet daarbij betrokken worden en het kind wordt officieel geadopteerd door de wensouders. Door de moderne voortplantingstechnologie is het commerciële draagmoederschap ontstaan. Ik noem dit de multimediale kinderhandel. Het is verboden. Op grond daarvan had in de kwestie van baby Donna meteen ingegrepen moeten worden. We kunnen ons afvragen waarom dit niet is gebeurd toen de zaak in de pers kwam. Het meisje was toen pas enkele maanden oud. Alle Nederlandse en Belgische rechtsregels rond de bescherming van het kind en adoptie waren overduidelijk genegeerd. Er was sprake van commercieel draagmoederschap, van het kopen van een kind. Bovendien kon er van adoptie door dit echtpaar geen sprake zijn. Ontbrak het de Nederlandse en Belgische juridisch verantwoordelijken aan moed of betrokkenheid om dit Belgische kind bij dit Nederlandse gezin, dat zo vreselijk graag kinderen wilde, weg te halen?

Omdat de rechtsgang, die door de Belgische vader wordt aangespannen en vervolgens door de pleegouders en hun advocaat, wordt getraineerd, is baby Donna al 2,5 jaar als de rechter besluit dat zij bij haar pleegouders mag blijven. De rechters en het echtpaar zien dan echter over het hoofd dat dit meisje geen kind blijft. Zij zal op de hoogte raken van haar herkomst. De Nederlandse Raad voor de Kinderbescherming houdt namelijk toezicht op dit gezin en de biologische vader zal met haar contact krijgen. Adoptieliteratuur (N. Verrier (2007, Afgestaan) laat zien hoezeer geadopteerden worstelen met hun identiteit. Wat kunnen we dan van baby Donna verwachten? Hoe zal zij de bekende identiteitsvragen als “Wie zijn eigenlijk mijn biologische ouders?”, “Waarom ben ik afgestaan?” “Hoe verliep mijn ‘adoptie’?”, “Hoe zien anderen mij?” beantwoord krijgen? Zal zij daarom haar pleegouders over enkele jaren inderdaad als haar ouders blijvend aanvaarden? Hoe zal zij leren om te gaan met deze totale verwarring omtrent haar ontstaan en de volstrekt toevallige manier waarop zij bij haar pleegouders terecht is gekomen, terwijl haar vader buiten spel werd gezet?

Ook in de uitspraak van 7 mei blijkt de Nederlandse rechter alleen maar oog te hebben voor de korte termijn belangen van het kind. Inderdaad het nu uit het gezin weghalen zal voor het kind en de pleegouders pijnlijk zijn, misschien wel traumatisch. Het in dit gezin laten zal echter uiteindelijk schadelijk kunnen zijn voor Baby Donna.

Hoe nu verder?

Het is allereerst voor baby Donna van groot belang, dat de biologische vader op een wijze die het kind aankan in beeld wordt gebracht. Pleegouders dienen intensief te worden begeleid.

En voor de toekomst geldt dat in dergelijke situaties veel sneller moet worden ingegrepen. Precedent werking door deze volkomen verkeerd aangepakte zaak dient met kracht te worden tegengegaan

 

Arm kind, arme kinderen.

 

 

René Hoksbergen

(emeritus hoogleraar adoptie, Universiteit Utrecht)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Evaluatie Adoptiewet: voorstellen gaan niet ver genoegi

 

Belang van het kind?

Al vele malen is de adoptiewet aangepast. De eerste adoptiewet van 1956 had hoofdzakelijk oog voor adoptie van in Nederland geboren kinderen. De laatste keer dat de wet werd aangepast was in 1998, toen Nederland het Haags adoptieverdrag ondertekende. Naar aanleiding daarvan werd de adoptiewet van 1989 fors herzien. Het Haags Adoptieverdrag heeft vooral ten doel te komen tot professionalisering van de adoptiepraktijk, het voor de bemiddeling uitsluitend werken met erkende organisaties en overeenstemming in procedures tussen  de bij adoptie betrokken landen. In het Haags Adoptieverdrag en de Nederlandse wetgeving is vastgelegd dat adoptie op de eerste plaats gezien moet worden als een vorm van kinderbescherming. In de wet van 1956 was dit ook uitdrukkelijk het uitgangspunt. Het “belang van het kind” dient voorop te staan. Jammer is dat nog steeds niet naar inhoud wordt uitgewerkt wat onder het “belang van het kind” dient te worden verstaan. Ook in de hierna te bespreken evaluatie van de wet van 1998 gebeurt dit niet. En dit terwijl er langzamerhand genoeg onderzoeksmateriaal bestaat wat het belang van het kind en dat van adoptiekinderen in het bijzonder inhoudt. Het is dan ook goed mogelijk om dit “belang van het kind”, en zeker wat dit “belang”niet dient, te definiëren en nader te omschrijven. Dit zou alsnog dienen te gebeuren. Dan dwingt de wetgever zich rekenschap te geven welke onderdelen in wet en procedure inderdaad het kind dienen en welke in dit verband terzijde kunnen worden geschoven.

Adoptiewet van 1998 was aan herziening toe

Zes jaar na het inwerking treden van de Wet Opneming Buitenlandse Kinderen ter Adoptie (WOBKA) is deze wet dus nu met behulp van het Adviesbureau Van Montfoort te Woerden geëvalueerd. Een uitstekend initiatief van het Ministerie van Justitie. Adoptieorganisaties, enkele Adoptie-ouderverenigingen, Raad voor de Kinderbescherming en wetenschappers werden naar hun mening gevraagd. Diverse boeken en artikelen zijn eveneens geraadpleegd.

Het is een lijvig en gedegen rapport geworden. Het belang voor alle betrokkenen is dan ook groot. Elk jaar worden er 1000 tot 1200 buitenlandse adoptiekinderen in Nederlandse gezinnen geplaatst. Kinderen die bij aankomst gemiddeld bijna twee jaar oud zijn. Vrijwel al deze kinderen hebben tenminste enkele maanden in een kindertehuis gezeten. Sommige kinderen zijn in het land van herkomst (ernstig) verwaarloosd op het moment dat zij in hun nieuwe gezin worden opgenomen. De belangrijkste landen van herkomst zijn momenteel: China, Colombia, Haïti, Taiwan en Ethiopië. Vroeger kwamen ook veel kinderen uit Zuid Korea, Indonesië, Sri Lanka en India. Uit ongeveer dertig landen komen elk jaar een of meer kinderen.

Er komt meer controle op de  instanties in het land van herkomst

Op enkele punten worden in de Evaluatie eindelijk knopen doorgehakt. Als een Nederlandse bemiddelaar geen betrouwbare informatie van de bemiddelende instelling in het land van herkomst over de kinderen krijgt, dient dit contact gestopt te worden. Bij het Ministerie van Justitie rust de verplichting dit aan de adoptiebemiddelaars duidelijk te maken. Daarmee lopen adoptie-ouders uiteindelijk minder kans verrast te worden met een kind dat onverwachte medische of psychische handicaps of problemen heeft. De altijd al gevoelde en gemelde noodzaak van een veel betere controle op de werkwijze van instanties in het land van herkomst van de adoptiekinderen zal daarmee voor het eerst in een maatregel zijn omgezet. Dit is een belangrijke verbetering. Adoptieorganisaties worden als het ware gedwongen de instanties met welke zij in de vele landen samenwerken, te controleren. Die buitenlandse instanties zullen zich meer realiseren dat van eventuele oppervlakkige, vrijblijvendheid en beoordelingen als “het is een aardig en gezond kindje met misschien enige achterstand in ontwikkeling” geen sprake meer kan zijn. Duidelijke medische en psychologische rapportages over het voor adoptie vrij gegeven kind zijn voortaan vereist. Dit zal overigens wel een kostenverhogende factor zijn. Het vraagt van bemiddelende instanties veel meer disciplinering van hun werkwijze en extra tijd.

Klachtencommissie kan voortaan rechtstreeks worden benaderd

Het is een grote verbetering dat voorgesteld wordt dat adoptie-ouders bij een klacht voortaan rechtstreeks contact op kunnen nemen met de landelijke klachtencommissie. Zij hoeven hun formele klacht over de adoptiebemiddelaar niet eerst bij deze bemiddelaar, zoals nu het geval is, in te dienen. Hierbij moeten we uiteraard bedenken dat voordat het tot een formele klacht bij de landelijke commissie komt, er meestal tussen bemiddelaar en aspirant-ouders heel wat aan vooraf zal zijn gegaan. Als een ouderpaar een klacht indient, moet de bemiddelaar toch de lopende bemiddeling voortzetten. Hiermee is de afhankelijkheid van aspirant-adoptieouders enigszins verminderd.

Bij de landelijke klachtencommissie werden in de afgelopen vier jaar 12 klachten ingediend, allemaal nadat de adoptieprocedure was afgerond. Kennelijk werd het indienen van een klacht door de aspirant-adoptieouders tijdens de adoptieprocedure te riskant gevonden. De bemiddelaar zou wel eens kunnen besluiten om niet verder te bemiddelen voor zo’n “lastige”cliënt. Of bij de aanvraag van een volgend kind niet te willen bemiddelen.

Ook op juridische en financiële punten zijn voorstellen gedaan die de duidelijkheid van de positie van de bemiddelaar en die van het Ministerie ten goede komen.

IBO-procedure wordt afgeschaft

De zogeheten IBO-procedure (Individueel Bijzonder Onderzoek) wordt afgeschaft. Aanvragers voor adoptie die 42 jaar of ouder waren, moesten hun bijzondere opvoedingsgeschiktheid tonen, omdat zij altijd een ouder kind zouden krijgen. Nu wordt voorgesteld dat de Raad voor de Kinderbescherming “ongeacht de leeftijd van de ouders, bij de bereidheid een ouder kind, een gehandicapt kind of twee of meer kinderen tegelijk op te nemen, de specifieke geschiktheid van de ouders hiervoor onderzoekt.” Dit vraagt aan de Raad specifieke deskundigheid en grotere zorgvuldigheid bij de uitvoering van het gezinsonderzoek.

Enkele voorstellen gaan echter niet ver genoeg

Ten aanzien van enkele hoofdpunten gaan de voorstellen echter lang niet ver genoeg of wordt de plank naar mijn mening misgeslagen.

Nauwelijks eisen aan de bemiddelaars

Allereerst wat betreft de eisen die aan de bemiddelaar worden gesteld. Daarover blijft het rapport onduidelijk. Vijf van de zeven bemiddelaars werken uitsluitend met vrijwilligers. Aan vrijwilligers kunnen geen harde professionele eisen worden gesteld. Werken met vrijwilligers houdt een zekere vrijblijvendheid in. Overigens alle lof voor de mensen die zich zo geweldig inzetten. Het gaat hier echter om plaatsing van kinderen bij wie vaker medische en gedragsproblemen te verwachten zijn, als zij worden vergeleken met door geboorte in gezinnen gekomen kinderen. Het vele onderzoek dat de laatste decennia is verricht laat geen andere conclusie toe. Plaatsing van een adoptiekind vraagt aanzienlijke kennis over gezinsvraagstukken, opvoeding in het algemeen, opvoedingsproblemen, gedragsproblemen van kinderen, bijvoorbeeld na een periode van ernstige verwaarlozing, mishandeling, confrontatie met (oorlogs)geweld, natuurrampen, e.d. Plaatsing van deze kinderen aan vrijwilligers over te laten zonder eisen van professionaliteit te stellen, is in ons op andere punten overgereguleerde land, wel zeer merkwaardig. Het belang van kind en ouders is hiermee niet gediend.

Specialistische instanties nodig voor gestructureerde nazorg

De nazorg voor adoptieouders is de laatste decennia al vele malen ter tafel gekomen en altijd vanuit het oogpunt van het tekort. Momenteel dienen de bemiddelaars daarvoor te zorgen, tot tenminste één jaar na plaatsing. Dit wil men in de wet vastleggen en in een apart beleidsstuk de inhoud van deze nazorg omschrijven. De huidige bemiddelaars zijn niet in staat om voldoende nazorg te bieden. Van enige controle door het Ministerie is ook nooit sprake geweest. Terwijl veel van de adoptiekinderen hun adoptieouders al spoedig of tijdens de puberteit voor ingewikkelde opvoedingsproblemen plaatsenii. Hun moeilijke voorgeschiedenis, de scheiding van de verzorgers aldaar en de grote verandering, samengaand met plaatsing in het adoptiegezin, zijn daar debet aan. Deze problemen vragen gespecialiseerde kennis en een regelmatige, goed omschreven vorm van gestructureerde nazorg. Meteen na plaatsing dienen adoptie-ouders al te weten tot wie zij zich bij (ernstige) problemen kunnen wenden. Opdat het langdurig shoppen, totdat de juiste hulpverlener is gevonden, tot het verleden gaat behoren. Hoe kan dit nu van de vrijwilligers van een bemiddelende organisatie verwacht worden? Of van de twee professionele instellingen die daarvoor niet de financiële middelen hebben?

Al vele jaren wordt erop aangedrongen om voor adoptie- en pleegouders gespecialiseerde instituten in het leven te roepen. De problemen in de gezinnen zijn nogal eens van crisisachtige aard. Dan is een wachttijd van drie maanden of langer bij een van de Bureaus voor Jeugdzorg voor de ouders onaanvaardbaar. Deze wachttijd wordt o.a. veroorzaakt door de bureaucratische wijze waarop de hulp is georganiseerd. De scheiding van diagnose en de noodzakelijke hulp in de Jeugdzorg veroorzaakt deze extra wachttijd. Waarom staat het “huisartsenmodel” niet als voorbeeld bij de Jeugdzorg? De huisarts stelt een diagnose en tracht vervolgens meteen tot eerste hulp te komen. Als bij bepaalde gezondheidsklachten meer is vereist, kan hij naar een ziekenhuis of andere specialistische hulp verwijzen. De hulpverlener in de Jeugdzorg zit niet dicht genoeg op het probleem en het betreffende (adoptie)gezin. Mogelijk is hij ook niet bekend met de specifieke kenmerken van het adoptiegezin, ondermeer dat adoptie-ouders een andere hulpvraag en hulphouding hebben dan andere zich bij Bureau Jeugdzorg aanmeldende gezinnen. Voor veel adoptiegezinnen, zo blijkt uit onderzoek, blijkt deze wijze van hulpverlening inadequaat te zijn.

In het Evaluatierapport wordt erkend dat “specialistische deskundigheid bij hulpverlening bij adoptie” noodzakelijk is, en “de reguliere jeugdzorg moet van deze specifieke deskundigheid worden voorzien”. Aan alle Bureaus Jeugdzorg over het gehele land verspreid deze eis stellen is niet realistisch. Sommige bureaus zullen trouwens weinig en onregelmatig met hulpvragen door adoptie-ouders worden benaderd. Als dan toch de bestaande bureaus Jeugdzorg moeten worden ingeschakeld waarom dan niet enkele, over het land verspreid liggende, bureaus specifiek voor deze “specialistische hulpverleningstaak” aanwijzen? Daarbij dienen ook de consultatiebureaus voor zuigelingenzorg te worden betrokken. Daar zullen adoptie-ouders vaak het eerst naar toe gaan. Ook daar dient enige kennis over mogelijke gedragsproblemen van adoptiekinderen te bestaan. Het zal helpen wanneer deze bureaus bij vragen van adoptie-ouders over de aanpassingsproblemen van hun adoptiekind weten naar welk specialistisch bureau zij kunnen verwijzen.

Het heikele punt: de leeftijdseisen

Over de kwestie van de leeftijdseisen aan adoptie-ouders zal bij enkele adoptie-ouderverenigingen, waaronder de LAVA, grote irritatie ontstaan. Deze zijn door het Adviesbureau kennelijk onvoldoende gehoord. Als het Evaluatierapport wordt gevolgd, verandert er namelijk niets. Men handhaaft een maximaal leeftijdsverschil tussen kind en oudste ouder van 40 jaar. Wetenschappelijk onderzoek dat een dergelijk grens in het belang van het kind zou zijn ontbreekt geheel. Sinds het indienen van de eerste adoptiewet in 1956 is de gemiddelde leeftijd van zowel mannen als vrouwen met ongeveer vijf jaar toegenomen, is de leeftijd waarop de vrouw haar eerste kind krijgt tot bijna 30 jaar gestegen, en krijgen steeds meer moeders en vaders ouder dan veertig jaar nog kinderen. Zouden deze leeftijdsontwikkelingen niet reden kunnen zijn om een soepeler standpunt in te nemen?  Zou niet gedacht kunnen worden aan opschuiving van de maximale leeftijdsgrens met vijf jaar? Een leeftijdsverschil van 45 jaar tussen oudste ouder en kind het maximale toegestane leeftijdsverschil wordt?

De leeftijdseisen voor het te adopteren kind blijven eveneens ongewijzigd. In Nederland kunnen alleen kinderen ter adoptie worden geplaatst die jonger dan zes jaar zijn. Uitzondering wordt gemaakt voor een oudere broer/zus, of voor een kind dat ernstige schade zal ondervinden door scheiding van het (jongere) geadopteerde kind, we spreken dan van de sociale sibling. In veel landen, bijvoorbeeld in België, bestaat een dergelijke strakke leeftijdseis niet. Adoptie-ouders in ons land zijn nota bene verplicht een voorbereidingscursus te volgen, en een gezinsonderzoek te ondergaan. Dan zouden de weinige ouders die gemotiveerd zijn om een kind van zes jaar of ouder op te nemen, ook apart daarvoor kunnen worden voorbereid. En juist ook deze ouders kunnen veel baat hebben bij de hiervóór voorgestelde gestructureerde nazorg. Zou het niet het belang van het kind dienen om de weinige ouders die bewust wel een kind van zes jaar of ouder willen adopteren, deze mogelijkheid ook inderdaad te geven? 

Alle eisen rond de leeftijd van zowel adoptiekind als adoptie-ouder kunnen als een vorm van legale betutteling worden gezien, betutteling van adoptie-ouders. Regelgeving in dezen zou meer uit dienen te gaan van mogelijkheden en motieven van de individuele gezinnen.

Deelbemiddeling

Aspirant-adoptieouders, die via een eigen contact een kind willen adopteren, dienen nog steeds een bemiddelaar te vragen dit contact op betrouwbaarheid te controleren. Dit is merkwaardig. Bemiddelaars zijn geen onafhankelijke instanties als het om de beoordeling van contacten van individuele ouders gaat, omdat zij ter plekke hun eigen bemiddelingsbelangen kunnen hebben. Dit wordt trouwens door sommige bemiddelaars erkend. Laat een onafhankelijke instantie aan de hand van een richtlijn deze controle uitoefenen. Het Ministerie kan bepalen welke instantie dit dient te zijn.  Deelbemiddeling moet goed gecontroleerd worden. Mensen die vreselijk graag een kind willen, kunnen verleid worden tot stappen die niet goed zijn voor het fenomeen buitenlandse adoptie. Maar deelbemiddeling mag ook niet onmogelijk worden gemaakt. Er zijn veel situaties bekend waarbij een duidelijk adoptabel kind alleen via de activiteiten van het bonafide werkende particuliere echtpaar, een goede toekomst kon krijgen.

Kortom naast enkele positieve voorstellen, valt er nog wel wat te verbeteren. De Tweede Kamer heeft ruim de mogelijkheid om tot constructieve voorstellen voor het adoptieveld te komen.

 

Prof. Dr. René A.C. Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

i         Bewerking en uitbreiding van het in het Reformatorisch Dagblad verschenen artikel.

ii        Zie bv. R.A.C. Hoksbergen en de medewerkers van het Roemeniëproject: Effecten van verwaarlozing, Univ. Utrecht, afd.adoptie, 2002.

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Identiteit en ontwikkeling adoptiekinderen

 

Op weg naar volwassenheid1

 

Er is geen vaste rode lijn in het leven van mensen die als kind geadopteerd werden. Toch probeer  ik hierna allerlei bijzonderheden rond de opvoeding van adoptiekinderen in het algemeen aan te geven. Een lijn, een reactiepatroon die voor hen allemaal van toepassing zou zijn, bestaat er echter niet. Verschillen in identiteit, verschillen in achtergrond en ontwikkeling, en grote verschillen in levenservaring doen niet anders veronderstellen. Uit mijn meer dan dertigjarige praktijk, de intensieve en langdurige contacten die ik met honderden geadopteerden van allerlei leeftijden heb gehad, en de eveneens langdurige en intensieve gesprekken die ik met hun adoptieouders heb gevoerd, is voor mij overduidelijk gebleken hoe verschillend mensen reageren op ogenschijnlijk vergelijkbare omstandigheden. Geadopteerden en ook hun ouders kunnen niet over een kam worden geschoren.

In mijn onderzoek bij uit Roemenië afkomstige adoptiekinderen ben ik nog weer eens uitdrukkelijk geconfronteerd met deze verschillende reacties en gedragingen (Hoksbergen e.a., 1999 en 2002). Dit terwijl de veelal slechte omstandigheden in het land van herkomst vergelijkbaar waren. Hierna zal ik meer over dit onderzoek zeggen.

 

Een Roemeens meisje2

Zo ben ik uitermate geboeid geraakt door een meisje van 13 jaar toen ik een uitvoerig gesprek had met haar ouders. Zij voelde zich uitstekend thuis op het VWO. Bij haar ouders thuis was ze misschien wat aan de rustige en stille kant, maar enige vorm van gedrags- of persoonlijkheidsproblematiek was verre van haar. Toch was dit zelfde meisje pas op vijfjarige leeftijd in het adoptiegezin geplaatst. Zij was opgegroeid in een kindertehuis en vertoonde daarvan bij aankomst in het adoptiegezin alle tekenen. Ze was ondervoed, haar gezondheid was matig, ze was enigszins in haar groei achtergebleven en haar ontwikkeling vertoonde achterstanden. Al deze negatieve punten wist dit kind spoedig te compenseren. Overigens met behulp van ouders die juist voor dit begaafde kind kennelijk precies goed waren gekozen. Ouders die als belangrijkste aanpak van de opvoeding, het meisje rustig haar eigen ontwikkeling lieten, respect hadden voor haar identiteit, haar vooral niets opdrongen en als het ware vanuit een stabiele achtergrond datgene aanreikten wat voor dit kind essentieel was. Die overigens natuurlijk ook een grote hoeveelheid liefde en aandacht toonden. Kortom het klikt perfect tussen deze mensen. Zo kan het dus ook gaan, ook bij een op oudere leeftijd geadopteerd kind met een extreem negatieve achtergrond.

Misschien is het oudere kind zich wel sterker het verschil bewust tussen de situatie vroeger in Roemenië en nu bij de adoptieouders. Hoort het bij wat ik noem het overlevingssyndroom om deze bewustheid om te zetten in positief gedrag, op school en bij de nieuwe ouders.

 

Bij veel geadopteerden vergeleken met hun leeftijdgenoten zien we gedragsproblemen van allerlei aard. Onderzoeksgegevens hierover zijn er vele (Hoksbergen & Walenkamp, 2000). Hierna zal ik vooral aan de gevonden bijzondere gedragingen van geadopteerden aandacht besteden. Ik zal dat doen door enkele ontwikkelingsfasen van de mens de revue te laten passeren en aandacht te geven aan de worsteling met de identiteit.

Ik spreek van fasen in de ontwikkeling. Deze zijn natuurlijk niet van elkaar te scheiden. Er is altijd overlap. Bedoeld is dat tijdens een bepaalde leeftijdsperiode, dan fase in de ontwikkeling genoemd, rekening moet worden gehouden met bijzondere kenmerken in de ontwikkeling van de jonge mens.

 

Wanneer je op jonge leeftijd, misschien als baby al, de vele generaties waarin jouw verwantschapslijnen liggen om welke reden dan ook bent kwijt geraakt, heeft dat een fundamentele invloed op de rest van je leven. Het opgroeien bij andere dan jouw biologische ouders vraagt om een heel scala aan aanpassingen, een leven lang (Brodzinsky, Schechter en Henig, 1997). Het vele onderzoek en een schat aan persoonlijke en klinische ervaringen laten niets anders concluderen. De Amerikaanse auteur Nancy Verrier (1993), therapeute en moeder van een biologische en geadopteerde dochter, heeft haar boek in dit verband de sprekende titel ‘The Primal Wound’ gegeven. Daarmee doelt zij op de fundamentele pijn, de verwonding die het afgestaan zijn, ergens tijdens het leven, veroorzaakt3. De geadopteerde moet bij zichzelf als het ware een nieuwe identiteit opbouwen. De vraag “wie ben ik” kan niet beantwoord worden vanuit het verleden, de biologische ouders en de rest van de familie. Ik geef een voorbeeld van een situatie die ik al meermalen heb ontmoet.

 

Een Indiase jongeman

Ik werd twee jaar geleden benaderd door een uit India afkomstige jonge man van bijna dertig, die mijn hulp inriep om te leren zichzelf beter te accepteren. Hij was als nauwelijks tweejarig kind naar Nederland gekomen en geplaatst in een gezin met twee biologisch-eigen kinderen. Vrijwel vanaf het begin had dit kind zich vergeleken met de andere twee kinderen de mindere gevoeld. Maar veel ernstiger nog was het gevoel van een “niemand” te zijn, niet te weten wie hij eigenlijk was en naar zijn beleving en overtuiging, ongewenst te zijn. Want anders word je toch niet afgestaan? Hij had ondertussen al veel informatie over zijn achtergrond, want zowel zijn biologische vader als zijn biologische moeder had hij verschillende malen uitgebreid gesproken. Toch had dit niet zozeer zijn boosheid en verdriet om het afgestaan zijn, weggenomen.

Ik benaderde zijn probleem zo zakelijk mogelijk. Hij kon dit gezien zijn intelligentie goed hebben en begrijpen. En dat bleek te werken. Allereerst gaf ik hem veel informatie over de cultuur van het land waar hij vandaan kwam. Besprak ik ook de verschillende mogelijkheden die voor de beide ouders kennelijk hadden opengestaan. Probeerde ik duidelijk te maken dat het vanuit zijn land van herkomst begrijpelijk was, dat zijn ouders meenden dat zij geen andere mogelijkheid hadden. Toch bleef hij kwaad hierover. Gevoed door de wetenschap dat hij als jongste kind was afgestaan, de oudere kinderen echter niet. Hij benadrukte vooral dat een moeder haar kind toch niet afstaat!

Ik wees hem ook op het evenwicht dat verleden en toekomst met elkaar in het leven moeten hebben. Opnieuw was ik tegenover zijn boosheid en verdriet, vooral zakelijk. Zei ook dat een dergelijke situatie elke dag bij duizenden kinderen voorkomt en kennelijk tot een van de onvermijdelijk negatieve aspecten  van de voortgang van het leven op deze planeet behoorde. Dat hij nu echter zijn leven zelf invulling moest en ook kon geven. Dat het nu allereerst zin had om naar de positieve kanten van zijn huidige bestaan te kijken. En die waren er vele. Ik wees hem op zijn goede gezondheid, dat hij er goed uitzag, begiftigd met een goede intelligentie, meedenkende en meevoelende adoptieouders, een goede baan, etc. Bij al zijn worstelingen met zijn leven en zijn identiteit speelden de adoptieouders overigens alleen op de achtergrond een rol. Met hen had hij een goede relatie, vooral met zijn vader. Zijn ouders hadden hem bij de zoektocht naar het verleden volledig gesteund. Deze hadden er overigens best wel moeite mee, dat hij zo intensief met zijn verleden bezig was. Waren zij als ouders dan niet belangrijk geweest? Gedachten die zij overigens voor zich hielden. Het heeft lange tijd geduurd en we waren een groot aantal gesprekken met veel tranen en woede uitbarstingen verder tot hij uiteindelijk bij zichzelf enige berusting en vrede vaststelde. Een heftige en volledig beantwoorde liefdesrelatie hielp hierbij overigens ook flink. Maar hij was nu dan ook in staat om deze aan te gaan! Hij woont met de betreffende jonge vrouw al lange tijd samen.

 

De worsteling met het ‘afgestaan zijn’ betekent voor geadopteerden belast te zijn met een wel heel bijzondere taak in het leven. Het aanvaarden van een nieuwe identiteit. Hoe zij deze taak vervullen is van veel factoren afhankelijk. Denk allereerst aan de persoonlijkheid van de geadopteerde.  Denk  ook aan de kennelijke reden van het afgestaan zijn, de omstandigheden waaronder dit plaats vond, de verdere levensgeschiedenis in het land van herkomst, de wijze van opvang in het adoptiegezin en de ontwikkelingsfase waarin geadopteerde zich bevindt. Daarmee zij eveneens vastgesteld dat geadopteerden met meer gecompliceerde aspecten in hun leven te maken hebben dan anderen. Aspecten die voor een deel alleen op hen van toepassing zijn.

Ik zal nu kort ingaan op aspecten juist voor geadopteerden van belang tijdens enkele stadia in hun ontwikkeling  (Brodzinsky et al., 1997).

 

Babytijd

 

Wanneer een kind als baby al wordt afgestaan, zal de moeder in veel gevallen reeds tijdens de zwangerschap daarop anticiperen. Spanning, stress, angsten, schuldgevoelens, boosheid, spijt en andere negatieve belevingen kunnen de overhand krijgen. Extreme gevoelens beïnvloeden de lichamelijke huishouding van de moeder en daarmee ook de foetus. Zowel negatieve fysieke aspecten als gebruik van drugs, roken, te veel alcohol, bepaalde medicijnen, als negatieve emotionele aspecten zullen in enige mate effect op de foetus hebben. Zo kregen Nederlandse vrouwen, die gedurende de Duitse invasie zwanger waren, significant vaker dan gemiddeld een kind dat later schizofreen werd (Hoksbergen, 2000). Het bij geadopteerden verkrijgen van betrouwbare informatie over de zwangerschapsperiode en geboorte is echter veelal onmogelijk. Zoiets als foetaal alcohol syndroom diagnosticeren zal dus op problemen stuiten. Terwijl de indruk bestaat dat bij kinderen uit Oost-Europese landen de kans daarop zeker aanwezig is. Kortgeleden bij mijn lezing over ons onderzoek onder Roemeense adoptiekinderen tijdens de conferentie in St. Johns, New Brunswick (15-10-2004), wezen enkele maatschappelijk werksters mij daarop

De baby die ter wereld komt zal vanuit zijn bestaansdrift met als symptomen daarvan de werking van reuk- en tastzin, zijn gerichtheid op de moeder tonen. Hij zal zich vanuit zijn overlevingsdrift allereerst op de moeder richten. Het kind kan ook niet anders. In die eerste 12 tot 18 maanden zal een kind vanuit de intensieve interactie met zijn moeder gevoelens van vertrouwen, veiligheid en bestaanszekerheid ontwikkelen. De moeder was er altijd voor hem. Zijn meest basale behoeften, eten, fysieke en emotionele warmte, werden door haar bevredigd. Daarmee ontwikkelt het kind gevoelens van veiligheid en vertrouwen in zichzelf en in anderen.

 

Bij geadopteerden, die als baby zijn afgestaan, kan echter juist het ontwikkelen van gevoelens van vertrouwen, zekerheid en veiligheid ernstig in de knel komen. Als de moeder niet anders kan dan het kind afstaan, is dit voor het kind een uiterst pijnlijke gebeurtenis. In medische termen zou je kunnen spreken van een major event. De plotselinge scheiding van de persoon waarop hij zich volledig richtte. Een dergelijke scheiding in deze ontwikkelingsfase betekent vaak, dat er zich basisgevoelens van onveiligheid, onzekerheid en wantrouwen in zichzelf en in anderen ontwikkelen. Deze gevoelens van wantrouwen kunnen betekenen:

-                      dat geadopteerde als adolescent/volwassene sterk aan zichzelf gaat twijfelen, en kan worstelen met de vraag wie hij is, op wie hij lijkt, hoe anderen hem zien, kortom een worsteling met zijn identiteit.

-                      dat zijn gevoel van eigenwaarde (selfesteem) wordt aangetast,

-                      dat er twijfel aan motieven en bedoelingen van andere mensen ontstaat,

-                      dat een basisgevoel van wantrouwen wordt ontwikkeld.

Het temperament van het kind, zijn aangeboren eigenschappen, zullen bepalen hoe sterk deze negatieve ontwikkeling is. Het hiervoor genoemde Roemeense meisje bezit kennelijk een geweldige veerkracht en een buitengewoon sterke levensdrift. Ze wordt misschien ook minder sterk door allerlei emotionele reacties beheerst en weet ze de verschillende negatieve levensaspecten goed op zichzelf te beoordelen en er nog het beste uit te halen. Dit enigszins in tegenstelling tot het voorbeeld van de Indiase jongeman. Deze toonde zich afhankelijker, emotioneler maar uiteindelijk ook sterk en vol inzet om levensaspecten naar zijn hand te zetten.

 

De ontwikkeling van een kind tijdens de eerste twee jaar is enorm. Uit onderzoek weten we dat het zelfbesef, het besef van de eigen existentie, van het zijn, van het ik en het niet-ik, reeds kort na de geboorte bestaat. Daardoor kan het gevoel van zelfbesef en daarmee van vertrouwen al spoedig na de geboorte beschadiging oplopen, of zich slecht ontwikkelen. Dit gaat in de richting van wat door Geertje van Egmond als het Geen Bodem Syndroom (Van Egmond, 1987) werd genoemd. Deze beeldende benoeming heeft in de praktijk veel weerklank gekregen. Zelf vind ik de term ‘geen Bodem’ te sterk. Er is sprake van beschadiging van de psychische ontwikkeling, veelal met negatieve gevolgen voor het gedrag. Ouders en eventueel ingeschakelde hulpverleners hebben tot taak deze beschadigde Bodem op de eerste plaats te leren kennen en vervolgens zoveel mogelijk te herstellen. Vaak betekent dit dat verwachtingen van ouders bijgesteld moeten worden. Het kind, de adolescent, de volwassene gedraagt zich anders dan men eigenlijk zou willen. Geadopteerde heeft de taak om met bepaalde kwetsuren te leren leven.

 

Gevolgen van scheiding en andere negatieve gebeurtenissen

Als het niet-ik zich principieel wijzigt (moeder verdwijnt) hoe zal het kind dat dan beleven? De separatie van de moeder kan soms plotseling gebeuren, bijvoorbeeld door achterlating als vondeling, of door het kind dwangmatig van de moeder weg te nemen en in een tehuis te plaatsen.

Door adoptiedeskundigen is een relatie gelegd tussen het blijk geven van Post traumatische Stress-reactie (PTSR) en de vele traumatische ervaringen die buitenlandse adoptiekinderen in hun jeugd hebben opgedaan. Door de scheiding van de moeder, de familie, kan het kind getraumatiseerd raken. Verwaarlozing, mishandeling, het meemaken van rampzalige gebeurtenissen zoals natuurrampen, een ongeluk, mishandeling, of zelfs vermoorden van mensen, e.a. zullen eveneens traumatiserend kunnen werken (Hoksbergen et al., 2001).Wij onderscheiden het type 1 (plotselinge negatieve gebeurtenis) en type 2 trauma (type 2: post traumatische stress reactie door herhaling en continuïteit van traumatische gebeurtenissen) (Hoksbergen e.a., 2001).

Verrier (1993) werkt in hoofdzaak het type 1 trauma uit: de effecten van de separatie van de moeder bij adoptiekinderen op jonge leeftijd. Zij noemt deze separatie de “Primal wound”. Volgens haar kan alleen tot een beter begrip van adoptiekinderen worden gekomen, als er vanuit de adoptieouders of eventueel vanuit ingeschakelde hulpverleners begrip is voor het effect van de gedwongen scheiding van de moeder. Ook Lifton, de Amerikaanse adoptiedeskundige, zelf ruim 60 jaar geleden geadopteerd, wijst op het negatieve effect van de separatie van de moeder. Zij spreekt van “cumulative adoption trauma”. Dit begint bij de scheiding van de moeder en wordt vervolgens op latere leeftijd versterkt, als de geadopteerde zich steeds sterker realiseert, dat hij of zij gescheiden is van de oorspronkelijke familie en deze waarschijnlijk nooit zal kennen (Lifton, 1994:7). Het is de verwarring, die het op heel jonge leeftijd geadopteerde kind ervaart, als het zich op de leeftijd van 8 tot 10 jaar gaat realiseren dat het geadopteerd is. Daarmee anders is dan andere kinderen. Dat er ergens een ander deel van zijn leven bestaat.

Voor adoptiekinderen is daarom de door Freud genoemde latentieperiode, zo tussen het vijfde en tiende, elfde jaar, veelal niet een periode van psychische rust. In deze ontwikkelingsfase hebben zij als bijzondere taak het specifieke van hun identiteit te onderkennen en te aanvaarden. Als peuter/kleuter konden zij zichzelf nog wel eens geruststellen door met moeder het ‘nu kom ik uit jouw buik’ ‘of mag ik nu uit jouw buik komen’ spelletje te spelen. Nu zij ouder worden, werkt dat spelletje niet meer. Zij realiseren zich dat er een andere moeder is, zij uit een andere buik zijn gekomen en zij daarmee anders zijn dan andere kinderen.

Voor kinderen die niet bewust de overgang naar geadopteerd zijn hebben meegemaakt, de kinderen tot een jaar of twee bij aankomst, kan het besef geadopteerd te zijn dus als een schok overkomen. Daarom moet juist bij deze kinderen het ‘vertellen’ met grote zorgvuldigheid geschieden. Het als een soort vanzelfsprekend familieproces te hanteren, zonder overigens voor het opgroeiende kind het belang van het verleden te negeren, is een goede weg. Er zijn de nodige kinderboekjes beschikbaar om ouders een handvat te geven (Delfos, 1996). Maar ook op latere leeftijd dienen ouders alter te zijn op het onderwerp adoptie. Hierna zeg ik daar even iets meer over.

 

Het praten over adoptie

 

Praten over adoptie lijkt zo vanzelfsprekend. Volgens de Nederlandse wetgeving is het zelfs verplicht. Het adoptiekind moet over zijn adoptiestatus tijdig door de ouders worden voorgelicht. Dit dient te gebeuren zodra aangenomen kan worden dat het kind hier iets van begrijpt en in ieder geval voordat het naar school gaat. Om te voorkomen dat anderen dan de ouders met het kind over adoptie beginnen te praten. Als hun kind drie- of vierjaar is, proberen verreweg de meeste adoptieouders met hun voorlichting te beginnen.

Omdat bij de meeste adoptiekinderen het “er anders uitzien” meteen duidelijk maakt dat het kind nooit een biologisch kind van de opvoedende ouders kan zijn, heeft voorlichting op jonge leeftijd een vanzelfsprekend karakter. Voor zover ik kan nagaan gebeurt het in ons land vrijwel nooit dat een adoptiekind in het geheel niet over zijn adoptiestatus is voorgelicht. Over dit aspect van de voorlichting gaat mij hier dan ook niet.  Ik wil hier wat meer aandacht besteden aan de noodzaak om ook op latere leeftijd met het adoptiekind, -adolescent en jong volwassene over alles wat met adoptie te maken heeft, te communiceren.

Ik doe dit omdat ik al vele malen te maken heb gekregen met geadopteerden van ver boven de twintig, die mij expliciet te kennen gaven dat in hun gezin nooit over adoptie werd gesproken. Zij hadden dit als een ernstig gemis ervaren. En het had bij hen stevige schuldgevoelens opgeroepen. Want zij dachten wel regelmatig aan die fundamentele feiten in hun leven: het afgestaan, respectievelijk geadopteerd zijn. Maar mochten zij daar dan nog wel zo vaak aan denken? Deden zij daarmee hun adoptieouders niet vreselijk veel tekort? Die zeiden toch altijd dat ze zo verschrikkelijk veel van hem of haar hielden? Dat zij voor hen gelijk waren aan andere kinderen, of aan de andere kinderen in het gezin? Ja,`de andere kinderen`, want deze kwestie rond de voorlichting ben ik vaak tegengekomen in gezinnen waar biologisch eigen kinderen zijn.

Voorlichten, en als geadopteerde de kinderleeftijd is ontgroeid, communiceren over adoptie is niet eenvoudig. De eerste fase: het voorlichten op jonge leeftijd is al niet eenvoudig. De meeste adoptieouders weten daarbij wel dat een kind pas als het wat ouder is, als het zeven, acht, negen jaar is geworden, meer begrip kan opbrengen over wat adoptie in feite voor verhoudingen binnen de familie betekent. Wat gezinsvorming en biologische verwantschap betekent. Adoptiekinderen kunnen dan voor de eerste maal gevoelens van verwarring en verbazing over hun plaats in het gezin ervaren. Bij het kind begint het besef  door te dringen dat het iets verloren heeft: de familie van wie het afstamt, de bloedverwanten, de oorspronkelijke natuur en cultuur van het land van herkomst e.d. Dit besef kan zo ver gaan dat het alles van een rouwproces krijgt. Ook tijdens de verdere jaren in het basisonderwijs bestaat dus de noodzaak in het gezin aan het onderwerp adoptie aandacht te besteden.

Bij geadopteerde ontwikkelen zich vaak fantasiebeelden over de biologische ouder(s), over de misschien daar gebleven broertjes/zusjes en over hoe het leven daar zou kunnen zijn. Fantasieën over het waarom van het afgestaan zijn. De fantasiebeelden gaan soms gepaard met gevoelens van verdriet, boosheid, ontkenning, berusting, aspecten van het rouwproces. Hoe adoptiekinderen met deze gevoelens omgaan, is veelal heel verschillend. Soms gaan deze gevoelens gepaard met een intense boosheid en probleem gedrag, nogal eens voorkomend wanneer het geadopteerde kind het afgestaan zijn sterk als `weggedaan`, `niet goed genoeg geweest zijn` ervaart.

Het is vaak moeilijk doordringen tot deze kinderen.

Het communiceren over  adoptie plaatst adoptieouders voor een lastig dilemma. Ze kunnen zowel te vaak als te weinig het adoptiethema in het gezin aansnijden.

Te vaak het onderwerp adoptie en alles wat er mee samenhangt aan de orde stellen, kan bij geadopteerde irritatie oproepen en zelfs tegengevoelens uitgedrukt in uitspraken als “Mag ik dan niet echt bij jullie horen?”, “ Ervaren jullie mij wel als jullie kind?”, “Mag ik misschien mijn biologische ouders als een deel van mijzelf zien; jullie hebben daar niets mee te maken”.. En dat terwijl zijn adoptieouders juist met alle macht rekening willen houden met de identiteit van hun kind, de plaats van de biologische ouders, zijn land van geboorte e.a. Met andere woorden het blijkt in de praktijk vaak moeilijk om de juiste middenweg te bewandelen tussen het te veel en te weinig ‘praten over adoptie’.

Het te weinig over adoptie  praten, leidt echter bij geadopteerde tot misschien wel meer problemen. Hiervóór noemde ik al het ontwikkelen van schuldgevoelens. Bij anderen kunnen fantasieën een erg hardnekkig karakter krijgen. Zowel in het positieve beeld over de biologische ouders: ik had helemaal niet afgestaan hoeven worden; als in het negatieve beeld: mijn adoptieouders willen me allerlei nare en lelijke dingen over mijn achtergrond besparen.

In gezinnen waar te weinig over adoptie wordt gesproken en de biologische familie niet een soort vanzelfsprekende plaats krijgt, kan geadopteerde als het ware het thema adoptie als een verboden onderwerp gaan zien. Hij kropt dit belangrijke aspect van zijn identiteit in zichzelf op. Tot het moment, de levensperiode, dat het tot een echte uitbarsting komt.  Dan kan er een langdurige verwijdering van de ouders ontstaan. Het contact wordt enige tijd geheel verbroken of vindt alleen op zeer oppervlakkige wijze en met een lage frequentie plaats. Deze verwijdering wordt door de ouders vaak totaal niet begrepen. Zij hielden toch zoveel van hun kind! Zij hadden toch altijd alles voor hem/haar over!

Tussenkomst van derden is dan nodig om wederzijds tot meer begrip en herstel van de relaties te komen. Hetgeen meestal uitstekend mogelijk is. De verwijdering betekent van de kant van geadopteerde namelijk niet dat gevoelens van kind-ouder nu geheel zijn verdwenen. Wel dat tot het “uitvliegen en groeien tot volwassenheid” hoort dat het bezit van een dubbele identiteit en de loyaliteit naar beide ouders toe.

 

 

Kans op getraumatiseerd zijn

Kan nu het heel jong geadopteerde kind al in een bepaalde mate getraumatiseerd zijn? Om dit te beoordelen doen we er goed aan de feitelijke ontwikkeling van het jonge kind nader te beschouwen. Het bewust met anderen contact leggen begint vanaf ongeveer de 7e maand vorm te krijgen. Dan wordt de baby zich expliciet bewust van de reacties en gevoelens van anderen, het niet-ik krijgt betekenis. Je ziet dan soms een opvallende aanpassing van de baby aan gevoelens van anderen. Dit kan mede in de vorm van weerstand gaan, de zogenaamde eenkennigheid steekt de kop op. Pas als het kind gaat praten, zo ongeveer vanaf de 15e maand, kan de interactie een enigszins abstracte inhoud krijgen. De taal dient dan als hulpmiddel voor wederzijds begrip.

 

Het Duitse meisje

Een aantal jaren geleden werd ik door een toen twintigjarig meisje benaderd. Zij wilde haar biologische moeder vinden. Zij was van Duitse origine en op de leeftijd van ongeveer 15 maanden plotseling in een kindertehuis geplaatst. De plaatselijke autoriteiten vonden dat de toen teenager moeder niet goed voor haar dochter kon zorgen. Na het contacten van de juiste personen bleek het betrekkelijk gemakkelijk deze moeder op te sporen. Toen Lisa haar moeder voor de eerste keer zag, viel zij haar meteen in de armen. Deze lichamelijke uiting was voor haar adoptieouders uiterst verrassend. Lisa was namelijk vanaf het moment van plaatsing, toen ze ongeveer 20 maanden was, altijd erg terughoudend geweest. Voor het knuffelen of enige lichamelijke aanraking was ze niet beschikbaar, zeker niet als die van haar adoptiemoeder kwam. Openheid over haar gevoelens toonde ze nauwelijks, wel had ze keurig haar school afgemaakt en het beroep van onderwijzeres gekozen.

Het is tamelijk zeker dat Lisa als baby zich zo sterk aan haar moeder had gehecht, dat de scheiding bij haar als traumatisch werd beleefd. De gevolgen hiervan verankerden zich in haar gedrag vooral tegenover haar adoptiemoeder. Nancy Verrier (2003) geeft in haar boek ook allerlei voorbeelden van dergelijke reacties. Een houding als die van Lisa, zie ik vaker. Heel globaal kunnen negatieve reacties ten aanzien van de adoptiemoeder twee basisoorzaken hebben.

Het adoptiekind, dan op wat latere leeftijd geadopteerd (meestal tenminste één jaar oud), heeft misschien enige hechtingsvaardigheid elders ontwikkeld. De scheiding is als pijnlijk misschien wel als traumatiserend ervaren. Het gevoel van vertrouwen is aangetast en kan niet gemakkelijk worden hersteld. Juist een vervangende moeder wordt met wantrouwen bezien. De adoptievader komt er gemakkelijker af. Als deze ook nog een zekere mate van afstandelijkheid hanteert, voelt het geadopteerde kind zich bij hem veiliger. De vader dringt hem niets op. Hij kan vanuit zichzelf gemakkelijker contact met de vader leggen. Interactie in de vorm van uitwisseling van een gecompliceerde hoeveelheid emoties wordt niet gevraagd.

Een tweede oorzaak heeft te maken met de weerstand die geadopteerde heeft ten aanzien van een moederfiguur. Het kind is verdrietig, maar ook heel boos over het verlaten zijn. De moeder wordt als hoofdschuldige gezien. De boosheid tegenover de biologische moeder wordt geprojecteerd op de adoptiemoeder. Zij wordt met wantrouwen en soms openlijke weerstand tegemoet getreden. Gevoelens die soms jaren nodig hebben om grotendeels te verdwijnen.

 

Hoe hier nu mee om te gaan? Bij elk adoptiekind doen adoptieouders er gedurende de eerste maanden verstandig aan om elke vorm van toenadering met de nodige voorzichtigheid te hanteren. Veel aandacht en liefde hoeven niet samen te gaan met veel aanhalingen. Gun het jonge kind de tijd om in alle opzichten te wennen. Te wennen aan de andere geur, de andere geluiden, het andere klimaat, als het uit een tehuis komt, de grotere stilte, het andere eten, de andere slaapsituatie, de veel frequentere omgang met een of twee volwassenen. En vooral zal hij/zij moeten wennen aan de enorme hoeveelheid aandacht die het ineens krijgt. In dit opzicht kan het kind als het ware met een te veel aan stimuli geconfronteerd worden. Reden waarom ik adoptieouders al decennia lang adviseer om na aankomst van het kind, de eerste maanden de vele nieuwsgierigen nog niet te ontvangen. Hooguit mondjesmaat het gezin open te stellen. Dit advies geldt voor alle aangekomen kinderen. Baby, peuter of kleuter, deze moet allereerst wennen aan de nieuwe ouders en eventuele broertjes/zusjes. Daarom moeten andere familieleden, buren instructies krijgen zich voorlopig zeer terughoudend op te stellen.

 

Overlevingsgedrag

In de eerste periode van het bestaan heeft het kind de mogelijkheid zich te leren hechten aan volwassen mensen, de hechtingsvaardigheid te ontwikkelen. Wanneer het kind echter na de geboorte geen of te weinig aandacht en liefde van verzorgende volwassenen krijgt, de continuïteit ontbreekt, het absoluut geen kans krijgt zich te hechten en binden aan volwassenen, zijn de gevolgen veelal desastreus. Vaak zo desastreus dat veel kinderen dit niet overleven. Alleen de echte overlevers, laat ik ze externaliseerders noemen (deze vertonen vaak acting out gedrag), de sterk op de buitenwereld gerichte kinderen, maken een goede kans. Onderzoek onder Roemeense kinderen, vergeleken met andere kinderen laat dit zien (tabel 1).


 

Tabel 1a           Gemiddelde CBCL-scores Roemeense adoptiegroep, Adoptiekinderen groep Stams en de Nederlandse normgroep, naar geslacht

.

CBCL – syndromen

JONGENS

             MEISJES

 

Adoptie

(n=44)

Normgroep

(n=579)a

Groep Stams

(n=73)b

Adoptie

(n=36)

Normgroep

(n=593)a

Groep Stams

(n=86)b

Aandachtsproblemen

7,34  a***

         b**

  3,21

  4,91

  6,67a***

         b**

  2,45

  4,30

Agressief gedrag (Ex)

12,02a**

  6,97

10,44

  9,89a***

         b*

  5,13

  7,17

Angstig/ depressief (In)

  3,30

  2,23

  4,30

  2,92

  2,47

  3,02

Delinquent gedrag (Ex)

  2,02

  1,28

  1,99

  1,61a*

  0,91

  1,41

Sociale problemen

3,48  a***

         b*

  1,31

  2,34

  3,11a***

         b*

  1,17

  2,06

Lichamelijke klachten (In)

  1,00

  0,74

  1,35

  0,56

  1,00**

  1,39***

Denkproblemen

1,91  a***

         b**

  0,39

  0,74

  1,69a**

         b*

  0,46

  0,64

Teruggetrokken (I)

  1,91

  1,61

  2,60

  2,11

  1,79

  1,97

 

 

 

 

 

 

 

Internaliseren

  6,07

  4,52

  8,08*

  5,44

  5,16

  6,25

Externaliseren

13,98a***       

  8,26

12,10

11,42a**

  6,04

  8,57

Totale Problemen

37,89a***

21,27

33,02

32,42a**

19,18

26,80

One sample T-toetsen: *p<.05, **p<.01, ***p<.001 (tweezijdig)

Toelichting: a: vergelijking Adoptie met normgroep; b: vergelijking Adoptie met groep Stams. De * bij normgroep en groep Stams betekenen dat deze groepen op de betreffende schalen significant hoger scoren dan Adoptie

                        Tussen haakjes de syndromen die vallen onder Externaliseren of Internaliseren.

 

De Roemeense groep was bij plaatsing bijna drie jaar, de kinderen in de groep Stams  waren allemaal jonger dan zes maanden.

Vergeleken met de normgroep scoren de Roemeense adoptiejongens op

-                      Externaliseren en Totale Problemen significant hoger.

-                      Eveneens significant hoger op: Aandachtsproblemen, Agressief gedrag, Sociale problemen en Denkproblemen4.

-                      Bij de Roemeens adoptiemeisjes is dit eveneens het geval

-                      en deze scoren ook significant hoger op Delinquent gedrag.

-                      De meisjes scoren op het syndroom Lichamelijke Klachten significant lager dan de normgroep.

-                      Vergeleken met de groep Stams (1998) scoren de Roemeense adoptiejongens en -meisjes significant hoger op Aandachtsproblemen, Sociale problemen en Denkproblemen.

-                      De meisjes scoren ook nog significant hoger op Agressief gedrag.

-                      Op Lichamelijke klachten (meisjes) en Internaliseren (jongens) scoort de groep Stams et al. significant hoger.

 

Wat maakt deze tabel nu vooral duidelijk?

De vergelijking met de groep Stams, allemaal kinderen die jonger dan zes maanden bij plaatsing waren, is hier nog het meest interessant. Op Lichamelijke klachten en Internaliseren scoort de groep Stams hoger en op Externaliseren lager. Voor deze verschillen is de volgende verklaring aan te voeren. Omdat er een grote sterfte bestaat onder de Roemeense kinderen in kindertehuizen (Johnson et al., 1992) biedt agressief naar buiten tredend gedrag (Externaliseren) kennelijk meer kans op overleven dan Internaliserend gedrag: problemen opkroppen, en angstig, depressief gedrag. De kinderen in de groep Stams waren nog zo jong dat zij in sterkere mate Internaliserend gedrag konden vertonen. Was deze groep langer in het land van herkomst gebleven dan zou te verwachten zijn geweest dat zij op Internaliseren lager zouden gaan scoren en op Externaliseren hoger. In feite betekent dit dat een aantal kinderen, de sterke Internaliseerders, het niet had gehaald.

 

 

Table1b            Vergelijking CBCL-scores van de klinische en niet-klinische groepen

                       op tijdstip 1 en 2

 

 

KLINISCHE GROEP

(n=18)

NIET-KLINISCHE GROEP

(n=15)


CBCL-scores

Tijd 1

Tijd 2

Tijd 1

Tijd 2

 

 

 

 

 

Totale problemen

73.28 + *

66.67 +

42.80

38.20

Internaliseren

63.56 +

59.89 +

40.87

38.67

Externaliseren

71.28 + *

63.28 +

45.53

39.60

 

 

 

 

 

Teruggetrokken

63.67 +

60.17 +

50.00

50.33

Lichamelijke klachten

56.72 +

57.89 +

51.93

50.60

Angstige depressies

62.61 +

59.11 +

50.67

50.73

Sociale problemen

74.00 +

66.94 +

52.53

50.87

Denkproblemen

75.39 +

69.39 +

52.00

51.87

Aandachtsproblemen

76.94 +

72.11 +

53.00

52.20

Delinquenten gedrag

64.22 +

61.11 +

51.47

50.53

Agressief gedrag

73.11 + *

63.78 +

52.00

50.20

         

           + betekent een significant verschil tussen de klinische en niet-klinische groep

              onder de genoemde tijd. (t-test, p <.05 na Bonferroni correctie)

           * betekent een significant verschil tussen tijdstip 1 en 2  binnen de groep

              (t-test, p < 0.05 na Bonferroni correctie)      

 

Adoptieouders dienen  erop te worden voorbereid, dat het oudere adoptiekind veelal een overlever, een Externaliseerders is. Het te verwachten acting-out gedrag van het kind is niet gemakkelijk om mee om te gaan. De Roemeense kinderen die overleven zijn kennelijk zowel in lichamelijk als psychologisch opzicht sterke kinderen. Dit verklaart de lagere score op Lichamelijke klachten zowel bij de jongens als bij de meisjes.

Wij stelden ons hiervóór de vraag of wij bij de als baby geadopteerde kinderen later iets van de problematiek als Posttraumatische Stress-reactie of andere gedragsproblemen kunnen terugvinden.

Ik verwijs hiervoor opnieuw naar de resultaten van het onderzoek van Stams et al. (1998). Bovenvermelde tabel laat zien, dat deze zeer jong geadopteerde kinderen op alle syndromen hoger scoren dan de normgroep. Verdere vergelijking wijst uit dat ongeveer 33% van de jongens en 27% van de meisjes voor Totale problemen (CBCL) in de klinische range valt. Bij de Roemeense groep kinderen scoort 39% van de jongens en 33% van de meisjes in het klinische gebied. Scores die in het klinische gebied van de CBCL vallen, verwijzen naar aanzienlijke gedrags- of vaardigheidsproblemen, waarbij hulpverlening bijna altijd noodzakelijk is.

De CBCL is in 1983 voor Nederland genormeerd en gevalideerd op een steekproef van 2076 kinderen uit de algemene bevolking van Zuid-Holland (Verhulst, 1985).

De CBCL wordt onder meer gebruikt als meetinstrument voor het onderkennen van psychopathologie bij jongeren, en in de klinische praktijk als diagnostisch instrument (Verhulst, 1996).

Het resultaat vanuit het onderzoek van Stams vertoont overeenkomst met dat van Verhulst en Versluis-den Bieman (1989). Deze vonden “Van de kinderen die in de eerste 6 levensmaanden geplaatst werden bleek een groter percentage tot de probleemgroep te behoren dan van de kinderen die in de categorieën 7-12 en 13-24 maanden vallen”.

 

Hiervóór lieten wij aan de hand van het Roemeense onderzoek zien hoe desastreus de invloed van verwaarlozing op kinderen is. De onderzoeken van Stams en Verhulst laten vervolgens zien dat ook heel jong geadopteerde kinderen toch belast zijn met de negatieve effecten van de separatie laten zien. Kort na aankomst, maar ook later blijkt dit.

Als kinderen in de eerste zes maanden van de moeder worden gescheiden kunnen reacties volgen in de vorm van moeite met slapen, eetproblemen zoals eten weigeren, uitspugen, en prikkelbaarheid in de vorm van huilen zonder reden. In extreme gevallen kan er zelfs sprake zijn van failure to thrive, het kind wil zich gewoon niet ontwikkelen, vertoont groeistoornissen e.d.

Bij een scheiding in de fase tussen 6 en 18 maanden kunnen vergelijkbare effecten optreden. Het gedrag wordt echter al wel gecompliceerder. Het kind kan nu ook zoekgedrag vertonen, zich enigszins apathisch terugtrekken, niet meer willen spelen, wel vastklampgedrag vertonen, vaker ziek zijn en allerlei ongelukjes hebben, en aan gewichtsverlies lijden. Ook het failure to thrive syndroom kan optreden. De ernst van de problemen hangt mede samen met het temperament van het kind. Het ene kind laat nu eenmaal meer veerkracht zien dan het andere kind. Zoiets als veerkracht is overigens buitengewoon moeilijk vast te stellen. Meestal kan het pas achteraf worden geconcludeerd, zoals bij het Roemeense meisje uit mijn eerste voorbeeld.

 

In adoptiegezinnen speelt het sterk mee, dat de eventuele ‘lastigheid’ van het kind niet verzacht kan worden door opmerkingen in de geest van: “ja het is precies je oom, die had ook zoveel moeite om....” of “ach het gaat wel weer over, kijk maar naar zijn vader”. De ouders zullen zich vanaf het begin helemaal op de bijzondere identiteit van hun adoptiekind moeten richten, hetgeen niet eenvoudig is.

 

Uit de geschiedenis zijn een aantal interessante en tegelijk zeer tragische voorbeelden bekend van kinderen die soms jarenlang vrijwel elke menselijke stimulans voor hun ontwikkeling vanaf heel jonge leeftijd misten. De meest extreme voorbeelden hiervan zijn beschreven als de zogenaamde “verwilderde kinderen”. Omdat het gedrag van deze verwilderde kinderen zo volstrekt anders was dan je van kinderen van ongeveer gelijke leeftijd zou mogen verwachten, is er door wetenschappers veel aandacht aan besteed. De beroemde, in Moravië geboren, pedagoog en filosoof Comenius (1592-1670, begraven in Naarden) beschrijft in zijn in 1638 uitgekomen Didactica Magna enkele gevallen van in het wild opgegroeide kinderen. De bekende natuuronderzoeker Linné deed hetzelfde met acht kinderen die bij wolven of beren waren opgegroeid. Heel bekend is de beschrijving van de wilde jongen van Aveyron, die in 1799 als elfjarige gevangen was. Bij deze en andere voorbeelden van dergelijke verwilderde kinderen was een aantal kenmerken gemeenschappelijk:
De spraak was niet ontwikkeld en communicatie bleef moeizaam; gewoon rechtop lopen konden deze kinderen vaak nauwelijks; ze waren veel minder gevoelig voor pijn; vaak hadden ze allerlei stereotype bewegingen. Al werden deze kinderen, nadat ze waren ontdekt, goed verzorgd, hun levensduur was veelal kort. Deze kinderen vertoonden vaak alle tekenen van zwakzinnigheid. Terwijl het de vraag bleef of deze zwakzinnigheid was aangeboren of door de omstandigheden tijdens de eerste ontwikkelingsfasen ontstaan, een dementia ex separatione (Hoksbergen, 2000).
We hoeven echter niet naar deze extreme voorbeelden te kijken om te weten hoe belangrijk het voor een kind is om de mogelijkheid te hebben zich aan een volwassene te hechten. Veel wetenschappelijk onderzoek en nog veel meer persoonlijke ervaringen  hebben dit duidelijk aangetoond. Zoals hiervóór reeds aangegeven, we spreken van het ontwikkelen van de hechtingsvaardigheid. Een vaardigheid die het kind in de eerste paar jaar van het leven inderdaad kan ontwikkelen. Gebeurt dit, dan kan deze vaardigheid gegeneraliseerd worden naar andere volwassenen, zoals adoptie- en pleegouders, partners, later naar de eigen geboren kinderen e.a. Gebeurt dit niet, dan zijn veel mogelijkheden tot een gezonde interactie met anderen beperkt. Globaal is er dan sprake van twee tegenover elkaar staande gedragsvormen: allemansvriendjes gedrag en sterk teruggetrokken gedrag. Als de verwaarlozing zich tot in de peuter- en kleuterfase voortzet, loopt het kind de meeste kans op een van deze twee gedragsvormen. Uit tabel 2 wordt dit duidelijk.
Bij de jongste groep worden minder vaak problemen genoemd. In die groep worden door de ouders eetproblemen, allemansvriendjes gedrag en sterk aandacht vragen als belangrijkste problemen ervaren. De kinderen in de peuter leeftijd vertonen op een groot aantal items relatief wat meer problemen dat de kinderen in de kleutergroep. In beide oudste groepen is het allemansvriendjes gedrag, zoals wij ook verwachten kunnen, het vaakst voorkomende probleem. Het wordt veel vaker genoemd dan in de jongste groep.
Dit allemansvriendjes gedrag, dat nog de meeste kans op overleven geeft, wordt maar liefst bij twee derde deel van de Roemeense kinderen (65%) genoemd. Het is ook heel halsstarrig. Op het moment van het tweede onderzoek, gemiddeld zes jaar later, vertoont nog 41% van de 80 kinderen dit gedrag. Terwijl andere probleemgedragingen sterker zijn afgenomen: slaapproblemen van 55% naar 20%; eetproblemen van 49% naar 15%; hechtingsproblemen van 35% naar 20%. Het agressieve, driftige soms hysterische gedrag dat bij eenderde deel van de kinderen bestaat neemt echter nauwelijks af.
Een relatief kleine groep kinderen (15%) vertoont sterk in zichzelf gekeerd, teruggetrokken gedrag. Dat dit voor zo’n kleine groep het geval is, was ook te verwachten Bij de Roemeense groep hebben we vooral met overlevers te maken (tabel 2).

Tabel 2 Problemen bij Roemeense adoptiekinderen, naar leeftijd bij aankomst

Aard van het probleem

Leeftijd bij aankomst

 

 

0-1,5 jaar

 

(n= 11)

1,5-3 jaar

 

(n=32)

ouder dan 3 jaar

(n= 37)

Totaal

 

(n=80)

Slaapproblemen

1   (9%)

17 (53%)

26 (70%)

44 (55%)

Eetproblemen

4 (36%)

19 (58%)

16 (43%)

39 (49%)

Onverschilligheid tegenover vader

1   (9%)

12 (38%)

9 (24%)

22 (28%)

Onverschilligheid tegenover moeder

0   (0%)

8 (25%)

4 (11%)

12 (15%)

Klampgedrag tegenover vader

1   (9%)

4 (13%)

7 (19%)

12 (15%)

Klampgedrag tegenover moeder

1   (9%)

17 (53%)

11 (30%)

29 (36%)

Apathisch gedrag

1   (9%)

9 (28%)

4 (11%)

14 (18%)

Agressief, driftig, hysterisch gedrag

2 (18%)

12 (38%)

12 (32%)

26 (33%)

ADHD, zeer druk gedrag

1   (9%)

9 (28%)

14 (38%)

24 (30%)

Afhouden van contact, tactiel afweer

2 (18%)

9 (28%)

2   (5%)

13 (16%)

Autistisch gedrag, sterk eigen wereldje

0   (0%)

8 (25%)

3   (8%)

11 (14%)

Allemansvriendjes gedrag

3 (27%)

23 (72%)

26 (70%)

52 (65%)

Zeer teruggetrokken gedrag

1   (9%)

9 (28%)

2   (5%)

12 (15%)

Hechtingsproblemen

2 (18%)

13 (41%)

13 (35%)

28 (35%)

Sterk aandacht vragen

3 (27%)

18 (56%)

19 (51%)

40 (50%)

Spraak/taalstoornissen

1   (9%)

25 (78%)

21 (57%)

47 (59%)

Andere problemen

1   (9%)

13 (41%)

23 (62%)

37 (46%)

(Hoksbergen e.a., 1999).

 

 De peuter en kleuterfase

Volgens cijfers van het Ministerie van Justitie is de leeftijd van de geplaatste adoptiekinderen de laatste jaren als volgt (tabel 3).

Tabel 3 Leeftijden buitenlandse adoptiekinderen, 1997-2001, in percentages

leeftijden

  1997

  1998

  1999

  2000

  2001

   2002

0-1

    41

    34

    40,5

    48

    41

     37

1-2

    24

    32

    25,5

    21

    35

     32

2-3

    13

    15

    15

    14

    13

     16

3-5

    13

    12

    14

    13

      8

     11

5 en ouder

      9

      7

      5

      4

      3

       4

Totaal % 

  100/666

  100/825

  100/993

  100/1193

  100/1122

  100/1130

(tussen haakjes het totaal aantal aangekomen kinderen)

Omdat China vanaf 1998 het grootste gevende land is, heb ik eveneens de leeftijdsverdeling van de Chinese kinderen uitgerekend. Uit tabel 3 blijkt dat uit China, behalve dan in 2000, niet opvallend veel baby’s worden geadopteerd. Daarvoor zijn de landen Colombia, Taiwan, Zuid Korea en Ethiopië vooral verantwoordelijk.

Tabel 4 Leeftijden Chinese adoptiekinderen, 1997-2001, in percentages

leeftijden

  1997

  1998

  1999

  2000

  2001

  2002

0-1

    15

    27   

    28

    53

    28

   26

1-2

    54

    47

    44

    26

    49

   45

2-3

    17

    18

    19

    13

    16

   20

3-5

    11

      7

      8

      9

      7

     7

5 en ouder

      3

      2

      1

      0

      1

     2

Totaal % en aantal kinderen

100/105

101/210

100/271

101/457

101/445

100/510

 

 

Ongeveer de helft van alle adoptiekinderen is bij aankomst in het gezin 1½ tot 5 jaar oud, dus in de peuter- en kleuterleeftijd. De leeftijd waarop het kind veel sterker het zelfbesef ontwikkelt. De eerste exploratiefase wordt dit wel genoemd (de tweede volgt in de puberteit). Het kind krijgt gevoelens van autonomie, blijkend uit het frequent reageren met het woordje ‘nee’ en  ‘dat is van mij’.

De peuter, de één- tot driejarige, is intensief en heel snel bezig zijn wereld onder controle te krijgen. Een geweldig snelle fysieke ontwikkeling helpt hem daarbij. Hij gaat lopen, kan spoedig rennen, krijgt controle over darm- en blaasfuncties, gaat zelfstandig eten, en wisselt veel duidelijker gevoelens met anderen uit, soms in de vorm van woede-uitbarstingen of uitbundig gelach. Als kleuter gaat het kind bewuster met andere kinderen spelen, als het ware veel meer de buiten wereld ontdekken en exploreren. Het heeft geleerd op een driewieler te fietsen, zichzelf aan te kleden en kan al veel verder weglopen. De taal wordt steeds bewuster gehanteerd. Peuters moeten de gelegenheid krijgen te doen wat ze kunnen doen, te ontdekken wat ze kunnen en experimenteren, zonder dat al te veel op hun huid te worden gezeten. In die periode wordt hun gevoel van eigenwaarde verder opgebouwd, vooral wanneer steeds weer blijkt dat ze allerlei dingen zelf kunnen. Worden ze geremd of onder gestimuleerd dan zien we sterke gevoelens aan twijfel in zichzelf ontstaan. En dat zien we vaak bij geadopteerden, zoals ook uit de voorbeelden duidelijk is.
Kleuters vertonen nog  meer zelfinitiatief. Aan hen moet dus explicieter duidelijk worden gemaakt wat de regels zijn, waar grenzen liggen, wat er van hen wordt verwacht. Ze leren ook hoe anderen reageren op hun gedrag. Het sociale besef, de eerste tekenen van empatisch vermogen en het geweten gaan zich ontwikkelen, en daarmee ook schuldgevoelens.
De ontwikkeling van de taal is buitengewoon belangrijk. De kleuter denkt en doet veelal heel letterlijk, woordspelingen en homoniemen (twee woorden die hetzelfde klinken, maar heel verschillende betekenis hebben, onze taal kent er vele, bijvoorbeeld: weg; acht, dom, stom etc.) worden niet begrepen. Kleuters lijken heel rationeel, maar begrijpen van abstracties, zoals geadopteerd zijn, is nog ver weg. Peuters en kleuters leren de taal ook schijnbaar heel snel en als ze net zijn aangekomen doen ze vaak hun uiterste best de dingen te begrijpen. Ook dat is overlevingsgedrag. Adoptieouders denken dan vaak ten onrechte dat hun kind de taal zo snel leert en dus alles al zo snel begrijpt. Daar is vrijwel nooit sprake van. Het kind begrijpt veel minder dan zo lijkt. Het kan echter goed anticiperen op wat de ander kennelijk wil. En het lijkt ook snel de taal te leren, zeker als het een, twee- of driejarige is. Echter voor een deel gaat het dan om door het kind begrijpen van de lichaamstaal. Over de rol en het belang van lichaamstaal is echter bij adoptiekinderen nog nooit onderzoek gedaan.

De aangekomen peuter of kleuter vertoont vaak het zo door mij genoemde ‘hotelgedrag’. Het wil verschrikkelijk graag aardig gevonden worden en vooral  blijven waar het nu is. De tegenstellingen tot het verleden zijn immers wel heel groot. Het krijgt nu goed te eten, warmte en positieve aandacht. Dit hotelgedrag is kunstmatig gedrag. De paradox wil, dat we blij moeten zijn als het voorbij gaat. Als het kind grenzen zoekend gedrag gaat vertonen, zich spontaan gaat uiten en daarmee veel minder aardig is. Processen van zich hechten en het zich gaan thuis voelen zijn dan echter wel begonnen, hoera dus adoptieouders, maar heel vermoeiend is het wel.

Laten we ons goed realiseren dat bij het kind een rouwproces plaatsvindt. Het heeft al het bekende: het kindertehuis, de verzorgende mensen, vriendjes5, de taal, dagelijkse gewoonten, ineens verloren. Verzachting van dit rouwproces treedt op wanneer adoptieouders:

-   Het kind zijn eigen naam laten behouden.

-   Steeds met aandacht en respect open staan voor het gebabbel van het kind over het verleden. Het is verstandig dit op een band op te nemen, dan kan het beter worden begrepen en het is voor het kind later belangrijk. Er gaat om informatie die meestal door het kind wordt vergeten, maar wel heel belangrijk is. De band kan ook regelmatig samen  met het kind opnieuw worden beluisterd. Dit is wel afhankelijk van de reactie van het kind als dit eens een keer wordt geprobeerd.

-   Met respect alle dingen die het kind heeft meegenomen hanteren en bewaren.

-   Zich iets van de oorspronkelijke taal eigen maken.

-   Slechts geleidelijk overgaan tot de volledig Hollandse pot.

-   In contact brengen met andere kinderen uit het land van herkomst.

 

Dit laatste moet overigens ook weer met de nodige voorzichtigheid gebeuren. Vooral als de vroegere omstandigheden heel slecht waren, traumatiserend dus, kan het kind grote moeite hebben en grote angsten tonen, wanneer het te concreet met het verleden wordt geconfronteerd. Daarom reageren sommige peuters panisch op een vroegere verzorger uit het tehuis. Tenminste als die bijvoorbeeld binnen het eerste jaar na aankomst een bezoekje aan de ouders brengt.
Adoptieouders van een peuter/kleuter doen er goed aan het kind op een rustige manier, maar wel duizendmaal te zeggen dat het nu hier blijft en zij de nieuwe papa en mama zijn. Juist bij allemansvriendjes is dat heel belangrijk. Deze moeten het onderscheid tussen enerzijds de eigen papa/mama en anderzijds de anderen nog leren. De ervaring en onderzoek leren dat zij daar helaas vaak jaren over doen.

Hiervóór hebben we het in feite steeds gehad over het bevorderen van de hechting tussen adoptiekind en ouder. Dit proces is mede afhankelijk van de ontwikkeling van gevoelens van veiligheid, zelfwaardering en vertrouwen bij het kind. Dit zijn zeer subtiele processen. Zoals ik hiervóór heb trachten duidelijk te maken, wordt dit beïnvloed door:

de aard van het kind

de aard en het gedrag van de ouders

de omstandigheden waarin het kind elders is opgegroeid en waarin het bij de adoptieouders terecht komt.

Ouders zijn vaak sterk beïnvloed door hun eigen levenservaringen en met name door de manier waarop ze op hun beurt door hun ouders zijn opgevoed. Belangrijk voor de kwaliteit van het adoptieproces zijn vanuit de ouders gezien de motieven voor de adoptie en de daaraan gekoppelde verwachtingen over aard en mogelijkheden van het kind, de eigen opvoedingsbekwaamheden en de interactie kind-ouders. Dit laatste kan tijdens allerlei fasen erg onder druk staan. Als het kind erg veel aanpassingsproblemen heeft; als het hotelgedrag omslaat; als het allemansvriendjes of juist zeer gesloten gedrag maar niet wil wijken of tenminste zichtbaar verminderen; wanneer gebrek aan geweten tot allerlei acting-out gedrag leidt, waaronder het bekende lieg- en steelgedrag; het kind tenslotte slecht wordt begrepen.

Hoe nu verder?

 

Er valt daarom nog zo veel meer te zeggen over de ontwikkelingen van het adoptiekind. Ik heb bijvoorbeeld nauwelijks iets gezegd over de ontwikkelingen tijdens de puberteit of de relatie tussen bepaalde gedragsproblemen als jong kind en de latere ontwikkeling.

Dit is misschien iets voor een volgende lezing. Laat ik echter wel afsluiten met zoals ik ben begonnen.

Adoptiekinderen zijn niet over een kam te scheren. Reacties van kinderen op wat ook zijn heel verschillend. Wat blijft is, dat het opvoeden van ook een adoptiekind een buitengewoon boeiende taak is, een uitdaging. Een uitdaging met in veruit de meeste gevallen een positieve uitkomst. Een uitdaging die tijdens bepaalde fasen in de ontwikkeling van de baby, peuter, kleuter, de jongere, de adoptieouders soms kan doen verzuchten ‘waren we er maar nooit aan begonnen’. Terwijl veel ‘moeilijke’ adoptiekinderen als ze een beetje volwassen beginnen te worden, zo na hun twintigste, juist hun veel betere en gemakkelijker ik laten zien. De Isabel van Geertje van Egmond is tenslotte ook op haar pootjes terechtgekomen. Ik zie soms, dat in gezinnen met adoptie en biologisch eigen kinderen, geadopteerde zich ten aanzien van de ouders als veel gehechter lijkend, opstelt en zo gedraagt.

‘Het kan verkeeren’ zei vader Cats ongeveer vier eeuwen geleden. Maar adoptieouders moeten daarvóór in ieder geval voldoende geduld en flexibiliteit opbrengen. Over de zozeer aan te bevelen afstandelijkheid heb ik het voldoende gehad.

 

 

Literatuur

Brodzinsky, D.M., Schechter, D.E. & Henig, R.M. (1997). Geadopteerd – een leven lang op zoek naar jezelf. Amsterdam: AMBO.

Delfos, M. (1996). Patja de gevlekte panda. Over adoptie en pleeggezinplaatsing. Bussum: Trude van Waarden Producties.

Hoksbergen R.A.C. en de medewerkers van het Roemenië project. (1999). Adoptie van Roemeense kinderen. Ervaringen van ouders die tussen 1990 en medio 1997 een kind uit Roemenië adopteerden. Utrecht: Universiteit Utrecht, afdeling adoptie.

Hoksbergen, R.A.C. en Walenkamp, H. (red., 2000). Adoptie: een levenslang dilemma. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Hoksbergen, R.A.C., Stoutjesdijk, F., Rijk, S., Van Dijkum, C. & Rijk, K. (2001). Posttraumatische Stress-reactie bij Roemeense adoptiekinderen. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 40, 10, 475-488.

Hoksbergen, R.A.C. en de medewerkers van het Roemeniëproject (2002). Effecten van verwaarlozing. Utrecht: Universiteit, afd. Adoptie.

Johnson, A., Miller, I., Iverson, S., Thomas, W., Franchino, B., Dole, K., Kierman, M., Georgieff, M. & Hostetter, M. (1992). ). The Health of Children Adopted from Romania. Journal of the American Medical Association, 268, 24, 3446-3451.

Lifton, B.J. (1994). Journey of the adopted self. A Quest for Wholeness. New York: Basic Books.

Stams, G.J.J.M., Juffer, F., Rispens, J., Hoksbergen, R.A.C. (1998). Give me a child until he is seven. The development and adjustment of children adopted in infancy. Part I: a comparative study. In G.J. Stams. Give me a child until he is seven. A longitudinal study of adopted children, followed from infancy to middle childhood. Utrecht: Universiteit, dissertatie, 113-159.

Van Egmond, G. (1987). Bodemloos bestaan. Problemen met adoptiekinderen. Amsterdam: AMBO.

Verhulst, F.C. (1985). Mental health in Dutch children: An epidemiological study. Rotterdam: Erasmus Universiteit, dissertatie.

Verhulst, F.C. & Versluis-den Bieman, H.J.M. (1989). Buitenlandse adoptiekinderen. Vaardigheden en probleemgedrag. Assen: Van Gorcum.

Verhulst, F.C. (1996). Handleiding voor de CBCL/ 4-18. Rotterdam: Sophia Kinderziekenhuis, afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie.

Verrier, N.W.  (1993). The Primal Wound. Understanding the adopted child. Baltimore: Gateway Press.

Verrier, N.W. (2003). Afgestaan zijn, pijn, rouw, herstel. Begrip voor het geadopteerde kind. Amsterdam: AMBO, ACCO.

 

 

1    Aanpassing en intensieve bewerking van de lezing die ik op 27-11-2002 hield voor de Landelijke Vereniging Adoptieouders(LAVA).

2    Bij alle voorbeelden zijn om  redenen van privacy enkele kenmerken aangepast.

3    Een boek dat ik waard vond om voor het Nederlandse taalgebied beschikbaar te komen, hetgeen begin volgend jaar het geval zal zijn onder de titel Afgestaan zijn, pijn, rouw, herstel. Begrip voor het geadopteerde kind (AMBO, ACCO te A’dam).

4    Bestaat uit items als: Kan bepaalde gedachten niet uit zijn hoofd zetten, hoort geluiden/stemmen die er niet zijn, dwanghandelingen, ziet dingen die er niet zijn, vreemd raar gedrag/gedachten.

5    Om die reden hebben wij, nu ongeveer 25 jaar geleden, er bij Justitie met succes voor gepleit dat kinderen die een sterke onderlinge band hebben, sociale siblings genoemd,  niet van elkaar zouden worden gescheiden, maar samen geplaatst.

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Respect: Een kernbegrip

 

Wat betekent respect?

De oorspronkelijke betekenis van het uit het Latijn afkomstige woord respect (Respecto) komt nog het dichtst bij waar ik het in deze beschouwing graag over wil hebben. Respecto betekent het omkijken naar iemand of het acht slaan op iets of iemand; het vermogen een mens te zien zoals deze werkelijk lijkt te zijn. Wij zouden nu zeggen: de unieke individualiteit van de ander te zien, te begrijpen en te aanvaarden.

Voor opvoeders van kinderen, en in ieder geval voor ouders, adoptie-ouders en pleegouders is dit “zien, begrijpen en aanvaarden”  een van de meest essentiële eisen aan hun gedrag en handelen tijdens het langdurige opvoedingsproces waar zij voor staan. Het is overigens een eis die voor alle ouders geldt.

Dat mag dan zo zijn, eenvoudig is deze opgave niet, en voor adoptie-ouders al helemaal niet. Laat ik dat hierna verder toelichten.

Vrijwel alle ouders zijn zich bewust van hun grote verantwoordelijkheid voor hun kind. Hun kind is vele jaren hulpeloos en volledig afhankelijk van ouderlijke zorg. Deze verantwoordelijkheid en ouderlijke zorg kunnen op veel manieren worden gerealiseerd. Een realisering die afhankelijk is van de aard en mogelijkheden van de ouders, van de reacties en mogelijkheden van de kinderen, van de wijze waarop de omgeving op het gezin reageert,  denk ook aan culturele en materiële aspecten.

 

Ontaarding van ouderlijke zorg

Deze ouderlijke zorg kan op diverse manieren ontaarden.

Zo kan de verkeerde uiting van dominantie: overheersing van het kind, de boventoon voeren.

 “Kloekgedrag” kan in de stijl van opvoeding en verzorging de overhand krijgen. De overdreven bezorgdheid spruit minder voort uit het vermogen het kind lief te hebben, dan wel juist uit het onvermogen het kind in zijn eigenheid lief te hebben en te respecteren.

Het hulpeloze kind kan ook in hoge mate als een bezit worden gezien. De persoonlijkheid en gedrag van het kind moeten voldoen aan de verlangens van de bezitters: de ouders.

Ouders oefenen grote invloed uit op de ruimte die het kind krijgt om zich verder te ontwikkelen. Waar sprake is van een verkeerde dominantie, kloekgedrag, of bezitsdrang, is die ruimte voor het kind (uitermate) klein. Die ruimte kan in het leven van alledag zelfs zo klein zijn dat ernstige conflicten in het gezin en psycho-pathologische reacties bij het kind te verwachten zijn. Zelfs kan het uiteindelijk leiden tot mentale handicaps en zelfs de dood van het kind. Voorbeelden kennen wij uit de recente en verder weg liggende geschiedenis van de Jeugdzorg.

Daar waar sprake is van ernstige mishandeling van een kind, terwijl nota bene de Jeugdzorg bij het betreffende gezin intensief betrokken is, kan de benaming “Jeugdzorg” als een eufemisme worden opgevat. De betreffende medewerkers voldoen niet aan de basiseis van hun verantwoordelijkheid en beroep: zorg voor het hulpeloze kind. Ook zij zien het kind kennelijk als een bezit van (biologische) ouders. Van Jeugdzorg is dan geen sprake. Wel van angst, gebrek aan moed, en/of onvermogen om in te grijpen.

 

Respect voor de identiteit van jouw kind vraagt acceptatie van een zekere  dualiteit

De psychologie en de praktijk van alledag leren ons dat de ouder die in staat is voluit liefde te tonen voor zijn kind, ook begrip en liefde voor de eigen stabiele en gezonde individualiteit heeft. Respect en liefde voor de eigen persoonlijkheid geven de mogelijkheid te komen tot respect en liefde voor het kind. We spreken dan over stabiel ontwikkelde volwassenen die in staat zijn de eigenheid, de identiteit van het kind te zien en te respecteren. Zoals zij ook hun eigen identiteit aanvaarden en respecteren1.

Adoptie-ouders en pleegouders, het gaat mij hier nu in hoofdzaak om de eerste groep, kennen een bijzondere vorm van ouderschap. Zij hebben bij de vervulling van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding een speciale taak. Hun ouderschap, hun verantwoordelijkheid voor hun geadopteerde kind, kent namelijk een zekere vorm van dualiteit, een soort tweeslachtigheid. Aan de ene kant verlangt hun ouderschap in staat te zijn hun kind alle noodzakelijke aandacht, zorg en liefde te geven. In dat opzicht verschillen adoptie-ouders in het geheel niet van andere ouders. Tegelijk moeten zij echter ook

accepteren dat een deel van de identiteit van hun kind hun vreemd is, als het ware niet in hun gezin hoort. Hun kind is van andere ouders, heeft daarmee een bepaalde verbinding, hoe jong ook de adoptie plaats vond.

De identiteit van hun kind is verbonden met zowel zijn adoptie-ouders als met zijn biologische ouders2. De wijze waarop dit bij het adoptiekind tot uitdrukking komt is heel verschillend en acht ik ook vrijwel onvoorspelbaar. Het complicerende element van dit aspect van het adoptie-ouderschap is daarbij ook nog, dat deze dualiteit voor het kind pas tijdens zijn verdere ontwikkeling en opgroeien langzaam maar zeker tot uiting zal komen. Geadopteerde, nog heel jong kind zijnde, zal zich in zijn kinderlijke hulpeloosheid volledig richten op zijn nieuwe ouders. Naarmate het kind ouder wordt zal echter dat andere deel van zijn identiteit steeds harder op de “deur van zijn mentale bewustzijn” gaan kloppen. Dan kunnen zich zelfs gevoelens van eenzaamheid, vervreemding, zich anders voelen, gaan ontwikkelen. Dit in grote tegenstelling tot de beleving van het kindschap in de eerdere fase, als kleuter en jong kind.

 

Een voorbeeld

Zoals een mij bekende uit Korea afkomstige geadopteerde van 28 jaar het uitdrukte. Nadat ze eerst uitdrukkelijk vaststelt ‘Ik heb mij nooit, in welk opzicht dan ook, incompleet gevoeld’ concludeert ze ‘Er is echter een essentieel deel van mij dat nergens aan lijkt te relateren, dat geheel los van mijn hele omgeving staat en dat alleen relateert aan mij.’, waarop zij vervolgt met

‘Het niet kunnen vinden van iets of iemand waar dit deel mee verbonden kan worden, ervaar ik als bijzonder eenzaam. Het feit dat ik gezegend ben met een heleboel mensen om mij heen die van mij houden neemt dit eenzame gevoel niet weg.’

In LAVA-Contact van Oktober 2004 (p. 7-11) heb ik in mijn artikel “Praten over adoptie” besproken dat de juiste uitvoering van deze vanzelfsprekendheid niet zo gemakkelijk is. Je kan het onderwerp adoptie te vaak en te weinig aanroeren. Dit ‘praten over’ is slechts één aspect van die ruimte die ik hiervóór bedoel. Het is vooral het oog hebben voor de worsteling van hun kind met zijn identiteit. Het boeiende bij dit alles is, dat het goed aanvoelen van deze worsteling de verhouding met geadopteerde alleszins ten goede zal doen komen. Onderzoek in de Verenigde Staten en in Nederland3 laten dit zien. Figuurlijk uitgedrukt: het platform waar adoptie-ouders en geadopteerde op staan wordt breder en sterker.

 

Enkele praktische suggesties

Hoe kunnen adoptie-ouders nu dit respect voor de achtergrond van hun kind op doelmatige wijze tot uitdrukking brengen? Laat ik enkele praktische suggesties doen. Waarbij ik nogmaals benadruk dat ouders het beste kunnen aanvoelen waar hun kind gezien leeftijd en ontwikkeling aan toe is.

-                      Bewaar alles wat het kind uit het land van herkomst mee heeft gekregen.

-                      Verzamel alle mogelijke informatie over de achtergrond van jouw kind en controleer die ook zo veel mogelijk op juistheid.

-                      Maak vanaf het eerste contact een historisch-fotoboek dat misschien wel kan beginnen met foto’s van de plaats waar het kind vandaan komt, zo mogelijk biologisch verwanten. In ieder geval vanaf het eerste moment dat jouw kind in het gezin komt.

-                      Zorg voor ruimte in de boekenkast voor boeken over land van herkomst en enkele standaardboeken over adoptie. Denk zeker ook aan verhalen, misschien wel boeken, door geadopteerden samengesteld.

-                      Geef de mogelijkheid tot contact met andere adoptiekinderen.

-                      Spreek over het afgestaan en vervolgens geadopteerd zijn op een wijze die bij jouw adoptiekind past. Naarmate geadopteerde ouder wordt kan deze ook begrip hebben voor jouw worsteling met jouw ouderschap. Deel deze intieme gevoelens in zekere mate met jouw kind.

-                      Stimuleer het gaan naar het land van herkomst, maar dring dit niet op!

-                      Zorg voor informatie over lessen in de taal van het land van herkomst. Contact met familieleden of anderen aldaar krijgt meer kwaliteit of is überhaupt pas mogelijk wanneer communicatie plaats kan vinden.

 

Kortom, probeer in het gezin de sfeer van openheid te creëren waardoor de geadopteerde het ‘anders zijn’ in het gezin volledig aanvaard weet. Deze ook weet en voelt dat dat andere aspect van zijn identiteit door zijn ouders serieus wordt genomen. En dat geadopteerde niet vanuit dat soms verstikkende ”maar wij houden toch zo veel van je”,  het gevoel krijgt dat een deel van zijn identiteit als het ware iets verbodens is. Het eigenlijk niet is toegestaan daar diepgaand mee bezig te zijn. Dit het gevoel van loyaliteit naar zijn adoptie-ouders toe zou kunnen beschadigen.

 

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

1.      De Raad voor de Kinderbescherming tracht bij het Gezinsonderzoek hierover enige informatie te krijgen en terecht.

2.      Die verbondenheid behelst meer dan alleen de biologische ouders. Ik noem deze alleen gemakshalve. Natuurlijk speelt de totale familie, de stamverwantschap, land en cultuur waarin men is geboren een grote rol bij de vorming van iemands identiteit.

3.      David Kirk (1985), Adoptive Kinship:  Hoksbergen, Juffer en Waardenburg (1986) Adoptiekinderen thuis en op school.

 

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

De multiculturele persoonlijkheid als gevolg van adoptie en migratie. Een Gouden Kans - Boekbespreking

 

Irene Ypenburg (2009). De multiculturele persoonlijkheid als gevolg van adoptie en migratie. Een Gouden Kans. Assen: Van Gorcum. 193 p. € 35.-

 

Irene Ypenburg is publicist en kunstenaar. Ze werkte o.a. voor de NRC, Parool, Trouw en Intermediair.

De bedoeling van het boek is te laten zien hoe cultuur en achtergrond doorwerkt in de identiteitsontwikkeling van de mens. Auteur hoopt inzicht te geven en vooral relevante aanbevelingen te doen voor intercultureel geadopteerden, en tweede en derde generatie immigranten. Er is gekozen voor een indeling volgens de vier jaargetijden, elk geïllustreerd met Chinese poëzie en opgebouwd rondom de verhalen van een geadopteerde jonge vrouw en van een kleindochter van immigranten.

Er is veel literatuuronderzoek gedaan, gesprekken gevoerd, achttien interviews gehouden met kinderen en kleinkinderen van immigranten uit verschillende landen, met deskundigen en betrokkenen in China, jong volwassen geadopteerden, adoptieouders, met  professionals uit de adoptiewereld en info. verzameld via de media en internet. Het boek is verder praktisch opgebouwd met praktijkvoorbeelden en citaten uit gesprekken.

Er worden opvallend belangrijke uitspraken gedaan zoals: ‘Het negeren van de eigen culturele achtergronden kan ertoe leiden dat je van jezelf vervreemdt en op een bepaald moment, meestal rondom je dertigste levensjaar, niet meer goed weet hoe je verder moet.’ Alleen denk ik zelf dat de conclusie ‘meestal rondom je dertigste’ (p.X) weggelaten kan worden. Het niet meer goed weten hoe je verder komt, zie ik vaak op (veel) jongere leeftijd reeds.

De conclusie ‘Nederlands onderzoek naar interculturele adoptie lijkt er vaak op gericht te onderstrepen dat de geadopteerden de maatschappij geen kwaad doen en dat de adoptie de geadopteerde geen kwaad doet.’(p.3), geldt in ieder geval niet voor het onderzoek van de Universiteit Utrecht van de afgelopen twaalf jaar (zie LAVAContact&LOGALetters zomer 2009). 

Veel moeite heb ik met de uitspraak ‘het vroegere ideaal van adoptieouders was je kind te doen vergeten dat het geadopteerd was, met volledig voorbijgaan aan zelfs zoiets opvallends als verschil in huidskleur.’ (p.56).Vanaf het begin van de adoptiegeschiedenis (1956) was voorlichting over adoptie verplicht. Toen vanaf 1970 steeds meer interraciaal geadopteerden naar Nederland kwamen, werd vanuit de adoptievereniging Wereldkinderen juist openheid over adoptie, etnische achtergrond en de biologische ouders benadrukt.

Heel juist en toepasselijk  is ‘Er is een band, een rode draad die altijd zal blijven bestaan. Je haalt het kind uit China, maar je haalt China niet uit het kind.’ (p. 62).

Kortom, soms mis ik hier en daar de nuancering en komt de publicistische achtergrond van auteur duidelijk om de hoek kijken. Aan de andere kant is het boek voor mensen die persoonlijk of door hun werksituatie betrokken zijn bij immigranten en geadopteerden erg nuttig om te lezen. Het zal zeker de discussie over de psychologische ingewikkeldheden waarmee geadopteerden en immigranten te maken hebben, stimuleren. Het boek leest ook gemakkelijk en de aanbevelingen (H. 12) zijn helder geformuleerd en van belang.

 

René Hoksbergen

(emeritus hoorleraar adoptie)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Eindelijk leef ik echt - boekbespreking

 

Joey Yoon (2004). Eindelijk leef ik echt. Een verhaal over innerlijke pijn, boulimia, adoptie, zelfacceptatie en overwinning. Soesterberg: Aspekt.

 

Joey is nu 29 jaar en geboren in Korea. Ze heeft een aangrijpend verhaal over haar leven geschreven. Centraal in dit leven staat haar worsteling met haar eigenwaarde met als belangrijke consequentie een tien jaar durende eetverslaving, bulimia. Op zesjarige leeftijd wordt Joey zogenaamd voor twee weken naar Amerika gestuurd. Ze wordt echter ter adoptie in een Nederlands gezin geplaatst. Dan begint een leven in een gezin waar reeds een dochter, twee jaar ouder dan Joey, is.

“Van het ene op het andere moment was ik weggerukt uit mijn veilige omgeving, waren de mensen verdwenen van wie ik hield,,,,”.

Ze komt in een gezin met een vader die heftige agressieve buien heeft en deze botviert op zijn adoptiedochter totdat deze ongeveer 14 jaar oud is. Als zijn dochter volwassen is, biedt hij haar hierover zijn verontschuldiging aan en vraagt hij haar om vergeving. Het kwaad heeft zich dan echter al jarenlang in haar vastgezet. Ze geeft zichzelf de schuld van haar uit Korea “weggedaan zijn”, de mishandelingen door haar adoptievader, en alle  negatieve feiten in haar leven. Ze probeert zo goed en netjes mogelijk te leven, vooral geen fouten te begaan en ze is wanhopig op zoek naar liefde, positieve aandacht en naar antwoorden op vragen over haar bestaan en haar Koreaanse achtergrond. Als ze 16 is gaat ze terug naar Korea. Ze is dan al lang extreem bezig met haar dieet. Ze wil heel dun zijn, net als andere Koreaanse mensen. Die gedachte laat haar niet los. In Korea ontmoet ze heel haar familie. Dan krijgt ze ook meer begrip voor wat er met haar is gebeurd, tegelijk is ze jaloers op de broer en zus die daar mochten blijven. Ook in Korea krijgt zij haar vreetbuiten niet onder controle. Een jaar later besluit ze opnieuw naar Korea te gaan en Koreaans te gaan leren. Met een oog voor belangrijke details beschrijft ze die periode die ongeveer een jaar heeft geduurd.

Lange tijd worstelt ze met haar Koreaanse en Nederlandse identiteit, voelt ze zich er tussenin staan. Boeiend beschrijft ze hoe ze met haar eetverslaving omgaat en deze uiteindelijk overwint.

Het boek is uitstekend geschreven en kent eigenlijk twee hoofdonderwerpen. De aanpassing van een ouder adoptiekind, fouten die adoptieouders kunnen maken en de worsteling met haar identiteit. En ook de strijd van een bulimia patiënt. Deze twee aan Joey gekoppelde kenmerken zijn volledige met elkaar verweven.

Het boek is opgebouwd vanuit een zekere spanning. De lezer gaat zich steeds sterker afvragen of Joey haar verslaving zal overwinnen en welke mensen voor haar uiteindelijk het belangrijkste blijken te zijn: haar adoptieouders of haar Koreaanse familie.

Ze besluit haar boek met aan te geven dat haar beide adoptieouders en het geloof bepalend zijn geweest voor haar uiteindelijke redding.

Adoptieouders, volwassen geadopteerden, bulimia patiënten, alle bij adoptie en eetverslaving betrokkenen en hulpverleners hebben heel wat aan grondige lezing van dit boek. Het leest heel gemakkelijk.

 

René Hoksbergen

(em. Hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Mijn droom van een kind - boekbespreking

 

Boekbespreking: Ingrid Holla (2003). Mijn droom van een kind. Waar gebeurd verhaal van een vrouw die haar wens om moeder te worden niet opgeeft. Sirene: Amsterdam. 250 p. eur. 7.95.

 

Als Ingrid in de zomer van 1989 zwanger wil worden, denkt ze dat dit vrijwel meteen zal gebeuren. Ze is dan 26 jaar, haar man Peter ongeveer een jaar ouder. Het gaat beiden voor de wind, ze hebben uitstekend werk, een goede relatie met elkaar en met hun familie, en zijn kerngezond. De zwangerschap blijft echter uit. Na enkele jaren besluiten ze om IVF te proberen. Uiteindelijk zullen ze dit in de loop van een periode van ongeveer tien jaar maar liefst elf keer doen. Zelfs gaan ze hiervoor naar België.

Bij de tweede IVF poging krijgen ze een drieling. De drie kinderen, veel te vroeg geboren, sterven korte tijd na de geboorte. Later blijkt dat haar baarmoeder veel te klein is om een zwangerschap van drie kinderen voldoende uit te dragen. Ook bij een tweeling zou een vroeggeboorte het resultaat zijn geweest.

Ze hebben zich na enige tijd, Holla is dan 30,  ingeschreven voor adoptie om zo op twee paarden te wedden. Ze weten dan als zelfdoener na erg veel moeite een kindje uit Sri Lanka te bemachtigen. “In de adoptiewereld past volgzaamheid beter, maar dat past mij in het geheel niet. Het geluk afdwingen wel.” (p. 91). Dit ‘afdwingen’ geeft goed de sfeer aan waarin Ingrid Holla beschrijft hoe ze haar wel extreem sterk verlangen naar twee kinderen bevredigd wil zien. Het “hebben” van het kind staat centraal (p. 183). Zij veranderen ook de naam van hun eerste kindje uit Sri Lanka, maar laten evenzeer veel respect zien ten aanzien van de moeder van deze eerste dochter. Hun tweede dochter krijgen ze via de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haarlem. Opnieuw staan ze volledig open voor de biologische moeder van hun kind.

Nadat ze twee adoptiekinderen heeft gekregen, probeert ze toch nog, via een tiende en elfde poging, om via IVF zwanger te worden. Naar het zelf zwanger worden, verlangt Ingrid hevig. Het mag echter allemaal niet baten. Als ze 39 is besluit ze op te houden met verdere pogingen zwanger te worden: “ik heb er bijna een twaalfenhalfjarig jubileum opzitten als het gaat om het vervullen van mijn kinderwens” (p. 249).

Veel adoptieouders zullen in het soms gedetailleerde relaas en de pijnlijke verzuchtingen als weer een poging mislukt, herkenning vinden. Holla’s verhaal is een voorbeeld wat sommige mensen er allemaal niet voor over hebben om maar een kind te krijgen, te bemachtigen dus. Tegelijk zet je ook vraagtekens achter de werkwijze van betreffende gynaecologen.

Het verhaal is goed geschreven en leest met spanning hoe het zal aflopen. Wanneer deze moeder uiteindelijk rust vindt in haar moederschapswens.

 

Prof. Dr. René A.C. Hoksbergen

(Em.hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Wachten op Zach - boekbespreking          

 

Els Lodewijks-Frencken en Jaap Lodewijks (2004). Wachten op Zach. Vader-moeder zijn van een moeilijk kind. Soest: Uitgeverij Nelissen, 224 p. ISBN 90 244 0563 7.

 

Els en Jaap werden eind 1990 pleegouders van Zach, die toen zes jaar oud was. Zij zullen pleegouder blijven tot eind 1996. Daarna wordt Zach in een internaat geplaatst. Zach is een in Nederland geboren kind dat door zijn vader ernstig werd mishandeld.

Het boek bestaat uit twee delen.

In het eerste deel verhaalt vader Jaap Lodewijks over zijn ervaring met en beleving van de opvoeding van Zach. Uitgebreid beschrijft hij zijn relatie met Zach. Hoe Zach met hun, bij komst in het gezin, dertienjarige zoon en tienjarige dochter omgaat, zijn gevoelens voor en vooral de gedragingen van Zach. Er worden veel voorbeelden van allerlei situaties en het daarmee verbonden moeilijke gedrag van Zach gegeven.

Zach is een heel moeilijk, ongrijpbaar, en intelligent kind, dat niet weet om te gaan met de liefde en positieve aandacht van anderen. Enkele uitspraken in het eerste deel liegen er niet om:

‘Zach moet kort worden gehouden, een opvoedingsaanpak die ons eigenlijk vreemd is’ (p. 21), ‘Bijna alle contact met hem is schijncontact’ (p. 25). Conclusie van achtjarige Zach als het Nieuwjaar wordt: ‘Het wordt geen gezellig jaar’.

Zach is extreem slordig, jokt, heeft veel ruzie met andere kinderen, vernielt spullen van andere kinderen, laat tergend vaak iets vallen. Maar daarop aangesproken: hij heeft nooit wat gedaan. Bij het zwemmen is Zach het modelkind, rustig en zelfstandig. Hij wordt regelmatig ten voorbeeld gesteld (p.33). Vrienden van de familie concluderen dat hij juist zo aardig en attent is. Therapie bij het RIAGG en het gehanteerde kringgesprek roept bij Zach clownesk en bravouregedrag op (p.47). Helpen doet het niet.

Door de problemen met Zach ontstaan er problemen in het gezin, tussen de ouders onderling en met hun oudste zoon. Na zes jaar worstelen, ruzies, driftbuien, is duidelijk dat Zach niet langer bij hen kan blijven. Bij zijn vertrek is er bij Zach geen spoor van emotie, bij zijn pleegouders des te meer.

Jaap beschrijft gedetailleerd het verdere verloop van het school- en internaatsleven van Zach en de wijze waarop Zach vervolgens met zijn pleegouders en zijn biologische ouders omgaat.

 

In het tweede deel analyseert Jaap’s vrouw het verhaal van haar echtgenoot en vergelijkt zij hun ervaringen met die van andere pleeg- en adoptieouders. Uitgebreid worden voorbeelden aangehaald zoals die van het gedrag van Isabel uit het boek van Geertje van Egmond: Bodemloos bestaan.

 

In geval van moeilijkheden wordt door de hulpverlening veelal eerst naar de ouders gekeken. In de jaren zestig waarde de kreet/gedachte rond ‘Er bestaan geen moeilijke kinderen’. Dit was ver bezijden de werkelijkheid en had vooral te maken met het blind achter een ideologie aan lopen. Adoptie- en pleegouders van vroeg verwaarloosde kinderen weten wel beter. Maar ook andere ouders kunnen te maken hebben met ongrijpbaar gedrag van een kind, bijvoorbeeld bij autistische kinderen, waardoor een compleet andere benadering van de opvoeding en de omgang wordt gevraagd.

 

Het boek is vooral voor adoptie- en pleegouders uitermate waardevol. Veel zullen zij in dit boek herkennen en veel hebben zij ook aan de praktische suggesties die door het boek heen worden gedaan.

Hulpverleners doen er ook goed aan kennis te nemen van dit boek. De betrekkelijkheid van mogelijkheden tot verandering van gedrag, laat staan van een persoonlijkheid, blijkt ook weer uit dit boek. Psychische beschadigingen kunnen voor het leven zijn en heel weinig met de aanpak van ouders te maken hebben.

 

René A.C. Hoksbergen

(em. hoogleraar Adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Trouw, 7 april 2005

Help kind en gezin ook ná de adoptie

 

Opvallend dat bericht in Trouw van 31-3 jl: ‘Nazorg adoptie-ouders pakt goed uit’. Je zou wensen dat deze conclusie op de Nederlandse adoptienazorg sloeg. Helaas is dat niet zo. Het slaat op een geslaagd initiatief van enkele Deense adoptie-ouders. Deze stelden vast dat alle accent op de goedkeuring en voorbereiding van de adoptie-ouders ligt, terwijl pas na plaatsing van het adoptiekind in het gezin het ingewikkelde opvoedingswerk begint.

Merkwaardig en ergerlijk is het, dat in ons land nog steeds de zorg voor onze adoptiegezinnen ophoudt bij de voordeur. De voorbereiding op de komst van het adoptiekind is sinds 1990 geregeld. Alle aspirant-adoptie-ouders zijn verplicht de voorbereidingscursus te volgen en de uitvoering door de Stichting Voorbereiding Interlandelijke Adoptie (VIA) te Utrecht mag er zijn. De prijs van 900 euro voor zes zittingen van ongeveer 2½ uur is overigens wel erg hoog. Een zinvolle en dankbare taak voor de Landelijke Vereniging Adoptie-ouders te Zeist hier wat aan te doen.

Tot aan de voordeur is het dus goed geregeld, maar zodra het kind over de drempel stapt houdt de begeleiding op. Dit is vreemd, want algemeen wordt erkend dat het opvoeden van een (zwaar) verwaarloosd kind, met allerlei gedragsproblemen en toekomstige gedragsstoornissen, natuurlijk professionele ondersteuning vraagt. En al zou het adoptiekind niet verwaarloosd zijn, het ondergaat altijd de plotselinge alomvattende verandering in zijn levensomstandigheden na de (traumatische) scheiding van de moeder. Een scheiding die de Amerikaanse therapeute en adoptiemoeder Nancy Verrier als een basisverwonding in het bestaan kenmerkt.

Sinds 1975 is onderzoek verricht onder gezinnen met een buitenlands adoptiekind. Soms is deze groep wel ‘de meest onderzochte groep van Nederland’ genoemd. Reden hiervoor is dat zich bij nogal wat kinderen ernstige gedragsproblemen voordeden. Vaak meteen na aankomst en zeker als het kind bij plaatsing al wat ouder was, als het naar school ging, en later in de puberteit en periode van de jonge volwassenheid. Het onderzoek heeft over aard en omvang van deze problematiek duidelijkheid verschaft. Recent nog verschenen in verschillende landen publicaties over Roemeense adoptiekinderen. Ruim de helft van deze kinderen vertoonde zodanige gedragingen dat professionele hulpverlening nodig was.

De omvang en intensiteit van de gedrags- en opvoedingsproblemen bij buitenlandse adoptiekinderen is vergeleken met in Nederland geboren kinderen veel en veel groter. Verbazing hoeft dit niet te wekken. Adoptiekinderen hebben in hun leven een veel slechtere beginsituatie. En het niet opgroeien bij de biologische ouders en familie heeft voor geadopteerde veelal op het moment van de scheiding en later ook de nodige gevolgen. Geadopteerde moet dit aspect van zijn leven verwerken. Uit mijn praktijk en ervaring blijkt niet anders dan dat wanneer geadopteerde opgroeit en in ieder geval in de puberteit en jong volwassenheid, met dit onomkeerbare levensfeit wordt geworsteld.

Nazorg is dus nodig en wel door in adoptie gespecialiseerde hulpverleners. Maar helaas ontbreekt die, hoewel daar al enkele decennia door mij en anderen om wordt gevraagd. Toen de huidige burgemeester van Amsterdam Cohen enkele jaren geleden nog als Minister op Justitie zat, werd hij door mij over dit probleem persoonlijk benaderd, geen reactie echter. Hoe krijgen wij nu de deur naar gestructureerde nazorg open? Ik bedoel hiermee nazorg die meteen na plaatsing van het kind voor de ouders beschikbaar is en waar de ouders een beroep op kunnen doen. Net zoals dit voor ouders die zelf een kind krijgen bestaat. Het gaat hierbij niet zozeer om een verplichting tot nazorg, maar om de vanzelfsprekendheid van het gebruik kunnen maken van beschikbare en deskundige nazorg. Daarbij dient het evenzeer vanzelfsprekend te zijn dat korte tijd na plaatsing en gedurende een periode van ongeveer een jaar de ‘adoptiewijkzuster’ het gezin bezoekt. Deze persoon kent de aanpassingsproblemen van adoptiekinderen, kent ook het bijzondere karakter van het adoptie-ouderschap en zij/hij kan effectieve adviezen geven. Bij bijzondere problemen kan deze adoptiedeskundige naar ter zake kundige specialisten verwijzen. In mijn openbare college Adoptie: een levenslang dilemma (2000) pleitte ik ervoor de voorbereiding en nazorg voor pleeg- en adoptiegezinnen onder te brengen in de “Stichting Integrale Begeleiding Adoptie en Pleegzorg”. Een stichting die de nu al her en der bestaande deskundigheid bundelt. Nodig is een kennis- en hulpverleningscentrum waar kinder- psychiatrische/psychologische/pedagogische kennis, zonder wachtlijst problematiek, voor adoptie- en pleeggezinnen beschikbaar is. Financiering kan gemakkelijk tot stand komen. Jaarlijks worden er zo’n 1400 adoptiekinderen in gezinnen geplaatst. De kosten van de hele adoptieprocedure bedragen tien tot vijftienduizend euro. Met een verhoging van zeg 500 euro per bemiddeling zou het kennis- en hulpverleningscentrum kunnen worden gestart. 

Adoptie-ouders zijn geselecteerd op de geschiktheid voor deze vorm van ouderschap. Zij worden er goed op voorbereid, zij tonen ook een grote inzet voor en betrokkenheid bij hun opvoedingstaak. Nu nog gestructureerde nazorg beschikbaar stellen. Het zal de (latere) ontsporing van sommige buitenlandse adoptiekinderen tegengaan.

 

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie, Universiteit Utrecht)

Terug naar de lijst

 

 

 

Trouw, 6 juni 2005

Kinderhandel via internet in de strafwet – Baby Donna

 

Het blijkt tegenwoordig erg eenvoudig om via internet draagmoeders te traceren en kinderen te vinden die te koop worden aangeboden. Ik zou dit de multimedia kinderhandel willen noemen. Er zijn kennelijk mensen die hun kinderwens koste wat het kost bevredigd willen zien. Wat de gevolgen voor het kind zijn om zo bij “ouders” terecht te komen, vraagt men zich niet af. Misschien voelt het kind zich later wel als een soort materieel voorwerp, een ding, behandeld. Een pakketje dat over de multimedia toonbank naar zijn ouders werd toegeschoven.

Een echtpaar, zo “dolgelukkig” met een zo verworven kind, realiseert zich te weinig dat het leuke kleine babietje voor hen niet lang dat ta, ta, ta babietje zal blijven. Literatuur en contacten met bijvoorbeeld adoptieouders zou hen geleerd hebben hoe belangrijk het voor een kind, respectievelijk puber, is om een stabiele identiteit te ontwikkelen. Om antwoorden op vragen als “wie ben ik?”, “hoe zien anderen mij?”, “waarom ben ik eigenlijk afgestaan en “hoe ben ik bij jullie gekomen?” als positief te beleven.

Wanneer je zelf geen kind kunt krijgen, terwijl je dit wel verschrikkelijk graag wilt, is heel verdrietig. Je zult een rouwproces ondergaan, er wordt van je gevraagd de realiteit van het niet een kind kunnen krijgen te aanvaarden; door de fase van pijn en verlies heen te komen en je een leven zonder eigen kinderen voor te stellen. Een kind verliezen is een nog pijnlijker levensgebeurtenis.

Een pleeg- of adoptiekind dient dan echter niet de functie te hebben dit rouwproces te vervangen. Een eventueel volgend kind kan daar niet mee worden belast. Bij een obsessieve benadering om maar absoluut aan een kind te komen, vraag je je af of de mensen wel toe komen aan de normale opvoeding van een kind. Een kind dat, als dit opgroeit, zo zijn eigen eisen stelt aan opvoeders. Misschien is het wel een ongemakkelijk, veel aandacht vragend kind. Gaat het lastige vragen stellen over zijn herkomst. Als verwachtingen over een kind erg hoog zijn, kan het tijdens de verdere zorg en opvoeding alleen maar (zwaar) tegenvallen. In ieder geval zijn dit bekende aandachtspunten voor de Raad voor de Kinderbescherming. De instantie die onderzoek moet doen bij het probleem van Baby Donna (Trouw 25 mei). Een recent, duidelijk voorbeeld van multimedia kinderhandel.

We zijn immers in ons land en in België onlangs opgeschrikt door de, zoals de Belgische persmagistraat Merchiers dit betitelde, “mensonterende behandeling van een baby”. Een Belgische draagmoeder besloot voor een kinderloos Belgisch echtpaar via kunstmatige inseminatie een kind te krijgen. Zij vraagt geld voor haar “werk”. Vervolgens maakt ze de wensouders wijs dat ze een miskraam kreeg. Ondertussen benadert ze andere Belgen en biedt ze haar kind voor geld op internet aan. Waar een draagmoeder wordt ingeschakeld om een kind te verkrijgen, is de kans groot dat afspraken niet worden nagekomen. Bijna altijd zijn alle partijen en vooral het kind verliezers. Zo lang er, zoals in ons land, juridisch alleen maar geregeld is dat commercieel draagmoederschap, lees kinderhandel, verboden is, zal van mensonterende praktijken sprake zijn.

Drie maanden geleden kreeg een Nederlands echtpaar meteen na de geboorte Donna mee naar huis. Enkele jaren geleden verloren zij door medische onzorgvuldigheid hun kind bij de bevalling. Voor adoptie was de wensvader (toen 42) net twee weken te oud. Kunstmatige inseminatie, in vitro fertilisatie en andere technische hoogstandjes werden vele malen in drie landen geprobeerd. Alles tevergeefs. Wensmoeder gaat surfen op internet en komt het aanbod van de Belgische draagmoeder tegen. Ze worden het eens en er wordt een ruime onkostenvergoeding betaald.

Kan de multimedia kinderhandel niet strafbaar worden gesteld? Ik maak me geen illusie, dat het fenomeen daarmee zal ophouden te bestaan. Wel zal het een duidelijk signaal zijn naar wanhopig en verbeten naar een kind zoekende mensen; zal het eveneens het aantal draagmoeders enigszins beperken.

Er is hier sprake van een onjuiste wijze van plaatsing, het volledig negeren van adoptieprocedures en van kinderhandel. De door Nederland geratificeerde kinderwetten en het Haagse adoptieverdrag zijn met voeten getreden. Bij een dergelijke gang van zaken dient met spoed te worden opgetreden. Donna kan niet anders dan aan de Belgische Justitie worden overgedragen. Het kind is bij dit alles de grootste verliezer.

Het wordt hoog tijd dat er in Europees verband regelingen komen rond het draagmoederschap en een medische praktijk die allerlei uitwassen mogelijk maakt. En misschien kan in Nederland nog eens kritisch naar leeftijdsgrenzen van aspirant-adoptieouders worden gekeken?

 

René Hoksbergen

(Emeritus hoogleraar adoptie)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Trouw, 17 september
Baby Donna moet direct naar België

Dat er nog almaar geen beslissing over Baby Donna, nu 6½ maand oud, is genomen, laat zien dat “handelen in het belang van het kind” weer eens alleen fictie is. Het is een mooie kreet die vooral wordt geuit om bijvoorbeeld andere landen van goede bedoelingen en goede principes te overtuigen. Komt het er echter, zoals bij baby Donna, op aan, dan zijn allerlei juridische procedures en regels belangrijker, ook belangrijker dan internationale verdragen. En in ieder geval belangrijker dan concreet het belang van een kind. 

De Minister van Justitie durft in dit geval niet in te grijpen. Men durft niet het huis in Leusden binnen te stappen en het kind daar, desnoods met enige dwang, weg te halen.

Volgens het bureau Jeugdzorg in Utrecht maakt het Nederlandse echtpaar geen kans het kind definitief te behouden. Dat vraag ik me af. Want naarmate Donna langer bij het echtpaar is, wordt het steeds sterker psychisch beschadigd door een plotselinge scheiding van de verzorgers. Een kind hecht zich nu eenmaal aan eerste verzorgers. Dit hechtingsproces krijgt vanaf de  vijfde/zesde levensmaand steeds meer betekenis. Naarmate Donna langer bij het Nederlandse echtpaar blijft, zal ze meer negatieve gevolgen ondervinden van de scheiding. Voor de toekomstige ouders wordt het dan steeds moeilijker om negatieve gedragsgevolgen ongedaan te maken. Over negatieve gevolgen van dergelijke scheidingen van een baby/peuter/kleuter is veel bekend. Toekomstige adoptieouders worden daar tijdens hun verplichte voorbereidingscursus terecht op gewezen.

De advocaten van het echtpaar en het echtpaar zelf realiseren zich dit bijzonder goed. Hoewel ook hun duidelijk moet zijn dat het kind ten onrechte in Nederland is en volkomen ten onrechte door het Nederlandse echtpaar wordt verzorgd, zullen zij er alles aan doen om beslissingen uitgesteld te krijgen. Mede daarom weigeren zij DNA-onderzoek om te bepalen wie de biologische vader van het kind is.

De Nederlandse verzorgers hopen dat de Belgische draagmoeder 21 september formeel van het ouderlijk gezag wordt ontheven. Zij denken dan een adoptieprocedure volgens Nederlands recht te kunnen beginnen. Ondertussen heeft een Belgische rechtbank in Gent verklaard dat men zich onbevoegd achtte om een beslissing te forceren over de toekomst van het kind.

Deze hele kwestie maakt duidelijk dat illegale adoptie in Nederland en België goed mogelijk is. De baby Donna affaire is slechts het topje van de ijsberg. Toevallig doordat de media er lucht van kregen, is het algemeen bekend geworden.

Door de angst om een beslissing te nemen en daadwerkelijk het kind weg te halen, wordt grote schade aangebracht aan het kind. Van het dienen van “het belang van het kind” is geen sprake. Tegenover het buitenland maakt Nederland zich belachelijk. De adoptiewereld in het algemeen wordt geschaad.

Mensen die geen kinderen kunnen krijgen en door roeien en ruiten gaan om maar aan een kind te komen, weten wat hun te doen staat. Persoonlijk of via internet gaan zoeken naar een draagmoeder. Wanneer je daar niet al te veel ruchtbaarheid aan geeft en bij het aangeven van het kind te maken hebt met een weinig wakkere ambtenaar van de burgerlijke stand, dan kraait er geen haan naar. En hoe langer je het kind hebt verzorgd, hoe moeilijker men het zal vinden het bij je weg te halen.

Toch vergissen mensen, die op deze wijze een kind verwerven zich. Kinderen worden groot, gaan vragen stellen, voelen veelal dat er iets niet klopt. Dan komen de verwijten. Dan ontstaat misschien wel de definitieve verwijdering tussen die ouders en kind. De ervaringen in de adoptiewereld laten zien hoe belangrijk het is dat een mens vrede heeft over de wijze van verwekking en over adoptiemotieven. Geadopteerde kinderen willen bijna allemaal weten van wie ze afstammen, waarom ze op de wereld zijn gezet. Het geeft rust wanneer adoptieouders hen op een correcte manier hebben aangenomen en wanneer het afstaan volgens gebruikelijke procedures is verlopen. Het is natuurlijk heel naar voor een kind wanneer de biologische moeder om geldelijk gewin het kind geboren laat worden en afstaat. Voor de identiteit van die mens heeft dat schadelijke gevolgen, het doet het kind voor het leven pijn.

Het “belang van het kind” vraagt de Nederlandse overheid om dergelijke praktijken zo moeilijk mogelijk te maken. Laat ik een paar suggesties doen. Het aanbieden van kinderen via de media moet strafbaar worden gesteld. Het fenomeen draagmoeder, anders dan bij zusjes, moet worden verboden. En kinderen die niet, zoals na zorgvuldig onderzoek bleek, volgens de erkende juridische gang van zaken in een gezin zijn geplaatst, moeten binnen een week elders worden ondergebracht.

En baby Donna? In haar belang zou je wensen dat dit in België geboren kind zo spoedig mogelijk ter adoptie bij een geschikt Belgisch echtpaar wordt geplaatst en voor de rest van haar leven uit de media verdwijnt.

Alleen wanneer de Nederlandse overheid helder en daadkrachtig optreedt, worden illegale adoptiepraktijken ontmoedigd. Onmogelijk zullen ze helaas nooit zijn. Want de kindobsessie zal sommigen altijd verblinden en alleen maar aan het ta,ta,ta baby’tje doen denken. Daarbij is het toekomstige “belang van het kind” voor hen van geen enkel belang.

 

René Hoksbergen

(Emeritus hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

Cultures of transnational adoption – Boekbespreking

 

Toby Alice Volkman (2005). Cultures of Transnational Adoption. Durham : Duke University Press, 232 p.

 

Steeds meer verschijnen er in ieder geval in de Verenigde Stasten boeken waarin het fenomeen (buitenlandse) adoptie op een zakelijke, kritische wijze wordt besproken. Het hier te bespreken boekwerk is er zo een. Getracht is om de belangrijkste thema’s van adoptie van buitenlandse kinderen diepgaand te bespreken. In drie delen met in totaal 9 hoofdstukken van afzonderlijke auteurs lezen we de ervaringen met geadopteerde kinderen geboren in Chili, China, Korea, Brazilie en Roemenië. Ook komen biologische moeders en adoptieouders uitgebreid aan bod. Er is gebruik gemaakt van uitkomsten van onderzoek, persoonlijke ervaringen en in diverse landen verschenen literatuur over buitenlandse adoptie.

In hoofdstuk 2 “Going Home” worden de twee dominante thema’s in de wereld van interlandelijke adoptie uitgewerkt: het waarom van het afgestaan/verlaten zijn en het zoeken naar de roots, en daarmee naar de identiteit van geadopteerde.

Interessant is de informatie die in hoofdstuk 3 wordt gegeven over het Awareness Training  Program for Overseas Adopted Koreans. Het feit dat er ongeveer 150.000 Koreaanse kinderen ter adoptie in allerlei Westerse gezinnen zijn opgenomen, is aanleiding voor allerlei activiteiten voor en door deze groep geadopteerden. Ook in Nederland was de uit Korea afkomstige groep buitenlandse adoptiekinderen de eerste groep die zich door middel van hun organisatie Arierang wisten te organiseren.

Gegeven het grote aantal kinderen dat uit China komt, is het uitgebreide hoofdstuk 4 “Embodying Chinese culture” voor alle ouders van in China geboren kinderen van belang. Terecht wordt vastgesteld dat nog nooit zo’n groot aantal kinderen in zo korte tijd, en bijna allemaal meisjes, uit één land ter adoptie naar het buitenland verhuisde. Deze kinderen bevorderen in hoge mate de verbinding tussen China en de rest van de wereld. Het begint er al mee dat de ouders zelf het kind dienen te escorteren. Voor adoptieouders belangrijke aspecten van de Chinese cultuur worden kort besproken.

Ook het volgende hoofdstuk betreft China, maar dan de adoptie van Chinese kinderen door Chinese ouders in China zelf. Opnieuw wordt een verbinding gelegd tussen de cultuur en de wijze waarop adopties tot stand komen. Uitgebreid wordt verslag gedaan van onderzoek in China onder Chinese adoptieouders. Voor Westerse ouders van Chinese kinderen een must om te lezen en vervolgens later met hun in China geboren adoptiekinderen te bespreken.

Hoofdstuk 6 “Patterns of shared parenthood among the Brazilian poor” is, net zoals het vorige hoofdstuk voor ouders van Chinese adoptiekinderen, erg relevant voor ouders van in Brazilië geboren kinderen. Aan de hand van onderzoek komt de cultuur van de arme bevolking duidelijk in beeld en de manier waarop zij soms in familieverband de problemen van de zorg voor hun kind(eren) oplossen.

Een hoofdstuk over Roemeense adoptiekinderten mocht niet ontbreken.

De titel “Images of waiting children” geeft aan dat meer een algemene beschrijving van de achtergrond van veel adoptiekinderen is bedoeld. Literatuur wordt besproken en onderwerpen als hechtingsstoornis.

 

In een aantal hoofdstukken worden individuele voorbeelden gegeven ter illustratie van het te bespreken onderwerp.

Kortom,  adoptieouders, volwassen geadopteerden en hulpverleners zullen in dit gedegen samengestelde boek veel interessants vinden. Adoptieouders doen er goed aan een keuze te maken van de hoofdstukken die specifiek voor hen van belang zijn. Het inleidende hoofdstuk, het hoofdstuk over biologische ouders en het laatste hoofdstuk zijn voor allen van belang.

 

Terug naar de lijst

 

 

Lost Son? A bastard Child’s journey of hope, search, discovery and healing. - Boekbespreking

 

Lawrence P. Adams (2004). Lost Son? A bastard Child’s journey of hope, search, discovery, and healing. Baltimore: Publish America. 166 p. € 18,

 

In de Verenigde Staten verschijnen regelmatig biografieën van adoptiekinderen, van pleegkinderen echter veel minder. Dit boek is een voorbeeld van het laatste.

Lawrence is altijd pleegkind gebleven, hoewel zijn ouders hem graag hadden geadopteerd en de auteur heeft uitgezocht dat er in feite ook niets op tegen was geweest om tot adoptie te komen.

Het systeem van pleegzorg is in de VS anders dan in Nederland. Vroeger althans werd nog sterker benadrukt dat kind en pleegouders geen sterke band met elkaar mochten aangaan. Die emotionele band moest immers voorbehouden blijven aan de biologische ouders. Voor Lawrence blijkt het in menselijk opzicht catastrofaal te zijn geweest dat hij nooit een gezin zijn thuis kon noemen. De kwaliteit van zijn leven is hierdoor ernstig aangetast.

In dit boek beschrijft Lawrence op goed leesbare en beheerst emotionele wijze wat hem vanaf zijn geboorte is overkomen en zijn gevoelens daarbij. Hij verhuisde maar liefst vijftien maal van pleegezin naar pleegezin, naar tehuis, weer terug naar een pleeggezin, etc. Twee adressen karakteriseert hij als een thuis. Boeiend is dat het hierbij gaat om een gezin en een tehuis voor jongens ‘Boys Town’. Het waarom van dit thuisgevoel kan ons aan het denken zetten.

Als hij 36 is heeft hij eerst zijn biologische moeder en vervolgens zijn vader ontmoet. Hij beschrijft beide ontmoetingen en wat hier op volgt gedetailleerd.

Het was voor mij een aangrijpend verhaal dat ik geboeid en aan een stuk door heb uitgelezen.

Adoptie-ouders en volwassen geadopteerden zullen veel gedenkwaardigs aantreffen. Het intense verlangen om zich ergens thuis te voelen en de pijn die samengaat met het onvervuld blijven van deze wens, kan ter harte worden genomen.

Je zou dit boek ook een aanklacht kunnen noemen tegen de wijze van pleegzorg in de V.S.

René Hoksbergen

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

 

Met het vliegtuig geboren – Boekbespreking

Liesbeth Groenhuijsen (2005)

Vijf en twintig verhalen over adoptie. Voor adoptiekinderen en hun gezin. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

 

Buitenlandse adoptie raakt als nieuwe wijze van gezinsvorming langzaam maar zeker ingeburgerd. De successieve verschijning van diverse boeken vol met raadgevingen en adviezen aan adoptie-ouders en/of hun adoptiekinderen laat zien dat hiermee niets te veel is gezegd.

Het boek van Liesbeth Groenhuijsen is typisch een voorbeeld van een boek vol met verstandige raadgevingen. Het is op een goed leesbare en leuke, creatieve manier opgebouwd, met toepasselijke tekeningen en een gemakkelijk leesbare, ruimgeschreven tekst.

Adoptiekind Sinta uit een ver land, jong, maar verder van onbepaalde leeftijd, wordt in Nederland geadopteerd.

Elke fase van dit proces en de eerste tijd in het gezin worden op een voor jonge kinderen uitstekend leesbare manier beschreven. Het boek is vooral goed om als voorleesboek te gebruiken.

De diepere bedoeling van elk van de 25 verhalen, waarbij wordt afgesloten met een prachtig verhaal over het samenspelen van Koen (biologisch eigen kind in het gezin) en Sinta, wordt in de ‘handreiking voor ouders’ uitgelegd. Deze handreikingen getuigen van kennis over wat bij adoptie kan spelen en waarover adoptiekinderen zich hun gedachten en fantasieën ontwikkelen.

Sinta is een niet zich gestoord of extreem moeilijk gedragend adoptiemeisje. Wel geeft zij echter af en toe in haar gedrag blijk van het worstelen met ‘adoptieproblemen’.

Voor adoptie-ouders is het een boek dat hen goed zal kunnen helpen om allerlei moeilijke vragen van hun adoptiekind in verhaalvorm te beantwoorden. Daarbij is het een prachtig voorleesboek voor kinderen tot ca. acht jaar.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar)

 

 

 

 

 

“Met de meeste adoptiekinderen gaat het goed”

 

De Leidse hoogleraren Femmie Juffer en Rien van IJzendoorn hebben een omvangrijke meta-analyse verricht rond het effect van internationale adoptie op gedragsproblemen en aanmelding bij de hulpverlening.  Er is gebruik gemaakt van bijna 100 in- en interlandelijke adoptieonderzoeken, alle uitgevoerd tussen 1950 en 2005 in een vijftiental landen. Vergelijkingen werden gemaakt tussen drie groepen kinderen: interlandelijk, inlandelijk geadopteerde kinderen en niet-geadopteerde kinderen.

Over de twee belangrijkste conclusies van het in LAVA Contact en het in “American Medical Association”[1] verschenen artikel wil ik hierna wat meer zeggen.

 

A        De meeste interlandelijk geadopteerde kinderen zijn goed aangepast ofschoon zij aanzienlijk vaker gedragsproblemen hebben dan niet-geadopteerden, zij zijn over gerepresenteerd in instellingen voor geestelijke volksgezondheid.

 

B        In hun eigen land geadopteerde kinderen zouden vaker gedragsproblemen hebben en vaker professionele hulpverlening nodig hebben dan uit het buitenland geadopteerde kinderen.

 

De algemene teneur van het artikel is dat het met de meeste interlandelijk geadopteerde kinderen goed gaat.

 

A.                “Het gaat met de meeste adoptiekinderen goed”.

Zelf doe ik (sinds 1975) samen met collega’s waaronder Femmie Juffer, vanuit de Universiteit Utrecht onderzoek onder buitenlandse adoptiekinderen. Kinderpsychiater Frank Verhulst van het Sophia ziekenhuis, Rotterdam,  en anderen hebben eveneens belangwekkend adoptie-onderzoek gedaan. Uit de resultaten van al deze onderzoeken mogen we opmaken dat, gegeven de manier waarop dit is bepaald, het met de meeste adoptiekinderen goed gaat. Dit is dus bekend en de meta-analyse bevestigt dit. Het is een conclusie die iets lijkt te zeggen over een maatschappelijk fenomeen: buitenlandse adoptie. De individuele beleving door geadopteerde en/of hun ouders komt niet aan de orde.

Heeft het wel zin om aan de hand van dergelijk onderzoek, anno 2005, tot dergelijke algemene conclusies te komen? Wat voor betekenis moeten we hieraan hechten?

Zelf wordt ik al enkele decennia intensief geconfronteerd met geadopteerden uit vele landen die mijn advies of hulp vragen bij problemen waar zij mee worstelen. Het zijn mede geadopteerden die onder de noemer “aangepast” hoog positief scoren. De problemen waar zij mee worstelen verlagen echter de kwaliteit van hun leven. Denk aan fundamentele levensaspecten als:

de identiteit, de gevoelens van het anders zijn, er niet geheel bijhoren, eenzaamheid, iets te missen. Het is het zoeken naar die oer-herkenning en dat oer-begrip, zoals de 26 jaar geleden in Korea geboren Renée Claassen zo prachtig en openhartig schrijft in een over enkele maanden uit te komen boek.[2]

Het afgestaan zijn[3], de redenen daarvoor en vaak ook de effecten van verwaarlozing zijn onweerlegbaar essentiële aandachtspunten voor adoptieouders. Hoe daarmee om te gaan, zijn de relevante vragen voor adoptie-ouders, hulpverleners en uiteraard de geadopteerden zelf.

Bedoelde conclusie van de onderzoekers dient aangevuld en daarmee genuanceerd te worden met statements over genoemde psychologische facetten in het leven van geadopteerden. Daarmee zullen in ieder geval adoptie-ouders, die grote problemen in hun gezin ervaren en geadopteerden zelf, zich beter erkend weten.

 

B.                In hun eigen land geadopteerde kinderen zouden vaker gedragsproblemen hebben en vaker professionele hulpverlening nodig hebben dan uit het buitenland geadopteerde kinderen.

Anders dan wat de onderzoekers menen, hangt dit verschil m.i. samen met de oververtegenwoordiging van de door hen gebruikte studies uit de USA en Canada. Zij besteden daar geen aandacht aan. Van de aangehaalde artikelen over binnenlandse adoptiekinderen is 68% afkomstig uit USA/Canada (geen enkele uit Nederland!) en van de artikelen over buitenlandse adoptiekinderen slechts 26%.

De Amerikaanse adoptie-onderzoekster Warren concludeerde begin jaren negentig dat Amerikaanse adoptie-ouders sneller beroep doen op professionele hulpverlening dan andere Amerikaanse ouders. Amerikaanse en Canadese ouders stappen daarmee waarschijnlijk gemakkelijker naar de hulpverlening dan Europese ouders. En dit betreft in een veel groter aantal gevallen inlandelijke adopties.

Juffer en Van IJzendoorn geven echter als hypothetische verklaringen voor het, het geringere aantal problemen bij interlandelijke adopties, vergeleken met inlandelijke adopties:

 “de betere zichtbaarheid van de adoptiestatus door het verschil in uiterlijk bij buitenlandse adoptiekinderen” en

“binnenlandse adoptiekinderen hebben vaker moeders verslaafd aan drugs of alcohol”.

Wat betreft de “betere zichtbaarheid” zou ik willen opmerken dat alle adoptiekinderen hun “afgestaan zijn” moeten verwerken. Bij buitenlandse adoptiekinderen kan het uiterlijke verschil juist bij hen tot veel irritaties leiden. Het is altijd zo overduidelijk “ik ben geadopteerd”. Daarnaast maken buitenstaanders nogal eens vervelende opmerkingen in de trant van “bevalt het je hier wel” of “wat spreek je goed Nederlands”, terwijl zij zich nu juist voor het belangrijkste deel Nederlands voelen. Zouden binnenlands geadopteerden in de USA (veruit de grootste groep) vaker pas op wat latere leeftijd begrijpen dat ze geadopteerd zijn, zoals de onderzoekers opmerken? Ook in de USA is openheid over de adoptiestatus verplicht en is nu juist open adoptie, waarbij de biologische ouders contact houden met het adoptiegezin, sterk in opkomst.

Waar de veronderstelling dat moeders van binnenlandse adoptiekinderen vaker verslaafd zouden zijn aan alcohol of drugs vandaan komt, wordt niet nader toegelicht. Bij moeders van buitenlandse adoptiekinderen, waarvan een deel uit Oost-Europese landen komt, kan dat evenzeer worden verondersteld. Mij is in dit verband geen vergelijkende studie bekend.

De onderzoekers merken vervolgens terecht op, dat niet alleen de genen er toe doen maar ook de opvoeding. De inzet en aanpak van adoptie-ouders is inderdaad van groot belang voor de kansen van hun kinderen. Huidig onderzoek van de Universiteit Utrecht onder Roemeense adoptiekinderen laat zien hoezeer het merendeel van als baby, peuter of kleuter zwaar verwaarloosde kinderen, zich ogenschijnlijk blijkt te herstellen.

Echter, allereerst blijven bij een substantieel deel van deze kinderen negatieve gevolgen zichtbaar. De Engelse kinderpsychiater Rutter noemt ter mogelijke verklaring daarvan de genetische afkomst van de kinderen. Ook benadrukt hij dat hoe langer een kind in een slecht verzorgend kindertehuis heeft gezeten, des te groter de kans is op gedragsstoornissen. Het heel algemeen concluderen, zoals Juffer en Van IJzendoorn doen, dat de leeftijd bij plaatsing er niet toe doet, kan gemakkelijk leiden tot een bij adoptie-ouders te optimistisch verwachtingspatroon inzake het gedrag van hun op oudere leeftijd geadopteerde kind.

Ten tweede kunnen we pas echt een oordeel over deze Roemeense adoptiekinderen hebben als zij zo’n jaar of dertig zijn en zij kunnen komen tot een volwassen reflectie op hun verleden en afkomst.

Een goed oordeel over het wel en wee van interlandelijk geadopteerden op de langere termijn kan niet op grond van deze meta-analyse worden geveld. De meta-analyse betreft namelijk uitsluitend geadopteerden tot 18 jaar oud.

Naar mijn mening is daarvoor een studie nodig waarbij een representatieve groep van geadopteerden van dertig jaar en ouder, die tot een afgewogen oordeel over hun adoptie kunnen zijn gekomen, intensief vergelijkenderwijze wordt onderzocht.

 

Tot slot

Wat bij deze en andere grote studies over buitenlandse adoptie altijd weer opvalt is de geruststellende conclusie “ dat het met het merendeel van de geadopteerden goed gaat”. “Gelukkig wel” zou je mogen zeggen voor zowel geadopteerden als hun ouders. Maar ik herhaal, dit mag ons niet de ogen doen sluiten voor de specifieke problemen waarmee geadopteerden in verschillende stadia van hun leven worstelen.

Al heel lang woedt bijvoorbeeld een felle discussie over de noodzaak van bijzondere nazorg voor adoptiegezinnen. Bedoelde nazorg zou als resultaat kunnen hebben dat in minder adoptiegezinnen zodanig grote problemen ontstaan, dat (vaak langdurig) van professionele hulp gebruik moet worden gemaakt.

Een verminderde aandacht voor nazorg zal niet bedoeld zijn door deze onderzoekers.

 

 René A.C. Hoksbergen

(em. hoogleraar Adoptie)

 

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Donorkind

NRC Trefpunt 16-01-‘06

 

De laatste jaren komt de technologie van de moderne voortplanting regelmatig in het nieuws. Steeds meer aandacht komt er voor de gevolgen voor zo geboren kinderen. Nieuwe ontwikkelingen doen eveneens nieuwe vragen rijzen. Zo is het per 1 juni 2004 eindelijk mogelijk dat kinderen verwekt via Kunstmatige Inseminatie met gebruik van Donor (KID), of met gebruik van donoreicel, achterhalen wie hun biologische vader of moeder is. Hebben zij de leeftijd van zestien jaar bereikt dan kunnen zij de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (www.minvws.nl) benaderen om persoonsgegevens, waaronder naam en adres, van de donor te verkrijgen. Ook al zou een donor bezwaar hebben, het belang van het kind – te weten van wie je afstamt – staat centraal. Deze nieuwe wet is in lijn met het Universele Verdrag inzake de Rechten van de Mens (1948) en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties(1989). In 1994 bepaalde de Hoge Raad dat kennis van afkomst een grondrecht is (Instellingen voor ongehuwde moeders dienden de identiteit van de vader prijs te geven).

Al sinds 1950 worden er kinderen verwekt met behulp van kunstmatige inseminatie. Tot 1974 ongeveer duizend in totaal, daarna neemt hun aantal snel toe. Hoewel precieze cijfers ontbreken staat de schatting, dat er tot 1 juni 2004, 35.000 KID-kinderen geboren zijn, waarschijnlijk niet ver af van de werkelijkheid.

Voor deze grote groep kinderen geldt het vanzelfsprekende recht te weten van wie je afstamt, niet. KID-uitvoerende gynaecologen hadden immers anonimiteit aan de donoren gegarandeerd en tot voor enkele jaren de ouders geheimhouding aan hun kind geadviseerd. Zij veronderstelden dat de donor, vaak een jonge student, altijd anoniem zou willen blijven en dat geheimhouding eveneens het belang van de onvruchtbare ouder diende. Het belang van het KID-kind om later zowel vanwege medische als psychologische redenen te willen weten van wie men afstamt, werd genegeerd.

Het is betreurenswaardig dat een praktijk met zulke grote sociaal-emotionele aspecten het monopolie van artsen was. Natuurlijk was het bezijden de werkelijkheid te denken dat deze geheimhouding mogelijk was. Bij de BOM-moeders natuurlijk al helemaal niet en bij de andere ouders vaak ook niet. In boosheid, bij scheidingen, door derden kan het geheim op tafel komen. En los daarvan: vaak wordt er door het kind gevoeld dat er iets niet klopt. Getuigenissen hiervan, particulier en in de media, zijn er vele. Zo meldde de NRC (3-11-2005) dat een 15-jarige Britse jongen via internet en DNA-onderzoek zijn donorvader had weten te traceren. In de Britse bladen was aan deze speurtocht uitgebreid aandacht besteed. De veronderstelling dat donoren absoluut anoniem zouden willen blijven, blijkt eveneens onjuist.

De eerste groep van bovengenoemde 35.000 KID-kinderen, de BOM-kinderen, melden zich nu bij tientallen bij Spoorloos voor hulp bij het traceren van hun vader.  Vaak bestaat bij hen boosheid, dat hun moeder hen bewust een vader heeft onthouden. Ook een vijftiental donoren hebben zich bij Spoorloos gemeld.

Er bestaat sinds begin deze maand een tweede hulpmogelijkheid voor KID-kinderen: het Trefpunt Donorkind, opgericht door enkele donorkinderen en donoren. Deze stichting roept KID-kinderen en donoren op zich te laten registreren (www.donorkind.nl). Dan vergelijken medewerkers van het Trefpunt gegevens van donor en donorkind in een database met elkaar. In die paar weken dat het Trefpunt bestaat hebben zich al 60 donorkinderen en 16 donoren gemeld.

Wat kunnen we nu uit deze ontwikkelingen concluderen? Allereerst dat donor-kinderen zich bij tientallen en afhankelijk van het succes van het Trefpunt, straks bij honderden melden om te weten van wie zij afstammen; dat veel donoren bereidheid tot openheid tonen en een aantal van hen zelfs actief de donorkinderen wil meehelpen met zoeken.

Bij deze laatste constatering komen opnieuw de klinieken die KID voor de groep van 35.000 hebben uitgevoerd in beeld. Soms bezitten zij donorpaspoorten of in ieder geval gegevens over de donoren. Zou het niet in de ontwikkeling van de tijd passen wanneer deze klinieken op een positief-stimulerende wijze al hun donoren zouden benaderen met het verzoek mee te werken om openheid te verkrijgen? Dat met hun hulp geboren kinderen toch blijken te zitten met fundamentele vragen over hun identiteit: de vraag wie ze zijn, op wie ze lijken e.d. Natuurlijk dient het werk van de klinieken en Trefpunt met voorzichtigheid te geschieden. Veel donoren zullen gezinnen met kinderen hebben. Een aantal van hen zal misschien zelfs nooit met hun vrouw over hun donor-zijn hebben gesproken. Samenwerking met bovengenoemde Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting ligt mogelijk voor de hand.

Wanneer de klinieken, Trefpunt, de Stichting en andere betrokken artsen en organisaties samenwerken zal dit ten goede komen aan veel donorkinderen en hun donoren. Daarmee wordt ook voor de “oude” KID-kinderen het Universele Recht van de mens om te weten van wie hij afstamt serieus genomen.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar)

J.J.V. Sondij,

(vice-voorzitter Trefpunt Donorkind)

 

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Bijzondere nazorg voor adoptiegezinnen hard nodig

Brief aan de Tweede Kamer, 22 januari 2006

 

Enkele Kamerleden hebben tijdens het  algemeen overleg van 18 april 20006 Minister Donner vragen gesteld over de behoefte aan en organisatie van nazorg voor adoptiegezinnen. Hierbij een notitie mijnerzijds over dit onderwerp.

 

Al enkele decennia bepleiten velen in artikelen, boeken en de media de noodzakelijkheid van bijzondere nazorg voor adoptiegezinnen. Zoals in een vijftal artikelen dit voorjaar in Trouw. Het eerste bericht in Trouw van 31-3-2005 jl: ‘Nazorg adoptie-ouders pakt goed uit’. slaat op een geslaagd initiatief van enkele Deense adoptie-ouders. Deze stelden vast dat alle accent op goedkeuring en voorbereiding van de adoptie-ouders ligt, terwijl pas na plaatsing van het adoptiekind het ingewikkelde opvoedingswerk begint.

In ons land is het niet anders. De zorg voor onze adoptiegezinnen houdt op bij de voordeur. Alle aspirant-adoptie-ouders zijn sinds 1990 verplicht een voorbereidingscursus van zes zittingen te volgen. Zodra het kind over de drempel stapt houdt begeleiding echter op. Vreemd, want het is bekend dat opvoeden van een (zwaar) verwaarloosd kind, met allerlei gedragsproblemen en toekomstige gedragsstoornissen, professionele ondersteuning vereist. Maar die ontbreekt.

 

Cijfers en feiten

Sinds 1970 en tot en met 2005 zijn er 33.000 kinderen uit het buitenland geadopteerd. Elk jaar komen daar 1200 tot 1400 kinderen bij. Adoptie-ouders zijn gemiddeld acht jaar ouder dan andere ouders bij de komst van hun eerste kind en veelal tussen de 35 en 45 jaar oud. Ongeveer 90% van hen is ongewenst kinderloos en ongeveer de helft probeerde vergeefs IVF of KID. Hun kinderwens en hun latere betrokkenheid bij en inzet voor de zorg en opvoeding van hun kinderen zijn groot.  

In Nederland en elders is veel onderzoek in buitenlandse adoptiegezinnen verricht. We realiseren ons daardoor beter dat het adoptiekind altijd de plotselinge verandering in zijn levensomstandigheden na de (traumatische) scheiding van de moeder moet verwerken. Een scheiding die de Amerikaanse therapeute en adoptiemoeder Nancy Verrier (2003) als een basisverwonding in het bestaan kenmerkt.

Bij veel kinderen doen zich (ernstige) gedragsproblemen voor, meteen na aankomst en in volgende leeftijdsfasen, de puberteit en jong volwassenheid. De omvang en intensiteit van de gedrags- en opvoedingsproblemen is vergeleken met andere Nederlandse kinderen veel groter. Stams (1998) heeft in zijn studie van 146 adoptiekinderen uit Sri-Lanka, Zuid-Korea en Colombia, dan zeven jaar oud, allen geplaatst vóór de leeftijd van 6 maanden, gevonden dat 30% binnen het klinische gebied van de Child Behavior Check List (CBCL) scoorde. Normaal is sprake van 10%. Een opvallende uitkomst omdat deze kinderen volgens eerder onderzoek op de leeftijd van 18 maanden, voor het merendeel (84%) veilig gehecht aan de moeder zouden zijn.

De CBCL is een in de V.S. samengestelde en voor Nederlands gebruik aangepaste vragenlijst, teneinde een gestandaardiseerde beschrijving te geven van probleemgedrag bij kinderen van 4 tot 18 jaar. De ouders vullen deze lijst in.

Een vergelijkende Zweedse studie is het meest omvangrijke tot nu toe gedane onderzoek onder buitenlandse adoptiekinderen. In totaal werden 4336 jongens en 6984 meisjes onderzocht, allen tussen 1970 en 1979 geboren. Zij werden vergeleken met drie groepen: eventuele andere kinderen in het gezin, de algemene bevolking, en immigranten. Van de adoptiekinderen werd 74% op de leeftijd van 0-1 jaar geplaatst.

Resultaten: Zweedse adoptiekinderen hebben een 3,6 keer grotere kans om suïcide te plegen dan de algemene bevolking. Problemen met de geestelijke gezondheid ligt bij de adoptiekinderen een factor drie tot vier hoger dan bij de andere kinderen in het gezin.

Ook t.o.v. de groep immigranten, waarvan de kinderen bij de komst in Zweden gemiddeld veel ouder waren, scoort de adoptiegroep negatiever. Drugsverslaving komt bij geadopteerden vijf keer vaker voor en de criminaliteitsratio ligt twee tot drie keer hoger dan bij andere Zweedse kinderen in dezelfde sociaal-economische milieus.

In de meta-analyse[4] van Juffer en Van IJzendoorn (2005) concluderen de onderzoekers dat vergeleken met niet-geadopteerden, buitenlandse adoptiekinderen oververtegenwoordigd zijn in instellingen voor psychologische hulpverlening.

 

Aard van de psychosociale problematiek

Aan de hand van meer algemeen gerichte studies verkrijgen wij enige indicatie van de aard van de psychosociale problematiek van nog betrekkelijk jonge geadopteerden.

Verhulst en Versluis-den Bieman (1989:76)5 vroegen de ouders van de door hen onderzochte 2148 adoptiekinderen naar de belangrijkste reden van aanmelding bij een hulpverleningsinstelling. De drie belangrijkste zijn: concentratie/leerproblemen (32%), agressief/hyperactief gedrag (30%) en contactstoornissen (12%).

Zowel in deze studie als in de door Versluis-den Bieman verrichte vervolgstudie onder 13-17 jarige adoptiekinderen bleek dat ongeveer driemaal meer adoptiekinderen dan andere Nederlandse kinderen gebruik moeten maken van speciaal onderwijs.

Hoksbergen en de medewerkers van het Roemenië project verrichtten longitudinaal onderzoek onder 80 Roemeense adoptiekinderen.

Een derde deel volgt Speciaal Onderwijs. Ruim eenderde deel van de 80 kinderen scoort volgens de CBCL in de Klinische groep. Voor hen wordt professionele hulp aangeraden. Tussen jongens en meisjes bestaan geen grote verschillen. Kinderen, bij aankomst twee jaar en ouder, vertonen significant problematischer gedrag dan jongere kinderen. Het gaat vooral om externaliserende gedragsproblematiek - agressief of delinquent gedrag - aandachts- sociale en denkproblemen.

Veel kinderen vertonen twee of meer specifiek te diagnosticeren gedragsproblemen.

 

Bestaande nazorg

Na de plaatsing van het kind bestaat er een formele verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie om gedurende het eerste jaar voor begeleiding te zorgen. De zes erkende bemiddelaars worden geacht deze begeleiding uit te voeren. Tot nu toe geschiedt er door twee grote organisaties enige vorm van nazorg, vrijwel geheel door vrijwilligers. Van structurele nazorg is geen sprak, er bestaan geen formele kwaliteitseisen.

De adoptie-ouders van een kind van vier jaar of jonger kunnen op eigen initiatief gebruik maken van de consultatiebureaus. Door het beperkte aantal geplaatste kinderen, verspreid over het gehele land, hebben de consultatiebureaus geen mogelijkheid om een adoptie-specialisme te ontwikkelen. Van gerichte primaire preventie is dan ook geen sprake.

 

Organisatie gestructureerde nazorg

Gegeven de complexiteit van de psychosociale problematiek in adoptiegezinnen wordt vanuit de adoptiewereld en door ondergetekende al jaren gepleit voor het organiseren van gestructureerde en adoptiegespecialiseerde nazorg. Dit is nazorg die meteen na plaatsing van het kind voor de ouders beschikbaar is. Het gaat hierbij niet om een verplichting tot nazorg, maar om de vanzelfsprekendheid van het gebruik kunnen maken van beschikbare en deskundige nazorg. Vanzelfsprekend dient het te zijn, dat korte tijd na plaatsing en gedurende een periode van ongeveer één jaar de ‘adoptiewijkzuster’ het gezin bezoekt. Deze persoon kent de aanpassingsproblemen van adoptiekinderen, kent ook het bijzondere karakter van het adoptie-ouderschap en zij/hij kan effectieve adviezen geven. Bij bijzondere problemen kan deze adoptiedeskundige naar ter zake kundige specialisten verwijzen. Ik veronderstel dat voor ongeveer de helft van de geplaatste kinderen direct na plaatsing in het gezin en in de jeugdperiode enige vorm van psychosociale zorg nodig zal zijn.

In mijn openbare college Adoptie: een levenslang dilemma (2000) pleitte ik ervoor de voorbereiding en nazorg voor pleeg- en adoptiegezinnen onder te brengen in de “Stichting Integrale Begeleiding Adoptie en Pleegzorg”. Een stichting die de nu al her en der bestaande deskundigheid bundelt. Nodig is een kennis- en hulpverleningscentrum waar kinder- psychiatrische/psychologische/pedagogische kennis, zonder wachtlijst problematiek bij crisissituaties, voor adoptie- en pleeggezinnen beschikbaar is.  Hierbij dient ook bedacht te worden dat geadopteerden in de volwassenheid, bij het zelf vormen van een gezin, opnieuw met bijzondere levensvragen worden geconfronteerd.

 

Financiering

Financiering kan gemakkelijk tot stand komen. Jaarlijks worden er gemiddeld zo’n 1300 adoptiekinderen in gezinnen geplaatst. De kosten van de hele adoptieprocedure bedragen tien tot vijftienduizend euro. Met een verhoging van bijvoorbeeld 500 euro per bemiddeling zou het kennis- en hulpverleningscentrum kunnen worden gestart. Wanneer tevens kritisch naar de hoge kosten van de VIA-cursus wordt gekeken (900 eur.) zal het de adoptie-ouders niet eens veel extra hoeven te kosten

 

Adoptie-ouders zijn geselecteerd op hun geschiktheid voor deze vorm van ouderschap. Zij worden er goed op voorbereid. De kinderen die zij krijgen vragen in verschillende fasen van hun ontwikkeling veel en bijzondere aandacht. Dit kan door specifieke nazorg beschikbaar te stellen. Het zal de (latere) ontsporing van sommige buitenlandse adoptiekinderen tegengaan. Van meer van hen zal de kwaliteit van leven in onze samenleving hoger zijn.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

Literatuur

Hjern A., Lindblad F., Vinnerljung, B. (2002). Suicide, psychiatric illness, and social maladjustment in intercountry adoptees in Sweden: a cohort study. The Lancet, 360, 443-448.

René Hoksbergen en de medewerkers van het Roemenië project. (2002). Effecten van verwaarlozing. Utrecht, Universiteit Utrecht, afdeling Adoptie.

Hoksbergen, R.A.C. en Walenkamp, H. (2000). Adoptie een levenslang dilemma.Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Hoksbergen, René. (2000). Adoptie een levenslang dilemma? Utrecht: Universiteit Utrecht.

Femmie Juffer en Marinus H. van IJzendoorn (2005). Behavior Problems and Mental Health Referrals of International Adoptees. A meta-analysis. Journal American Medical Association, vo. 293 nr 20, 2501-2515.

Rutter, M., Andersen-Wood, L., Beckett, C., Bredenkamp, D., Castle, J., Groothues, C., Kreppner, J., Keaveney, L., Lord, C., O’Connor, T.G. & the English and Romanian Adoptees (ERA) Study Team (1999). Quasi-autistic Patterns Following Severe Early Global privation. Journal Child Psychology Psychiatry, 40, 4, 537-549.

Stams, G.J. (1998). Give me a child until he is seven. A longitudinal study of adopted children, followed from infancy to middle childhood. Utrecht: Universiteit, dissertatie.

Verhulst, F.C. & Versluis-den Bieman, H.J.M. (1989).  Buitenlandse adoptiekinderen: vaardigheden en probleemgedrag. Assen: Van Gorcum.

Versluis-den Bieman, H. (1994). Interlandelijk geadopteerden in de adolescentie. Vervolgonderzoek naar gedragsproblemen en vaardigheden. Rotterdam: dissertatie.

Verrier, N.N.  (2003). Afgestaan, begrip voor het geadopteerden kind. Amsterdam: Ambo/Anthos.

Terug naar de lijst

 

 

 

Hanne Rots (2004). Jij mág niet lief zijn. Beschadigd voor het leven. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 60 p.

 

Mensen, niet zelf in staat  hun kinderen lief te hebben, op te voeden maar ze wel gemakkelijk kunnen krijgen en lange tijd verwaarlozen en misbruiken zijn de zogenaamde ouders van Melanie. Op vierjarige leeftijd komt Melanie voor het eerst bij pleegouders. Verbijsterend openhartig, terzake en eenvoudig beschrijft pleegmoeder Hanne hoe het Melanie tot haar achttiende jaar in haar gezin met vier eigen kinderen is vergaan.

Melanie is als kind heel bang, wanhopig op zoek naar structuur en veiligheid, en gedraagt zich buiten haar gezin soms zo anders als ‘thuis’. Innerlijke structuur bij dit licht verstandelijk gehandicapte meisje ontbreekt. Slechts medicijnen met als bijwerking dat ze er sloom en dik van wordt, maken het mogelijk dat ze in een opvangtehuis kan verblijven. In de weekenden is ze in haar pleeggezin. Groei in haar ontwikkeling blijkt ondanks alles mogelijk. Van een school voor zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk) verhuist ze naar een mlk-school.

Vanaf de geboorte van Melanie kreeg het oorspronkelijke gezin al enige professionele begeleiding, maar pas zes jaar later worden de mensen eindelijk uit de ouderlijke macht ontzet. Het voorkomt niet dat de betreffende ‘vader’ door kan gaan met het op de wereld zetten van kinderen, in totaal tien. Alle vier de kinderen uit zijn tweede huwelijk zijn uit huis geplaatst.

Het boek geeft te denken over de aanpak of gebrek aan aanpak van sommige hulpverleners, de macht van biologische ouders over hun kinderen en de grote inzet van weer anderen. Inzet voor een kind dat toevallig op hun levensweg is gekomen.

Het boek is spannend om te lezen en heeft voor adoptie- en pleegouders heel herkenbare momenten. Voor hulpverleners zie ik het als verplichte literatuur.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Machteld de Jong, Corine Schuil, Marieke Anthonisse en Helma Coolman (2006). Mijn kleinkind uit een ver land. Ervaringen van grootouders van adoptiekinderen. Zwolle: Sirene.

Met een voorwoord van Prof. Dr. F. Juffer. ISBN 90 5831 391 3, 190 p.

 

Terecht merken de schrijvers op dat publicaties speciaal voor grootouders van adoptiekinderen in Nederland ontbreken. Om deze leemte op te vullen is dit boek geschreven. Een helder en goed leesbaar product is het resultaat. Juffer begin met een sympathiek en toepasselijk voorwoord, waarin iets over wetenschappelijk onderzoek over grootouders wordt gezegd. Het boek bestaat verder uit twee inhoudelijke delen en een beperkte literatuurlijst en heel handig overzicht van adoptie gerichte websites.

In het eerste deel ‘Adopteren’ wordt iets gezegd over de plaats van grootouders in de beginfase van de adoptie en wordt vervolgens de adoptieprocedure in Nederland, ook die voor zelfdoeners – dit laatste zul je niet in veel boeken vinden – en de adoptieprocedure in België weergegeven. Interessant is dat in België een cursus voor adoptiegrootouders bestaat.

Het tweede deel: ‘Ervaringen van grootouders van adoptiekinderen’ vormt de kern van het boek. Auteurs zijn bij allerlei families – ook drie in Vlaanderen - op bezoek geweest en hebben de persoonlijke ervaringen tot 18 goed leesbare verhalen gemaakt. Boeiend is de grote verscheidenheid in de families. Het zijn grootouders met adoptie- en eigen kinderen die vervolgens kleinkinderen krijgen, grootouders met alleen eigen kinderen die vervolgens kinderen adopteren, grootouders met adoptie- en pleegkinderen e.a. De foto’s die iets weergeven van al die families, passen uitstekend in het geheel.

Bij de meeste verhalen wordt nogal wat aandacht besteed aan de procedure en de eerste reacties van ouders en grootouders bij de adoptieplannen en vervolgens de komst van het kind. Het gaat in vrijwel alle gevallen om adoptiekinderen die nog niet zo lang in de gezinnen zijn, of zelfs nog moeten komen. Aan elke familie wordt maar kort aandacht besteed en vaak vrijwel evenveel aandacht aan de ouders als aan de grootouders.

Het boek kan als een eerste boek over adoptiegrootouders worden beschouwd, grappig om te lezen en hier en daar informatief. Tegelijk is het nog betrekkelijk oppervlakkig.

Mij bekroop het verlangen om eens een grondig onderzoek te doen vanuit een doordacht aantal vragen, waarbij vooral grootouders met oudere kleinkinderen worden bevraagd. Ingegaan dient te worden op factoren vanuit de grootouders die bevorderend of juist niet, werken op de ontwikkeling van het adoptiekleinkind. Hierbij realiseer ik me natuurlijk wel het feit dat dan nogal wat grootouders door de vergrote sterftekans zullen ontbreken. Tevens zou gekeken kunnen worden naar de plaats van adoptiekinderen in het grotere geheel van de familie en factoren die de kleur van die plaats bepalen.

Dit onderzoek om te bevorderen dat adoptiekinderen zich in de familie beter thuis voelen. Het bedoelde volgende boek zal het dus niet aan adviezen voor ouders en grootouders ontbreken.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Ruth Willems (2006). Vragen over adoptie. Anamneselijst voor hulpverleners. Amsterdam: SWP, 62 p.

 

Ruth Willems heeft aan de hand van haar ervaringsdeskundigheid (zij is geadopteerd, geboren in Korea), haar universitaire – ze is psychologe – en praktische ervaring, werkzaam zijnde bij de Raad voor de Kinderbescherming, deze praktische handleiding geschreven.

Het boek is buitengewoon praktisch opgebouwd. Ze begint met het weergeven van de 12 items van de vragenlijst en komt vervolgens in 12 korte hoofdstukken met een toelichting.

Wel schrijft ze dat haar anamneselijst bedoeld is voor hulpverleners, maar adoptieouders zullen er ook heel veel aan hebben. De wijze waarop Ruth bij elk item tot toelichting en verdere uitwerking komt, laat zien dat zij zich eveneens richt op de adoptieouders.

In kort bestek heeft zij de kernelementen van het adoptieproces besproken. Motieven van ouders, de adoptieprocedure, voorkeuren voor het kind, achtergrond van het kind….. tot en met de ontwikkeling van het adoptiekind.

Het is een helder, goed geschreven verhaal, zeker zinnig voor hulpverleners en kaderleden van adoptieorganisaties om meer over adoptie en adoptiegezinnen te weten te komen. Voor adoptieouders is het eveneens nuttig om te lezen, door de tekst heen staan allerlei adviezen.

Ik heb de volgende kanttekeningen die hopelijk in een 2e druk verwerkt kunnen worden.

-                     Meer aandacht voor de biologisch eigen kinderen van adoptieouders. Soms worden

deze, door de vele aandacht die het adoptiekind vraagt, regelrecht emotioneel verwaarloosd. Deze kans is groter wanneer het om oudere adoptiekinderen gaat die in een slechte lichamelijke en geestelijke toestand worden geplaatst. En het reeds aanwezige biologisch eigen kind de neiging heeft reacties niet te uiten en maar door te hobbelen, want ouders zijn toch zo druk. Later kan er dan een sterke negatieve reactie t.o.v. de adoptie en de ouders, van deze kinderen (dan misschien reeds 30 of 40 jaar) verwacht worden (p.14 en 20).

-                     Ouders die geen kinderen konden krijgen vormden altijd de grootste groep adoptieouders. Alleen in  de tweede helft van de jaren zeventig adopteerden relatief wat meer ouders met eigen geboren kinderen (p.16).

-                     China is een duidelijker land waar vrijwel alleen meisjes vandaan komen dan India en daarbij is het aantal adopties uit China veel groter (20).

-                     Uit Roemenië komen al sinds 2002 geen kinderen meer (21), laat dat land maar als voorbeeld weg.

-                     Een adoptiekind kan ook slecht in een gezin passen, los van de verwachtingen van de ouders (22).

-                     “brokkelt er wat af van het vertrouwen dat het kind in de wereld heeft”. Laten we ons realiseren dat sommige (sterk verwaarloosde kinderen) kinderen helemaal geen vertrouwen in de wereld hebben kunnen opbouwen, zeg maar vanaf ongeveer 0 moeten beginnen (23).

-                     Benadruk bij de ouders dat ze alles bewaren dat het kind bij zich heeft (25).

-                     Bij het meereizen kan meer gezegd worden over het belang (of juist niet) dat andere kinderen hebben om mee te reizen. De risico’s die er zijn voor een thuisgebleven kind als de ouders onverwachts veel langer weg moeten blijven (26).

-                     Hotelgedrag is het aangepaste gedrag van een ouder adoptiekind gedurende de eerste weken/maanden soms zelfs jaren na aankomst. Pas als een kind zich echt thuis gaat voelen, wordt dit gedrag minder (27).

-                     De bespreking van de bestaande nazorg in Nederland kan beter weggelaten worden of naar de realiteit weergegeven. Immers adoptieouders en adoptiekinderen hebben geen gestructureerde nazorg. Nazorg vanaf het moment van plaatsing van het kind tot en met begeleiding van geadopteerde die bijvoorbeeld op rootsreis gaat(29).

-                     Rond de ziekenhuisopname van een kind kan geadviseerd worden om dit direct na plaatsing van het kind te doen (dan heeft het zich nog niet gehecht aan de adoptieouders) of anderszins pas enkele jaren later. Natuurlijk indien mogelijk (30).

-                     Adoptiekinderen die moeder worden kunnen hun boosheid zelfs projecteren op een eigen geboren kind, als dit ook een meisje is (32).

-                     Het is niet zo dat kinderen uit interraciale adoptie minder problemen hebben dan kinderen uit binnenlandse adopties. Deze herhaling van de onjuiste conclusie uit onderzoeksgegevens kan beter weggelaten worden (33).

-                     Kinderen voor wie adoptie verzwegen werd, voelen zich niet alleen ‘verraden’ maar ook belogen door hun ouders, waardoor het vertouwen in deze ouders ernstig wordt aangetast (33).

-                     De lengte van adoptiekinderen is zowel voor meisjes en meer nog voor jongens een probleem. Ten onrechte wordt er uitsluitend aandacht aan de relatie vroege puberteit van meisjes en groeibeperking besteed (36).

-                     Juist de lichamelijke gezondheid blijkt zich bij de meeste kinderen goed te herstellen. Echter de relatie lichamelijke gezondheid bij aankomst en latere psycho-sociale problemen is sterk. Hieraan kan meer aandacht worden gegeven (36).

-                     Er wordt een korte opmerking gemaakt over de moeilijkheid van een juist diagnosticeren en één voorbeeld gegeven. Dit dient veel beter te worden uitgewerkt, bijvoorbeeld met aandacht voor diagnoses in het autistisch spectrum (38).

Niet een minderheid gaat op zoek naar de biologische ouders, maar een meerderheid op enigerlei wijze (45). Zie o.a. onderzoek van Hester Storsbergen (1995, 2005) (45



Terug naar de lijst

 

 

 

Karin van Hoorn (2006). Levensboek van een adoptiekind. Praktische handleiding voor ouders en kinderen. Soest: De kleine lotus, 127p. www.dekleinelotus.nl  € 14.95

 

Hoezeer gezinsvorming via het adopteren van een of meer kinderen in onze samenleving aandacht krijgt, blijkt wel uit de grote hoeveelheid literatuur die hier de laatste jaren over verschijnt. De boeken en artikelen hebben vergeleken met de literatuur uit de jaren zeventig en tachtig ook een steeds praktischer inhoud. Stond aanvankelijk vooral het juridische en beleidsmatige in allerlei geschriften centraal, daarna het psychosociaal problematische van adoptie, momenteel verschijnen eveneens steeds meer praktische handleidingen. Handleidingen waar adoptieouders en adoptiekinderen wat aan hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan het in 2004 verschenen boekwerk van Renée Wolfs Wereldkind, praten met je adoptiekind., dat ondertussen al verschillende herdrukken heeft beleefd.

Zo beoordeel ik eveneens het sympathieke boekwerkje van Karin Horn. Op heel duidelijke en praktische wijze vertelt zij adoptieouders waarom en hoe een levensboek voor hun kind gemaakt kan worden.

Wat is een levensboek? Zoals Karin dit omschrijft: ‘Een levensboek vertelt het verhaal van uw kind, dat begint bij de tijd dat zij nog in haar geboorteland was, vanaf het moment dat ze geboren werd. Het is een waarheidsgetrouw verhaal, dat is toegespitst op het begripsniveau en de belevingswereld van uw kind. Het verhaal is vanuit uw kind geschreven, u kijkt door de ogen van uw kind en beschrijft wat u dan ziet…..de tekst is het belangrijkste deel’.

Na een nogal uitgebreid voorwoord van adoptiecollega Femmie Juffer, geeft Karin in deel 1 aan wat het nut van een levensboek is. Het bevordert duidelijk de leesbaarheid dat ze dit doet aan de hand van allerlei praktische voorbeelden van ervaringen van adoptieouders. Ze eindigt dit eerste deel met wat handige tips over het schrijfproces. Daarin zegt ze o.a. dat de adoptieouders niet hun eigen emoties in het levensboek dienen te verwerken. Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Het gaat in het levensboek om het beschrijven van gebeurtenissen, om hoe een kind iets beleeft. Daarin wordt het kind erg beïnvloed door zijn ouders. Dat deze in de kantlijn (op de een of andere manier dus) op dat moment belangrijke eigen emoties (bijvoorbeeld naar aanleiding van het overlijden van een ouder van de adoptieouders) vermelden, kan voor het kind later tot beter begrip van zichzelf en van zijn reacties op de situatie/gebeurtenis leiden.

In deel 2 worden vooral handreikingen gedaan over de onderwerpen belangrijk voor het levensboek. Dit deel is in feite het belangrijkste deel van het boek. Opnieuw: het leest gemakkelijk en het geeft handige, praktische adviezen met allerlei voorbeelden.

De bijlagen in deel 3 zijn eveneens heel nuttig om door te lezen. Eigenlijk vind ik die zo ter zake dat ze in een (hopelijk) volgende druk niet meer als Bijlagen maar echt als deel 3 gepresenteerd worden.

Het boekje is helder en uitstekend leesbaar geschreven. Misschien zou hier en daar de stelligheid in wat meer relativerende tekst kunnen worden omgezet, tenslotte zijn kinderen nogal verschillend in begripsvermogen, reacties op de eerdere ervaringen en emotionele beleving

Samenvattend meen ik te mogen vaststellen dat dit boek voor adoptieouders en hun kinderen van groot nut is. Het geeft vele praktische adviezen die voor de omgang van adoptieouders met hun kind van groot nut zijn.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

Niels P. Rygaard, (2006). Severe attachment disorder in childhood. A guide to practical therapy. Wien/New York: Springer.

 

Niels Rygaard therapeut en zelf adoptievader van twee kinderen heeft met zijn boek het kernprobleem in veel adoptiegezinnen behandeld. Centraal staat namelijk in zijn boek hoe om te gaan met ernstig hechtingsgestoorde kinderen. Adoptieouders van kinderen die op wat oudere leeftijd in hun gezin worden geplaatst, of kinderen met een duidelijk negatieve achtergrond, vragen zich op de eerste plaats af of hun kind zich bij hen  thuis zal gaan voelen. Of het zich aan hun zal gaan hechten.

Rygaard geeft eerst een heldere beschrijving van “attachment” en wat hechtingsstoornis (AD: attachment disorder) inhoudt. Terecht wijst hij erop dat hechtingsstoornis vaak samengaat met andere gedragsstoornissen als Post Traumatic stress Disorder, ADHD, Post Institutional Autistic Syndrome en Tourette‘s syndrome.

Rygaard heeft zelf vele jaren de verantwoordelijkheid gehad voor kinderen in pleeggezinnen gediagnosticeerd met een hechtingsstoornis. Vandaar dat door het boek heen individuele voorbeelden met aandacht voor details worden uitgewerkt, waardoor het geheel aan leesbaarheid en herkenbaarheid wint.

De opbouw van Rygaard’s boek is helder. Het bestaat uit drie delen.

Deel 1 behandelt de theoretische basis van het begrip hechtingsstoornis, tevens de mogelijke oorzaken daarvan en de wijze waarop de stoornis zich uit: de symptomen. Er is aandacht voor de moeder-kind relatie, de relevantie van (lichamelijk en geestelijk) contact voor de gezonde ontwikkeling van het kind, de noodzaak van voorspelbaarheid en regelmaat in de sociale omgeving waardoor kinderen in staat zijn hun dagelijkse activiteiten taken goed uit te voeren,

In deel 2 worden diverse therapieën behandeld. In deel 3 wordt nader ingegaan op de vereisten voor het therapeutische milieu, wat van therapeuten die met AD-kinderen werken, moet worden verwacht. In het laatste hoofdstuk van dit deel (attachment disorder, sexual behavior problems and sexual abuse) geeft R. belangrijke adviezen hoe om te gaan met kinderen die seksueel mishandeld zijn geweest. O.a. het voorkomen dat het kind later als volwassenen dezelfde fouten begaat, krijgt aandacht.

Er wordt veel aandacht besteed aan de verschillende ontwikkelingsfasen van het kind in relatie tot het ontstaan en tot uitdrukking komen van AD.

Deel 3 zal ook voor de hulpverleners erg interessant zijn. Hij geeft aanwijzingen hoe met betreffende gezinnen om kan worden gegaan. Hoe het hulpverleningsproces het best tot stand kan komen, waarbij R. zelfs gedetailleerd de mogelijke inhoud van eerdere ervaringen van hulpverleners in interviewvorm weergeeft en de hulpverlener helpt om kritisch ten opzichte van zijn eigen werk te staan.

 

Het boek is uit het Deens vertaald, misschien lijkt het Engels daarom betrekkelijk eenvoudig. Het is voor adoptieouders zinvol om te bestuderen. En zeker ouders met een kind dat leidt aan hechtingsstoornis zullen veel herkennen en baat hebben bij de adviezen die R. geeft.

Voor hulpverleners van bedoelde kinderen is het boek zonder meer aan te raden. Vooral Deel 2 en 3 is direct relevant voor hen.

Ik vind het boek zo ter zake voor adoptieouders en hun hulpverleners dat ik samen met een uitgever bezig ben het vertaald te krijgen.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

 

Terug naar de lijst

 

 

 

Trouw, 7 november 2006

Bij adoptie ontbreekt alle nazorg

 

Jammer is het dat vijftig jaar adoptiewetgeving en het Haags Adoptieverdrag van 1994 niet als resultaat opleverden, dat landen die kinderen ter adoptie laten vertrekken en landen die ze ontvangen, zoals Nederland, de verplichting hebben om gegevens over de biologische ouders/familie te verzamelen en te controleren. Dossiers dienen ten minste 100 jaar geregistreerd en bewaard te blijven door een daartoe opgericht expertisecentrum. Dit alles omdat we juist in die afgelopen vijftig jaar duidelijk te weten zijn gekomen, dat voor geadopteerden kennis over hun achtergrond van grote medische en emotionele betekenis is.  Zorg er dan in juridische en praktische zin voor dat geadopteerden deze kennis kunnen verkrijgen. Ook voor ouders die een kind hebben afgestaan, geldt deze noodzaak. Ook zij gaan vaak op zoek naar hun kind dat zij ooit hebben moeten afstaan.

De uit 1956 stammende adoptiewet was bedoeld om de positie van Nederlandse pleegouders en pleegkinderen zeker te stellen. Bekend zijn de schrijnende verhalen over pleegkinderen die na vijf of tien jaar opeens, door hun biologische moeder veelal, werden opgeëist. Door deze nieuwe adoptiewet werden echter alle banden met de biologische ouders verbroken. Toen was men nog onbekend met die zoekbehoefte die later uit wetenschappelijk onderzoek, programma’s als Spoorloos en de vele ervaringen zo duidelijk zichtbaar werd.

De eerste jaren ging het in ons land om adoptie van zo’n 300 tot 500 kinderen per jaar, door in hoofdzaak onvrijwillig kinderloze echtparen. Adoptie was toen nog met zwijgzaamheid omgeven. Dit kan de traditionele, gesloten benadering van adoptie worden genoemd. Eind jaren zestig steeg het aantal adopties door de Culturele Revolutie opeens fors. De samenleving kreeg een opener karakter en de televisie had steeds meer invloed. Zorg voor het kind in nood kwam centraler te staan en daarmee eveneens de zorg voor al die hulpeloze kinderen in Aziatische, Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse landen. De open-idealistische generatie adoptieouders deed zijn intrede, ouders met vaak één of meer eigen kinderen (zo’n 30 tot 40%). De interraciale adoptie was geboren en adoptie kreeg een algemener karakter, verloor zijn geheimzinnigheid, zijn maatschappelijk taboekarakter. Vanaf 1975 werden er zelfs meer kinderen uit het buitenland dan uit Nederland geadopteerd. Sinds midden jaren tachtig is het aantal adopties van Nederlandse kinderen slechts 30 tot 70 per jaar, terwijl er gemiddeld elk jaar zo’n duizend buitenlandse kinderen worden geplaatst. Anno 2006 zijn er in totaal 34.300 buitenlandse adoptiekinderen en 16.900 Nederlandse adoptiekinderen. Stiefouderadopties laat ik hier buiten beschouwing.

Door de jaren heen was het adoptiebeeld veranderlijk. De media oefent trouwens veel invloed uit. In de jaren tachtig waren er televisie- en radioprogramma’s waarbij door adoptieouders zelf voor het eerst op de grote opvoedingsproblemen van buitenlandse adoptiekinderen werd gewezen. Vrijwel meteen liep bij het Ministerie van Justitie het aantal aanvragen tot de helft terug. Adoptieouders zijn nu veel realistischer in hun adoptiemotieven. De sinds 1991 verplichte voorbereidingscursus helpt hieraan mee. In de loop van de jaren negentig bereikte het aantal adopties weer bijna het oude niveau door de grote belangstelling voor kinderen uit China en Taiwan.

Veranderde maatschappelijke opvattingen over ouderschap beïnvloedden diverse aanpassingen van de adoptiewet. Zo kwam er een leeftijdsverruiming voor adoptieouders en werd plaatsing van een kind bij één ouder of een homopaar (2001) mogelijk. Bepalingen die weinig te maken hebben met ‘het belang van het kind’, de basisgedachte bij de invoering van de adoptiewet.

De wachttijd, drie tot vijf jaar, is altijd een knelpunt gebleven, evenals de leeftijdseisen. De wachttijd kan door extra activiteiten van de bemiddelingsorganisaties worden verminderd. Maar dan lopen we het gevaar dat kinderen te gemakkelijk als adoptabel worden bestempeld en Westerse landen misschien wel het afstaan van kinderen bevorderen. Momenteel liggen er voorstellen om de leeftijdseis te versoepelen, tevens om de adoptienazorg over te hevelen van Justitie naar het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport.

Er blijven andere belangrijke knelpunten. Zo is het merkwaardig dat slechts twee van de zeven erkende adoptieorganisaties (Wereldkinderen en Stichting Kind en Toekomst) met een professioneel bureau werken. De andere werken uitsluitend met vrijwilligers, terwijl het toch gaat om het plaatsen van soms ernstig gedragsgestoorde, mishandelde baby’s, peuters, kleuters!

Behoudens enkele particuliere initiatieven is er geen sprake van systematische nazorg. Het vele wetenschappelijke onderzoek vanuit universiteiten van Utrecht, Rotterdam en Leiden toont aan, dat adoptiegezinnen nogal eens te maken krijgen met gedrags- en opvoedingsproblemen. Ook volwassen geadopteerden worstelen vaak intens met hun achtergrond, hun identiteit. Het instellen van een expertisecentrum voor adoptie- en pleeggezinnen (veel problemen in pleeggezinnen zijn vergelijkbaar) wordt al decennia bepleit. De financiële mogelijkheden zijn er, nu alleen nog de politieke wil.

 

René Hoksbergen

(em. hoogleraar adoptie)

 

Terug naar de lijst

 

Terug naar homepage

 

 



[1] van 25 mei 2005, 293, no. 20 p. 2501-2515

[2] Voorlopige titel: De Rode Draad in ons leven. Geadopteerden aan het woord. René Hoksbergen (red.)

 

[3] Zie N. Verrier (2003). Afgestaan. Begrip voor het geadopteerde kind. Amsterdam: AMBO.

[4] In totaal werden 34 artikelen nationale en internationale gebruikt waarbij o.a. een vergelijking was gemaakt tussen geadopteerden en niet-geadopteerden in de mate dat zij gebruik hadden gemaakt van een instelling voor hulpverlening. Tevens 64 artikelen met informatie over gedragsproblemen.