Klik op de titel
van het artikel of de boekbespreking om naar de tekst te gaan.
Krantenartikelen
Draagmoederschap is al een
miljardenbusiness
Donorkinderen zijn geadopteerde
kinderen
Draagmoeder die een kind ontvangt is nieuw
Adoptie voor kind of wensouder
- Katholiek Nieuwsblad, 19 juni 2009
Terug naar het belang van het kind
Ivf-gebruik mag niet eindeloos zijn – Opinie
- Trouw, 5
december 2008
Internethandel in baby’s hoort onmogelijk te zijn
-
Katholiek Nieuwsblad, 29 augustus 2008
-
Trouw, 18 juni 2008
Adoptiekind komt op het tweede plan
-
De Morgen, 9 mei 2008
Baby Donna: wat is het belang van het kind?
- Trouw,
7 november 2006
Bij adoptie ontbreekt alle nazorg
- NRC Trefpunt, 16 januari 2006
- Trouw, 7
april 2005
Help kind en gezin ook ná de adoptie
- Trouw, 6
juni 2005
Kinderhandel via internet in de strafwet - Baby Donna
- Trouw,
17 september 2005
Baby Donna moet direct naar België
Algemene artikelen
- Artikel
2007
Bemiddelingsorganisaties
onder kritiek
- Lezing
Grootouderdag december 2007
De onmisbare
adoptiegrootouder
- Algemeen
artikel
Reactie op: Met de meeste
adoptiekinderen gaat het goed - Femmie Juffer & Rien van IJzendoorn
-
Brief aan de Tweede Kamer, 22 januari 2006
Bijzondere nazorg voor adoptiegezinnen hard nodig
-
Lezing
Identiteit en ontwikkeling van adoptiekinderen
-
In LAVA Contact 3(4), december 2004
Evaluatie adoptiewet: voorstellen gaan niet ver genoeg
Boekbesprekingen
- Niels P. Rygaard, (2006) - Severe attachment disorder
in childhood. A guide to practical therapy
- Ruth Willems
(2006) - Vragen over adoptie - Anamneselijst voor hulpverleners
- Hanne Rots – Jij
mag niet lief zijn
- Liesbeth Groenhuijsen - Met het vliegtuig
geboren
- Lawrence P. Adams - Lost Son? A
bastard Child’s journey of hope, search, discovery, and healing
- Toby Alice Volkman - Cultures of transnational adoption
- E. Lodewijks-Frencken en J. Lodewijks - Wachten op Zach
- I. Holla - Mijn droom van een kind
- J. Yoon - Eindelijk leef ik echt
Draagmoederschap
is al een miljardenbusiness
In het interview
met VVD Kamerlid Anouchka van Miltenburg over buitenlands draagmoederschap (Trouw
6 februari) komen twee opvallende inconsequente redeneringen voor. Deze vloeien
kennelijk voort uit de wel zeer pragmatische aanpak die zij voor staat. In
Nederland vinden we commercieel draagmoederschap onwenselijk omdat we kinderen
niet als koopwaar over de toonbank willen laten gaan. Daarom is het hier
verboden. Maar ja, als mensen de grens over gaan om een commerciële draagmoeder
te zoeken, dan moeten we ze volgens Van Miltenburg geen strobreed in de weg
leggen. Sterker nog, we moeten de wet dan maar aanpassen om dit te
vergemakkelijken. En nee, dit betekent helemaal niet dat we commercieel
draagmoederschap stimuleren. Snapt u het?
Als tweede
ongerijmdheid duikt de kwestie
In een eerder artikel in Trouw (25-3-2011)
concludeerde ik dat
Wordt het niet
hoog tijd dat de ‘wild-west’ praktijk van de moderne voortplanting, waaronder
het commercieel draagmoederschap, tot internationaal overleg leidt?
Niet voor niets
schreef ik in mijn kortgeleden gepresenteerde boek: Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar adoptie in beeld:
“Als we in Nederland werkelijk respect hebben voor het recht van ieder mens om
zijn achtergrond te kennen, op zijn identiteit, dan zou het van moed getuigen
om internationaal het voortouw te nemen bij het invoeren van een ‘Haags Verdrag
inzake Assisted Reproductive Technology, involving a third party’. Laat
Nederland weer eens gidsland zijn. Bij adoptie heeft het 25 jaar geduurd, maar
nu hebben 193 landen het Haags Adoptie Verdrag geratificeerd. Het moet niet 25
jaar duren voor
René Hoksbergen
(emeritus
hoogleraar adoptie)
Herroeping van adoptie
De eerste
adoptiewet uit 1956 gaat ervan uit dat de juridische banden van het adoptiekind
met zijn biologische ouders geheel verbroken worden. De mogelijkheid voor
geadopteerde om de adoptie later door de rechtbank te laten herroepen, dus
ongedaan te maken, kende nauwelijks voorstanders. Daarom kreeg de geadopteerde
slechts tot één jaar na zijn twintigste verjaardag de mogelijkheid hiertoe.
Herroeping zou in zijn of haar belang moeten zijn. Naar schatting zijn er per
jaar vijf verzoeken tot herroeping. Aanvankelijk werden deze alleen door een
van de nu
Regelmatig bleek de termijn voor indiening
van het verzoek tot herroeping veel te kort. Betrokken geadopteerden kwamen
veelal pas later in hun leven op een punt dat zij de adoptie wilden laten
herroepen. Of zij waren daar emotioneel pas op latere leeftijd toe in staat.
Vaak ook wisten zij op jonge leeftijd niet dat deze mogelijkheid bestond.
Voor een geadopteerde is het een grote stap
om de adoptie ongedaan te maken. Daar moeten zwaarwegende redenen voor zijn. En
die zijn er soms ook. Bedenk hierbij dat de sociale status van een geadopteerde
een kunstmatige is. Bijna altijd is hij in een adoptiegezin geplaatst waarmee
voordien geen enkele band bestond. Met als belangrijk gevolg, dat hij vaak
worstelt met zijn identiteit, met de vraag wie hij nu eigenlijk is, bij wie en
waar hij thuishoort. In de meeste gevallen levert dit uiteindelijk geen onoverkomelijke
problemen op. In enkele gevallen echter wel. Soms is het contact tussen
adoptieouders en geadopteerde al vele jaren geheel verbroken. Het contact met
de biologische ouders, veelal de moeder, kan zelfs weer hersteld zijn. Het
contact met de adoptieouders hoeft niet eens slecht te zijn. Het is voorgekomen
dat geadopteerde, ver na zijn 23e en zelfs pas na het overlijden van
zijn adoptiemoeder – zijn adoptievader was allang overleden - het verzoek tot
herroeping indiende. Betreffende man wilde zijn adoptiemoeder niet te zeer
emotioneel belasten. De rechter willigde het verzoek tot herroeping in. Een
geadopteerde kan worstelen met een traumatisch verleden. Pas na langdurige
psychotherapeutische hulp besluit hij zijn adoptie te herroepen. Maar weer ver
na de termijn.
Kortom, redenen genoeg om de wet te
wijzigen. Ik zou ervoor pleiten geen tijdslimiet voor de mogelijkheid tot
adoptieherroeping in te stellen. De rechter kan altijd zelf bepalen of het
inderdaad in het belang van geadopteerde is. En of er geen onedele motieven aan
het verzoek ten grondslag liggen. Of niet andere belangen zwaarder wegen.
Bijvoorbeeld
Anno 2012 is bezinning op de wet rond
adoptieherroeping zeker op zijn plaats.
(emeritus hoogleraar adoptie)
1 R.A.C. Hoksbergen (2011). Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar
adoptie in beeld. Soesterberg: Aspekt, p. 321-326
Donorkinderen zijn geadopteerde kinderen
Zoals velen willen gynaecologen graag hun werk
doen. Willen zij mensen die zelf geen kinderen kunnen krijgen, helpen. Zij
kunnen dit ook. De technologie rond de moderne voortplanting is na de Tweede
Wereldoorlog in een stroomversnelling geraakt. Technisch gezien lijkt alles
mogelijk. Vrouwen van tegen de zeventig zelfs kunnen nog een kind baren. Eicel,
zaalcel, embryo’s kunnen voor later gebruik worden ingevroren of van (anonieme)
donoren door wensouders gebruikt.
Omdat in Nederland sinds 2004 de
anonimiteit van de donor is afgeschaft, is er echter een tekort aan donoren
ontstaan. Vandaar dat er bij gynaecologen stemmen opgaan om mensen maar geld te
gaan betalen voor het afstaan van zaad of eicel. Dan kunnen meer wensouders
geholpen worden. Over mogelijke effecten op het zo geboren kind horen we weinig.
Dit komt door de gehanteerde terminologie. Men spreekt van donoren, zoals dit
ook bij donoren van bloed, een nier of een ander orgaan gebeurt. Het gevolg is,
dat bij de ‘donatie’ van zaadcellen of eicel de ontvanger, de gelukkige moeder
of wensouders, centraal blijft staan. Maar wat gebeurt er werkelijk? De
wensmoeder bij ovumadoptie, de wensvader bij semenadoptie of de wensouders bij
embryoadoptie, adopteren een kind. Het kind heeft een andere vader of moeder
of, zoals bij embryoadoptie, geheel andere ouders. Dit kind zal later als
volwassene willen weten wie zijn biologische ouder(s) is (zijn). Dit kan om
medische redenen zelfs gewenst zijn. Kan het dit te weten komen? In ons land
tegenwoordig wel. Als mensen naar een buitenlands adres gaan en daar door een
gynaecoloog via een anonieme donor ‘geholpen’ worden, is die kans vrijwel
nihil. Hoe zal het kind en de latere volwassene dit ervaren? Uit de
adoptiepraktijk en de ervaringen met donorkinderen is het duidelijk hoe
belangrijk de biologische achtergrond voor de mens is. En dit is toch ook
vanzelfsprekend! Iemands identiteit wordt voor een groot deel, misschien wel
voor het grootste deel, bepaald door zijn biologische ouders en –familie.
Eigenschappen, talenten, fysieke bijzonderheden zijn afkomstig van de
biologische ouders/familie. De kennis daarvan te missen, betekent het moeten
leven met gevoelens van verlies, onzekerheid, onrust, frustratie en daaraan
gekoppeld ergernis. De kwaliteit van het leven is voor deze kunstmatig verwekte
mensen bewust verlaagd. Zij zullen zich ook nog als een soort marktartikel
voelen. Vooral als wensouders de mogelijkheid tot expliciete keuze hebben, zaad
van een Nobelprijswinnaar en eicel van een fraaie Zweedse kunnen verlangen.
Gevoelens van eigenwaarde kunnen snel worden beschadigd. Als geld een
belangrijke rol speelt bij de wijze van verwekking: betalen voor eicel of zaad
of inschakeling van een commerciële draagmoeder, zal dit een levenlang
beschadigend zijn voor identiteit en zelfgevoel van de zo verwekte persoon.
Er zijn meer problemen. Moet de gynaecoloog
de wensmoeder in alle gevallen helpen? Moeten bijvoorbeeld drugsverslaafden,
psychisch gestoorden, verstandelijk gehandicapten, HIV-patiënten, mensen met
een ernstige aangeboren afwijking in de familie, geholpen worden? Gynaecoloog
Fauser heeft wel eens opgemerkt dat bij IVF de meest elementaire vragen niet
worden gesteld (Volkskrant, 14 februari 1998). En wat moeten we vinden van
vrouwen die ver na de menopauze zwanger worden? Hun kind met een grootmoeder in
plaats van een moeder opzadelen. Moeders die het kind bewust een vader laten
ontberen.
Op allerlei terreinen zijn er regelingen
ter bescherming van het kind. Bij de voortplanting nauwelijks. Het grondrecht
‘vrijheid van voortplanting’ is zodanig sterk dat alles wat technisch kan, wel
ergens ter wereld wordt toegepast. Ethisch gezien lijkt de moderne voorplanting
daardoor nog in de Middeleeuwen te verkeren. Het recht op een kind is geen
illusie maar werkelijkheid. Het kind heeft geen rechten. Wensouders zijn geen
patiënten met een fysiek probleem, maar cliënten die inwilliging van het recht
op een kind eisen.
De wezenlijke discussie over de effecten
van de wereldwijde ‘reproductieve markt’ voor de toekomstige persoon, de
wensouders, biologisch ouders en draagmoeders moet nog gevoerd worden. Als we
in Nederland werkelijk respect hebben voor het recht van ieder mens om zijn
achtergrond te kennen, op zijn identiteit en zelfbeschikking, dan zou het van
moed getuigen om internationaal het voortouw te nemen bij het invoeren van een
“Haags Verdrag inzake de moderne
voortplanting waarbij derden worden ingeschakeld.” Bij adoptie heeft het 25
jaar geduurd, maar nu hebben 193 landen het Haags Adoptie Verdrag
geratificeerd. Laat het nu niet opnieuw 25 jaar duren voor de rechten van
donor- en draagmoederkinderen wereldwijd worden erkend.
René A.C. Hoksbergen
(emeritus hoogleraar adoptie)
Ontvangende draagmoeder van 63 jaar
In bijna alle media is gereageerd op de alleenstaande Harlingse vrouw die
op haar 63ste een kind ter wereld brengt (Trouw, 23 en 24 maart). Het kind is
genetisch van een onbekende moeder, de biologische vader is onbekend, het kind
zal de dagelijkse zorg van een vader ontberen en als het in de puberteit is,
zal het voor de bejaarde moeder moeten gaan zorgen. “Niet ideaal” is het in het
Commentaar van Trouw van 24 maart.
Deze moeder noem ik een ‘ontvangende draagmoeder’. Zij is namelijk niet de
biologische moeder van het kind, maar heeft het kind wel gebaard. Een gevende
draagmoeder is een vrouw die een kind baart dat dan vervolgens naar een ander
gaat. Commercieel draagmoederschap is niet toegestaan.
Voor de ontvangende draagmoeder bestaan nog geen regels. Daarom kon deze
63-jarige gewoon haar gang gaan. Boven de 45 wordt overigens in ons land geen
IVF meer gedaan. Gynaecologen zijn ook niet altijd bereid om IVF toe te passen.
Bij drugsverslaafden, psychisch gestoorden, verstandelijk gehandicapten, of
mensen met een gewelddadige relatie, kan IVF worden geweigerd.
Bij de moderne voortplanting is de psychologisch-ethisch dimensie
onderbelicht. Dit komt ondermeer door de gehanteerde terminologie. Men spreekt
uitsluitend van donoren, zoals dit ook bij donoren van bloed, een nier of een
ander orgaan geschiedt. Dit heeft als consequentie dat bij de ‘donatie’ van
zaadcellen of eicel de ontvanger: de gelukkige moeder of ouders, centraal
blijft staan. Er wordt voorbij gezien aan wat er werkelijk gebeurt, namelijk dat
de moeder bij ovumadoptie of de vader bij semenadoptie of beide bij
embryoadoptie een kind geheel of gedeeltelijk adopteert (eren). De Harlingse
heeft dus een kind volledig geadopteerd zonder ook maar enige verplichting en
voorbereiding zoals wij die bij adoptieouders kennen.
Waar vraag is,
is aanbod, zeker als de vraag, zoals die naar het krijgen van een kind, groot
en intens is. In de adoptiepraktijk is veel gereguleerd en we weten hoe
moeilijk dit is. Er zijn steeds weer mensen die tussen de mazen van het net
door willen glippen. Bij de moderne vruchtbaarheidsbehandelingen blijken die
mazen wel heel erg groot. Deze 63-jarige had natuurlijk nooit dit kind mogen
krijgen. De kwaliteit van het verdere leven van het zo geboren kind is bij
voorbaat en fundamenteel aangetast. De samenleving zal straks de prijs, in de
vorm van de nodige hulpverlening aan dit kind, moeten betalen. Nog steeds
denken mensen dat het gewenst zijn van het kind, de liefde en aandacht die zij
‘hun kind’ zullen gaan geven, voldoende zullen zijn om dit kind een goed leven
te bieden. Dat kan misschien zo zijn zo lang het kind nog erg jong is. Uit de
adoptiepraktijk en ervaringen met donorkinderen, weten we dat dit als de stilte
voor de storm is. De adolescent en de (jong)volwassene, wil klaarheid over
zichzelf als persoon. De wijze van verwekking, zijn genetische achtergrond, de
plaats die hij bij zijn ouders en in de directe sociale omgeving inneemt, en
zijn identiteit zijn bepalend voor de kwaliteit van zijn leven.
In 1970 kwam Boek 1 over het personen- en familierecht van het Nieuwe
Burgerlijk Wetboek uit. Toen bestond er nog geen IVF(in Nederland sinds 1983
mogelijk). Uitgangspunt is ‘mater semper certa est’ de moeder is altijd zeker.
Dat was toen geldig, nu echter niet meer. Bij deze oude moeder is een andere
vrouw de biologische moeder. In het belang van het waarheidsgehalte over
iemands achtergrond is het Burgerlijk Wetboek aan herziening toe. Het wordt
tevens tijd dat artikel 8 van het VN-Verdrag over De Rechten van het Kind: ‘het
kind heeft recht op het behoud van zijn identiteit’ door de wetgever serieus
wordt genomen.
De wezenlijke discussie over de vrijheid van ‘voortplanting’ en de effecten van
de wereldwijde ‘reproductieve markt’, waar de Italiaanse arts Antinori die deze
oude moeder heeft ‘geholpen’ een voorbeeld van is, voor de toekomstige persoon
moet nog gevoerd worden. De huidige staatssecretaris van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie Fred Teeven heeft bij eerdere gelegenheden al van enige
moed getuigd. Hij kan dit bij verkeerde praktijken bij het verwekken van
kinderen opnieuw doen. Laten we in Nederland werkelijk het belang van het
hulpeloze kind boven dat van de wensouder stellen. Het zou van moed en
betrokkenheid bij kinderen getuigen om internationaal het voortouw te nemen bij
het uiteindelijk ingevoerd krijgen van een
“Haags Verdrag inzake Assisted
Reproductive Technology (ART), involving a third party”. Bij adoptie heeft het
25 jaar geduurd, maar intussen hebben 193 landen het Haags Adoptie Verdrag
geratificeerd. Het moet nu niet 25 jaar duren voor de rechten van donorkinderen
en draagmoederkinderen wereldwijd worden erkend.
René A.C. Hoksbergen
(emeritus hoogleraar adoptie)
Adoptie voor kind of wensouder
Ina Hut van Wereldkinderen heeft gelijk met
haar stelling dat het ministerie van justitie alleen in woorden opkomt voor het
belang van adoptiekinderen. De directeur van het grootste adoptiebureau stapt
op wegens ‘falend Haags beleid’. Hopelijk gaat het ministerie stevig bij
zichzelf te rade, en brengen Haagse beleidsmakers de moed op om ongemakkelijke
beslissingen te nemen.
Over adoptie van buitenlandse kinderen is
al lange tijd een felle richtingenstrijd gaande. Aan de ene kant vind je de
opinie dat het belang van het kind centraal dient te staan. Er wordt kritisch
naar organisaties die voor veel geld kinderen uit het buitenland halen. Het
beter wordt geacht al dat geld in het land zelf te besteden en te zorgen dat
kinderen in hun geboorteland blijven.
Aan de andere kant wordt gesteld dat opvang
in een Westers gezin altijd beter is dan ergens in een armoedige situatie
blijven. Adopties door beroemde filmsterren als Madonna zijn voorbeelden van
dergelijke praktijken. Belangen van adoptieouders lijken centraal te staan.
De belangrijkste Nederlandse
adoptieorganisatie, Wereldkinderen, doet de laatste jaren aan hulpverlening aan
gezinnen ter plaatse. Plaatselijke adoptie wordt gestimuleerd. Landen met een
twijfelachtig adoptiebeleid worden door Wereldkinderen gemeden.
Tegen het Justitiebeleid bestaan op twee
punten principiële bezwaren, zoals verwoord door Ina Hut. Het gaat om
‘deelbemiddeling’. Daarbij proberen aspirant-adoptieouders zelf ergens een kind
te vinden met de bedoeling het in hun gezin op te nemen. Het andere pijnpunt is
de adoptie van Chinese kinderen die mogelijk zouden worden verkocht.
Minister en Kamer discussieerden in juni
over deelbemiddeling. Dat ging vrijwel alleen over adopties uit de VS. In 2008
kwamen via deelbemiddeling 61 kinderen naar Nederland, van wie 56 uit de
Verenigde Staten, allemaal Afro-Amerikaanse kinderen. Als deze adopties worden
beperkt, zullen met name alleenstaanden en homoseksuele paren nauwelijks nog
kans op adoptie hebben. En daar wrong de schoen.
In de VS worden elk jaar ongeveer 80.000
binnenlandse en 20.000 uit het buitenland afkomstige kinderen geplaatst,
daarvan 2000 kinderen uit Afrikaanse landen. Het argument dat voor een aantal
‘zwarte’ kinderen uit de VS geen Amerikaanse ouders te vinden zijn, doet
terecht de vraag rijzen waarom er dan zoveel kinderen uit bijvoorbeeld Ethiopië
naar de VS gaan. Het rijkste land ter wereld zou niet in staat zijn om voor de
eigen kinderen te zorgen? Diverse landen zijn dan ook gestopt met adopties uit
de VS. Amerikaanse adoptieorganisaties werken graag met Nederlandse ouders.
Tegen de geringe transparantie van de kosten wordt weinig bezwaar gemaakt. Het
gaat om bedragen tussen de 23.000 en 55.000 dollar.
De minister is er opeens van overtuigd geraakt
dat adopties uit de VS moeten doorgaan ondanks ernstige bezwaren tegen deze
deelbemiddeling. Enig recht op een kind bestaat er evenwel niet, noch voor
heteroparen, noch voor homoparen of alleenstaanden. Het COC kan tevreden zijn.
Hun oneigenlijke argument, dat homoparen evenveel recht op een kind hebben als
heteroparen, heeft gewerkt. Ik had
verwacht dat de minister naast het COC ook organisaties van geadopteerden hun
mening over deelbemiddeling gevraagd had. Dit gebeurde niet. Andere belangrijke
zaken rond adoptie bleven onderbelicht. Kortom in deze discussie koos de
minister voor het belang van adoptieouders en niet voor het ‘belang van het
kind’.
De kwestie van de adopties uit China
speelde vorig jaar op. Trouw meldde dat achter een aantal van deze adopties
vraagtekens gezet kunnen worden. Netwerk kwam met alarmerende berichten.
Verkoop van kinderen en onbetrouwbare tussenpersonen zouden tot de praktijk in
bepaalde Chinese provincies behoren. Justitie deed onderzoek in China en kwam
met geruststellende berichten. Wereldkinderen en Ina Hut wilden alsnog zelf een
onderzoek doen, maar dat werd Ina door Justitie sterk afgeraden. Terwijl nota
bene enkele weken geleden de adopties uit China opnieuw negatief in het nieuws
kwamen. Hoewel dit door het ministerie niet expliciet werd gezegd, kan ook ik
niet anders concluderen: economische belangen zijn belangrijker dan
adoptiebelangen.
Maar hoe nu verder? Hopelijk gaat het
Ministerie met adoptiedeskundigen in discussie over het toekomstige beleid rond
buitenlandse adoptie. En durft Den Haag het aan soms pijnlijke beslissingen te
nemen. Zo dient een bemiddelingsorganisatie die met onbetrouwbare contacten
werkt, haar vergunning te verliezen. En moeten kanalen die onbetrouwbaar zijn,
zoals nu enkele Chinese contacten, gesloten worden.
René A.C. Hoksbergen
(emeritus hoogleraar adoptie)
Katholiek
Nieuwsblad, 19 juni 2009
Terug naar het belang van het kind
Elf juni vond in de Tweede Kamer Algemeen
Overleg plaats tussen Minister van Justitie Hirsch Ballin en 9 kamerleden met
adoptie in hun portefeuille. De publieke tribune was volledig gevuld. Doel van
de kamerdiscussie was met adoptie samenhangende problemen te bespreken en de
minister voorstellen te doen om wetgeving aan te passen. Voor het
Televisieprogramma Netwerk zei ik dat de discussie voor mij een teleurstellend
verloop had. Mevrouw Hut, directeur van de grootste adoptieorganisatie
Wereldkinderen, liet ons voor dit zelfde programma weten dat zij boos was omdat
economische en politieke overwegingen boven het belang van het kind gaan. Het
hele debat werd een beschamende vertoning. De discussie draaide voor 90% om de
deelbemiddeling uit de Verenigde Staten. De dagen ervoor was namelijk duidelijk
geworden dat de minister voornemens was om deelbemiddeling aan banden te
leggen, conform het advies van de Commissie Kalsbeek. Bij deelbemiddeling
proberen aspirant-adoptieouders zelf ergens in de wereld een kind te traceren
om het te adopteren. Bemoeienis van een erkende adoptieorganisaties is beperkt.
Omdat de VS het Haags Adoptieverdrag heeft geratificeerd kan volgens dit
verdrag alleen nog gewerkt worden via erkende adoptieorganisaties. Het is dan
allereerst de bedoeling dat gezocht wordt naar mogelijkheden het kind in zijn
eigen land te laten. In 2008 kwamen via deelbemiddeling 61 kinderen naar
Nederland, van wie 56 uit de Verenigde Staten, allemaal Afro-Amerikaanse
kinderen. Wanneer deze adopties worden beperkt, zullen met name homoseksuele
paren nauwelijks kans op adoptie hebben. Hoewel het om slechts een klein aantal
kinderen gaat, ontslaat dat ons niet van de verplichting kritisch naar deze
adopties te kijken. Kernpunt bij adoptie is immers de latere vraag van
geadopteerde: was mijn adoptie noodzakelijk en zo ja ook de overplaatsing naar
een geheel ander land? In de Scandinavische landen en België heeft men adopties
uit de VS om die reden reeds stopgezet. In de VS worden elk jaar ongeveer
20.000 uit het buitenland afkomstige kinderen geplaatst, daarvan 2000 kinderen
uit Afrikaanse landen. Het argument dat voor deze ‘zwarte’ kinderen uit de VS
geen Amerikaanse ouders te vinden zijn, doet je afvragen waarom er dan zoveel
kinderen uit bijvoorbeeld Ethiopië naar de VS gaan.
Daarbij zijn er vraagtekens bij de
adoptiekosten. Amerikaanse adoptieorganisaties werken graag met Nederlandse
ouders, omdat over de geringe transparantie van de kosten kennelijk weinig
bezwaar wordt gemaakt, het gaat om bedragen tussen de 23.000 en 55.000 dollar.
En het is gemakkelijk, er hoeft, ondanks het Haags Adoptieverdrag, niet
‘langer’ gezocht te worden naar een echtpaar in de VS.
Het COC kan tevreden zijn. Hun argument dat
homoparen evenveel recht op een kind hebben als heteroparen heeft gewerkt. Dat
er geen ‘recht op een kind’ bestaat, maar alleen maar dankbaarheid als je een
kind krijgt, durven de kamerleden kennelijk niet in de mond te nemen. De
kamerleden, en nu ook de minister, zijn ervan overtuigd dat deze adopties uit
de VS moeten doorgaan, deelbemiddeling of niet.
Tijdens het debat werd door alle deelnemers
voortdurend betoogd dat ‘het belang van het kind’ centraal staat. Dan zou je
verwachten dat aan geadopteerden was gevraagd wat zij van deze kwestie vinden.
Omdat buitenlandse adoptie al meer dan vijftig jaar bestaat, zijn er genoeg
geadopteerden die een duidelijke mening hebben. Deze mening is niet gehoord.
Misschien omdat bekend is dat zij zeer kritisch staan tegenover adopties uit de
VS? De grote landelijke organisatie United Adoptees International heeft aan de
minister en alle kamerleden duidelijk gemaakt dat deelbemiddeling, waaronder
die uit de VS, juist om het belang van het kind, aan banden dient te worden
gelegd. Er dient allereerst gekeken te worden of er niet adoptieouders in het
geboorteland gevonden kunnen worden. Zouden die in het rijkste land van de
wereld, waar al zo veel zwarte kinderen worden geadopteerd niet gevonden kunnen
worden? Het geadopteerd zijn is al een uitzonderingspositie, het raciale
element eveneens en daar zou plaatsing bij een homopaar als volstrekt onnodige
bijzonderheid nog bijkomen? Speelt hierbij het belang van het kind enige rol?
Nee, slechts het belang van adoptieouders telt hier. En dat tekende de gehele
discussie op 11 juni, terwijl er zo veel meer zaken rond adoptie spelen.
Bijvoorbeeld die rond de bewaartermijn van dossiers van geadopteerden, nodig om
informatie over hun achtergrond te verkrijgen. Op het voorstel van één kamerlid
om de bestaande 30 jaar te verlengen tot 100 jaar reageerde de minister niet
eens. Op het voorstel om bij tweede kind plaatsing minder star het
leeftijdscriterium van veertig jaar te hanteren, werd door de minister slechts
vaag gereageerd. Over de handelwijze bij illegale adopties, koop van kinderen
of adoptie van een gekidnapt kind werd nauwelijks iets gezegd. China is dan ook
een te belangrijke handelspartner om al te openlijk over mistoestanden in de
zorg voor kinderen aldaar te spreken. Over de invoering van de ‘zwakke adoptie’
in ons land schiep de minister geen enkele duidelijkheid. Zwakke adoptie is in
het belang van pleegkinderen en hun –ouders. De pleegouder kan dan zijn reeds
vele jaren verzorgde en opgevoede kind adopteren zonder dat de banden van het
kind met zijn oorspronkelijke ouders geheel worden verbroken. Enkele kamerleden
wezen op de noodzaak van verbetering van de nazorg voor adoptieouders en
speciaal voor volwassen geadopteerden. Veel verder dan te verwijzen naar het
Ministerie van Jeugd en Gezin en de bestaande jeugdhulpverlening kwam de
minister niet.
De discussie op 11 juni had weinig met het
belang van het kind te maken. Een nieuw Algemeen Overleg dat echt over adoptie
zal gaan is absoluut nodig.
René A.C. Hoksbergen
(emeritus hoogleraar adoptie)
Ivf-gebruik mag niet eindeloos zijn
– Opinie
Wybo Dondrop en Guide Wert (NRC 14-5)
hebben met hun ‘Een slimme meid vriest haar eicellen in’ voor ethici een
opvallend kortzichtig stuk geschreven. Zij stellen voor dat vrouwen tenminste
tot hun vijftigste via invitrofertilisatie (ivf) en met behulp van vele jaren
eerder bevroren eicellen alsnog een kind kunnen krijgen. Aan enig belang van
het kind wordt niet gedacht. Hou zou immers een kind het vinden om naar de
leeftijd gerekend bij zijn/haar oma geboren worden? Een vijftienjarige met een
65jarige moeder moet optrekken? ‘Natuurlijk is het beter als zij eerder
kinderen krijgen’ merken beide auteurs op. Waarom zou een samenleving dan iets
mogelijk moeten maken dat kennelijk minder goed is voor kind en ouders?
Ouders die willen adopteren mogen niet meer
dan veertig jaar in leeftijd verschillen van hun adoptiekind. Dit is gedaan in
het belang van het kind. Zijn de belangen van kinderen die via kunstmatige
voortplanting worden geboren anders?
Het wordt hoogtijd dat de zogenaamde
vrijheid die bestaat bij het gebruik van invitrofertilisatie en andere
kunstmatige voortplantingsmethoden aan banden wordt gelegd. Voor het kind
bestaat die vrijheid niet. Voor adoptiekinderen bestaan er allerlei maatregelen
en wetten ter bescherming. Belangen van kinderen verwekt via kunstmatige
voortplanting zijn niet anders.
René A.C. Hoksbergen
(emeritus hoogleraar adoptie)
Internethandel in baby’s hoort onmogelijk te zijn.
Kinderhandel via internet is een onaanvaardbare misstand. De Tweede Kamer
kan er gemakkelijk een stokje voor steken.
We moeten vrezen dat er veel meer kinderen
via koop in de verkeerde wieg terechtkomen. Baby Donna en Baby J. zijn kort na
de geboorte gekocht door een Nederlands echtpaar. Door omslachtige rechterlijke
procedures en getreuzel bij de Raad vd Kinderbescherming bleef Baby Donna
gewoon in Nederland.
Bij baby J. blijkt er nu ineens anders en
vooral zonder onnodig getreuzel te kunnen worden beslist. Dit kind is eveneens op volkomen
illegale wijze in een Nederlands gezin gekomen. De biologische ouders hadden
vanwege geldgebrek hun (tweede) kind via internet te koop aangeboden. Een jong
Nederlands stel, dat zelf geen kinderen kon krijgen, ging hierop in. Vergeefs
hadden zij enkele malen geprobeerd om via een draagmoeder een kind te
verkrijgen en daar veel geld aan besteed.
De dag na de geboorte op 3 juli namen de
wensouders baby J. uit het Belgische ziekenhuis, nota bene op hun naam
geregistreerd, mee. Enkele weken later kwam EO-Netwerk deze zaak op het spoor.
Als de feiten rond baby J. bekend raken, wordt er meteen door alle deskundigen
vastgesteld dat dit kind illegaal is verkregen, er zelfs sprake is van
kinderhandel, en dat het kind dus niet in het
gezin mag blijven. Op donderdag 27 November
beslist de Rechtbank te Zwolle dat het Bureau Jeugdzorg Overijssel wordt belast
met de voorlopige voogdij over baby J.
Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat nog
steeds kinderen op internet worden aangeboden? Dat mensen alles in het werk
stellen om maar een kind te krijgen en daarbij alle wettelijke regels rond
adoptie, die er niet voor niets zijn, totaal negeren? Dat de obsessieve
kinderwens kennelijk blind maakt voor de consequenties voor het kind? Hoe
kunnen wij deze koop- en verkooppraktijk van een kind op internet nog steeds
toelaten?
Positief is wel dat de Zwolse rechtbank
anders dan de Utrechtse rechtbank bij baby Donna in 2007 vrijwel meteen tot een
beslissing komt en niet hoefde te aarzelen i.v.m. het zogenaamde ‘family life’
probleem. Dit houdt in dat men meent dat er een zodanige band tussen ouders en
kind is ontstaan, dat het schadelijk voor het kind zou zijn om het uit het
gezin van de (wens)ouders weg te halen. Maar bij zo’n beslissing kijkt een
rechter naar mijn mening ten onrechte alleen naar het gezinsleven op de korte
termijn, noem het ‘short term family life’. Op de lange termijn zou er, zoals
bij baby Donna, niet sprake hoeven te zijn van ‘family life’. Als namelijk het
gekochte kind volwassen wordt en zijn adoptieouders om een kind te krijgen, de
illegale gang van zaken rond de adoptie ernstig gaat verwijten. Dat het zich
als handelswaar behandeld voelt en daardoor ernstige gevoelens van
minderwaardigheid heeft gekregen. De kans bestaat dat deze persoon de banden
met de ouders, die hem in feite hebben gekocht, verbreekt. Van handhaving van
het gezinsleven, dus van ‘long term family life’, is dan geen sprake meer. Baby
J. hoeft in ieder geval niet in deze emotionele valkuil terecht te komen.
Ondertussen hebben de biologische ouders
van baby J. te kennen gegeven toch voor het kind te willen zorgen. Bij de Zwolse
rechtbank en de Raad vd Kinderbescherming was dit kennelijk nog niet bekend,
want zij hebben een periode van nog eens zes weken verblijf in een crisisgezin
voorgesteld om te kijken wat nu het beste is voor baby J. Een kind dat, uit
welk buitenland ook, hier onrechtmatig terecht is gekomen, dient op de kortst
mogelijke termijn te worden teruggebracht. Het gesleep met een kind van het ene
gezin naar het andere dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Bij baby J.
kan de Belgische kinderbescherming onderzoeken of het kind weer terug kan
worden gebracht naar zijn eigen ouders. En op welke wijze dit gezin gesteund
moet worden.
Het wordt hoog tijd dat er in Europees
verband een algeheel verbod komt van kinderhandel via internet of welke media
ook. En dat er duidelijke sancties komen op het niet naleven daarvan.
Iedereen kan nog steeds bij de Burgerlijke
Stand een kind aangeven zonder dat hij/zij hoeft te bewijzen dat het kind ook
inderdaad van hem/haar is. Daardoor kon baby J. simpelweg op naam van het Nederlandse
echtpaar geregistreerd worden. Deze frauduleuze praktijk komt veel vaker voor.
Daarom moet bij elke aangifte van een kind een verklaring van de arts of
verloskundige zijn dat het kind uit deze moeder is geboren. De regels moeten
aangepast worden en zo kan het ministerie van justitie een hoop ellende voor
kinderen voorkomen.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie)
Katholiek Nieuwsblad, 29 augustus 2008
Lesbisch ouderschap
De laatste jaren gaan er steeds vaker
stemmen op om adoptie door homoparen gemakkelijker te maken. Het in 2006
ingediende wetsvoorstel (30551) ‘adoptie door homoparen’ is een voorbeeld
hiervan. In 2007 diende Alexander Pechthold van D’66 een motie in met het
verzoek aan de regering wetsvoorstel 30551 zodanig uit te breiden dat lesbische
paren niet langer de volgens hem ingewikkelde weg van adoptie hoeven te
bewandelen om juridisch ouder te worden. Er werd een commissie van deskundigen
benoemd, de commissie Kalsbeek, die onlangs het Rapport Lesbisch Ouderschap
uitbracht. De belangrijkste conclusie van de commissie is dat de biologische
moeder zonder tussenkomst van de rechter de ‘meemoeder’ kan promoveren tot
juridisch ouder. De positie van de biologische vader moet nog verder worden
uitgewerkt. De commissie memoreert dat Nederland een emancipatoir homobeleid
voert (p.10) en zij hanteert als uitgangspunten; het belang van het kind en de
gelijke behandeling van homoparen en heteroparen. Deze uitgangspunten kunnen
tegenstrijdig zijn. De situatie van hetero- en homoparen zijn wat betreft het
krijgen van kinderen nu eenmaal niet gelijk. Dit heeft consequenties
voor het kind. Zo is het bij lesbische paren altijd de vraag wie de vader is.
Daarom zou bij lesbische paren, anders dan de commissie meent (p. 26), juist
wel de verplichting dienen te bestaan dat de identiteit van de biologische
vader wordt vastgelegd. Dat deze juridische verplichting bij heteroparen niet
bestaat, komt omdat het duidelijk is wie de vader en de moeder is. In de
uitzonderingsgevallen dat de sociale vader niet ook de biologische vader is,
bestaat de morele verplichting het kind daarover in te lichten. Boven dit
juridisch gekibbel over gelijkheid waar geen gelijkheid bestaat, moet je
vaststellen dat het kind zonder meer altijd recht heeft te weten wie zijn
biologische ouders zijn.
De commissie had ook in de situatie van
ouderschap van twee mannen moeite met
het gelijkheidsbeginsel. De situatie waarin twee mannen ouder zijn van
een kind heeft de Commissie zelfs niet beschouwd. Deze verschilt van de
situatie van het lesbisch ouderschap omdat volgens de Commissie ‘Een kind
immers niet binnen de relatie van twee mannen geboren kan worden’. Een
opvallende conclusie, omdat evenmin een kind binnen de relatie van twee vrouwen
geboren kan worden. Door te concluderen dat een kind kan worden geboren binnen
een relatie van een vrouw en een vrouw (p.13) wordt de plaats van de
biologische vader genegeerd. Er is toch in ieder geval een derde, de verwekker
of de spermadonor nodig.
De Commissie benadrukt het belang van de
identiteit van het kind. Het juridisch ouder zijn betekent volgens de Commissie
dat kind en ouder het gevoel krijgen voor altijd bij elkaar te horen. Het zou gaan
om een ‘diepe emotie’ (p. 16). Aan die uitspraak moest ik denken toen ik het
verhaal (Volkskrant 18 augustus jl.) las over Petra Saive-Smit (36 jr.) die
wanhopig op zoek is naar haar vader. Petra was kort na haar geboorte afgestaan
en vervolgens geadopteerd. Haar biologische moeder wilde niet de naam van haar
biologische vader noemen, zelfs niet na rechtszaken die dochter tegen haar had
aangespannen.
Petra staat niet alleen in deze dwingende
behoefte te weten wie haar vader is. In mijn decennia lange ervaringen in de
wereld van de adoptie, ben ik het zó vaak tegengekomen. Bij elke overweging,
waarbij het belang van het kind centraal zou staan, dient bedacht worden dat
voor het kind zijn biologische moeder en zijn biologische vader fundamenteel
tot zijn identiteit, het antwoord op de vraag wie ben ik, behoren. Daar
overheen te stappen is niet in het belang van het kind. Daarom ontgaat mij wat
een uitspraak als ‘de samenstelling van het gezin is daarbij niet van belang’
(p. 17) met het belang van het kind te maken heeft.
De werkelijkheid laat zien dat het ‘sociale
ouderschap’ steeds vaker voorkomt. Dit laat onverlet dat voor het kind het
biologisch ouderschap evenzeer werkelijkheid is. Alle wetgeving betreffende het
sociale ouderschap dient dit in overweging te nemen.
Daarom weet ik niet of het wel in het
belang van het kind is om de juridische positie van de meemoeder gemakkelijker
te maken. Is in deze gevallen adoptie zo tijdrovend en kostbaar? Graag zou ik
aan de hand van onderzoek wat meer willen weten over de stabiliteit van
dergelijke lesbische relaties, de reactie van het kind op eventuele
scheidingen, de plaats van de volgende ‘meemoeder’, hoe tegen de behoefte van
het kind om te weten wie zijn vader is wordt aangekeken en hoe wordt gereageerd
als het wat oudere kind misschien omgang met zijn vader wil. In ons land is de
erkenning van ouderschap een rechtshandeling en niet een waarheidshandeling
zoals in veel landen. Het sociale ouderschap staat centraal. Deze praktijk is
m.i. aan herziening toe.
Alle voorstellen rond het homohuwelijk
komen direct voort uit behoeften van volwassenen. Natuurlijk kan ik mij goed
voorstellen dat men graag kinderen wil. Wordt echter rekening gehouden met wat
kinderen willen? Met de werkelijkheid van kinderen? Met hun behoefte aan een
stabiele en bekende identiteit? Met hun behoefte op te groeien bij hun
biologische ouders?
René Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie)
Adoptiekind komt op het tweede plan
Donderdag 29 mei jl. verscheen het rapport
‘Interlandelijke Adoptie’ van de door Justitie ingestelde commissie Kalsbeek.
Het werd een omvangrijk rapport. Dat behoeft geen verbazing. De laatste jaren
is gezinsvorming, via adoptie van een buitenlands kind, voortdurend in het
nieuws geweest. Ter discussie kwam regelmatig de professionaliteit van de zeven
erkende bemiddelingsorganisaties; frequente gevallen van illegale adopties;
signalen dat adopties uit landen als Guatemala, Haïti, India en China, niet volgens
algemeen erkende regels waren verlopen; de 12.000 tot 30.000 euro, die door de
Nederlandse adoptieouders moeten worden betaald en klachten over eisen aan
adoptieouders. Kortom de commissie stond voor een moeilijke taak. Daarbij vroeg
zij zich af op welke wijze een evenwichtige invulling kan worden gegeven aan de
belangen van de te adopteren kinderen enerzijds en de wensen van adoptieouders
anderzijds. Kunnen we tevreden zijn over het resultaat als we bedenken dat
belangen van het hulpeloze kind voorop dienen te staan?
Allereerst jammer is het, dat naast de
adoptieouders niet ook geadopteerden vertegenwoordigd waren. Terwijl er meer
dan genoeg geadopteerden zijn - buitenlandse adoptie bestaat reeds vanaf 1958 -
die een goede inhoudelijke bijdrage hadden kunnen leveren. De commissie zegt
nota bene zelf ‘dat de belangen en wensen van de potentiële adoptieouders het
politieke debat over interlandelijke adoptie de afgelopen jaren meer hebben
beïnvloed dan die van de geadopteerden en de biologische ouders’.
De commissie memoreert voorwaarden uit het
Haagse Adoptieverdrag van 1993. Maar waarom wordt er niets gezegd over de
verplichting, zowel voor vergunninghouders als hun buitenlandse contacten, om
gegevens van geadopteerden tenminste honderd jaar te bewaren? Te bevorderen dat
Nederlandse vergunninghouders hun buitenlandse contacten tot veel grotere
nauwkeurigheid in het verzamelen, en openheid tot het verstrekken, van
achtergrondgegevens manen? De praktijk en televisie programma’s als Spoorloos
leren ons hoe belangrijk dit is voor het adoptiekind die veelal meer wil weten
over zijn achtergrond.
Het is ook in het belang van
adoptiekinderen dat er veel scherper, dan nu wordt voorgesteld, gecontroleerd
wordt op gegevens over het gezin van herkomst. Is moeder of vader echt onbekend
of gestorven? Heeft het kind broertjes of zusjes? Leven grootouders misschien
nog?
Wat het financiële aspect aangaat, volgt de
commissie vreemde wegen en lijkt zij niet het belang van het kind maar
bevordering van interlandelijke adoptie op het oog te hebben. Het geven van
geringe betalingen om overheidsdienaren in landen van herkomst van de kinderen
aan te sporen hun werkzaamheden uit te voeren, beschouw ik als een ongehoord
advies. Herkomstlanden zouden er meer en meer van doordrongen moeten raken, dat
ze blij mogen zijn dat hun kinderen elders ontwikkelingskansen krijgen. Dat
scheelt die landen heel veel aan kosten voor die kinderen. De houding die ook
uit dit rapport blijkt: dat wij blij mogen zijn dat er kinderen komen, is naar
mijn mening fors aan herziening toe.
De Commissie ziet adoptie niet als
kinderbeschermingsmaatregel. Zij legt namelijk de nadruk op adoptie als wijze
van creëren van nieuwe familierechtelijke betrekkingen tussen kind en
adoptieouders, op adoptie als gezinsvorming dus. Deze stellingname kan grote
psychologische effecten voor de praktijk hebben, want niet het kind in nood
staat centraal, maar de kinderwens van aspirant-adoptieouders.
Er worden kwaliteitseisen gesteld aan het
werk van vergunninghouders. Adoptiekinderen en hun ouders hebben er groot
belang bij dat de wijze van plaatsing correct geschiedt en met een
professionele kijk op de psychologische gevolgen voor adoptiekind en gezin. De
Commissie is echter nog altijd weinig voortvarend. Vergunninghouders krijgen
immers nog alle tijd om aan de voorgestelde eis van dertig bemiddelingen per
jaar te voldoen, terwijl wij al decennia lang precies weten hoeveel
bemiddelingen elke organisatie tot stand brengt. Waarom dan niet per 1 januari
2010 ingevoerd dat alle vergunninghouders aan deze eis moeten voldoen en niet
nog enkele jaren later? Aan aspirant-vergunninghouders wordt nota bene vijf
jaar de tijd gegeven om aan de eis van 30 bemiddelingen per jaar te voldoen.
Dat heeft niets met het belang voor het kind of gezinnen te maken. Daarbij, we
hebben helemaal geen behoefte aan meer vergunninghouders, de mogelijkheid
daartoe bevordert de jacht op kinderen.
Kinderen zijn niet gebaat om bij ouders
geplaatst te worden die naar leeftijd gezien ook hun grootouders hadden kunnen
zijn. De leeftijdseisen aan adoptieouders blijven dus volgens de Commissie
gehandhaafd. Adoptieouders en adoptiekind mogen niet meer dan 40 jaar van
elkaar verschillen, uitzonderingen daargelaten. Het is tevens in het belang van
het kind om tot die uitzonderingen ook de tweede kind plaatsing te rekenen, dan
kan het opgroeien in een gezin met meer kinderen.
Waardering voor de aanbeveling dat
geadopteerden op verzoek hun oorspronkelijke voornaam en/of geslachtsnaam op
een gemakkelijker manier kunnen herkrijgen. Veel geadopteerden worstelen met
hun identiteit, met de vraag wie ze eigenlijk zijn.
De voorstellen met betrekking tot de nazorg
voor adoptiegezinnen zijn volstrekt onvoldoende. Juist omdat er steeds meer
oudere kinderen en kinderen met medische of psychische problemen worden
geplaatst, is structurele begeleiding vanaf het moment van plaatsing
noodzakelijk. Die kan niet alleen bestaan uit een verplichte video-interactie
begeleiding, maar dient verbreed te worden tot het stellen van diagnoses en het
opstellen van behandelingsplannen voor kinderen met (ernstige)
gedragsproblemen. Dus regelmatig overleg met adoptieouders is aangewezen. Deze
nazorg dient te gebeuren door een aantal over het land verspreid werkende
groepen adoptiedeskundigen. De Stichting Voorbereiding Interlandelijke Adoptie
is daarvoor minder geschikt, omdat adoptieouders al vóór de adoptie verplicht
met deze organisatie te maken hebben en dan ook na de adoptie geen keus hebben
wie zij bij problemen willen raadplegen.
Tot slot. Juist voor de ontwikkeling van
een gezond gevoel van eigenwaarde van het adoptiekind dient elke mogelijkheid
tot illegaliteit bij adoptie de kop ingedrukt te worden. Node mis ik daarom
enige aanbeveling hoe rechters en Raden voor de Kinderbescherming dienen te handelen
bij apert duidelijk illegale adopties. Ook deze commissie lijkt kennelijk niet
zijn handen daaraan te willen branden.
René Hoksbergen
(emeritus hoogleraar adoptie, Universiteit
Utrecht)
Baby Donna: wat is het belang van het kind?
Al ruim drie jaar zijn een Belgische vader
en een Nederlands echtpaar in een heftige strijd gewikkeld over de toekomst van
een kind, bekend als baby Donna.
Een Belgische draagmoeder, die zichzelf
medio 2004 insemineerde met sperma van de Belgische wensvader, heeft dit kind
begin 2005 via internet voor 15.000€ te koop aangeboden. Dit terwijl zij met de
biologische vader en zijn toenmalige echtgenote had afgesproken dat zij dit
kind zouden krijgen, tegen de forse vergoeding van ca. 10.000€.
Een Nederlands echtpaar gaat in op de
advertentie. Zij hebben enkele jaren eerder door een medische fout hun kind
verloren en kunnen helaas geen kinderen meer krijgen, terwijl zij dat dolgraag
willen. De man heeft uit een eerder huwelijk wel twee kinderen. Voor adoptie
komen zij niet meer in aanmerking omdat de man, bij hun eerste verzoek aan het
Nederlandse Ministerie van Justitie, net enkele weken te oud is.
In mei 2005 berichtten verschillende
Nederlandse en Belgische kranten voor het eerst over deze kwestie. De
biologische vader spant een rechtszaak. Deze neemt veel tijd in beslag. Pas in
oktober 2007 besluit een Nederlandse rechter, dat het kind bij het Nederlandse
echtpaar dient te blijven. Het meisje heeft zich immers gehecht aan deze
pleegouders, er zou sprake zijn van family life. De biologische vader heeft
niet de mogelijkheid gehad met het kind family life op te bouwen, dus ook geen
recht op omgang met zijn kind. De vader gaat in beroep, maar volgens de
uitspraak van de Utrechtse rechter op 7 mei jl. kan hij alleen maar hopen op
een onregelmatig contact met zijn kind. En dit waarschijnlijk pas over enkele
jaren.
Hoe moeten we tegen deze gang van zaken
aankijken?
Allereerst, waar een draagmoeder wordt
ingeschakeld om een kind te krijgen, is er een gerede kans dat afspraken niet
worden nagekomen. Afdwingbaar zijn in dit verband gemaakte afspraken niet.
Niet-commercieel draagmoederschap is mogelijk en gebeurt meestal binnen
familieverband. De Raad voor de Kinderbescherming moet daarbij betrokken worden
en het kind wordt officieel geadopteerd door de wensouders. Door de moderne
voortplantingstechnologie is het commerciële draagmoederschap ontstaan. Ik noem
dit de multimediale kinderhandel. Het is verboden. Op grond daarvan had in de
kwestie van baby Donna meteen ingegrepen moeten worden. We kunnen ons afvragen
waarom dit niet is gebeurd toen de zaak in de pers kwam. Het meisje was toen
pas enkele maanden oud. Alle Nederlandse en Belgische rechtsregels rond de
bescherming van het kind en adoptie waren overduidelijk genegeerd. Er was
sprake van commercieel draagmoederschap, van het kopen van een kind. Bovendien
kon er van adoptie door dit echtpaar geen sprake zijn. Ontbrak het de
Nederlandse en Belgische juridisch verantwoordelijken aan moed of betrokkenheid
om dit Belgische kind bij dit Nederlandse gezin, dat zo vreselijk graag
kinderen wilde, weg te halen?
Omdat de rechtsgang, die door de Belgische
vader wordt aangespannen en vervolgens door de pleegouders en hun advocaat,
wordt getraineerd, is baby Donna al 2,5 jaar als de rechter besluit dat zij bij
haar pleegouders mag blijven. De rechters en het echtpaar zien dan echter over
het hoofd dat dit meisje geen kind blijft. Zij zal op de hoogte raken van haar herkomst.
De Nederlandse Raad voor de Kinderbescherming houdt namelijk toezicht op dit
gezin en de biologische vader zal met haar contact krijgen. Adoptieliteratuur
(N. Verrier (2007, Afgestaan) laat
zien hoezeer geadopteerden worstelen met hun identiteit. Wat kunnen we dan van
baby Donna verwachten? Hoe zal zij de bekende identiteitsvragen als “Wie zijn
eigenlijk mijn biologische ouders?”, “Waarom ben ik afgestaan?” “Hoe verliep
mijn ‘adoptie’?”, “Hoe zien anderen mij?” beantwoord krijgen? Zal zij daarom haar
pleegouders over enkele jaren inderdaad als haar ouders blijvend aanvaarden?
Hoe zal zij leren om te gaan met deze totale verwarring omtrent haar ontstaan
en de volstrekt toevallige manier waarop zij bij haar pleegouders terecht is
gekomen, terwijl haar vader buiten spel werd gezet?
Ook in de uitspraak van 7 mei blijkt de
Nederlandse rechter alleen maar oog te hebben voor de korte termijn belangen
van het kind. Inderdaad het nu uit het gezin weghalen zal voor het kind en de
pleegouders pijnlijk zijn, misschien wel traumatisch. Het in dit gezin laten
zal echter uiteindelijk schadelijk kunnen zijn voor Baby Donna.
Hoe nu verder?
Het is allereerst voor baby Donna van groot
belang, dat de biologische vader op een wijze die het kind aankan in beeld
wordt gebracht. Pleegouders dienen intensief te worden begeleid.
En voor de toekomst geldt dat in dergelijke
situaties veel sneller moet worden ingegrepen. Precedent werking door deze
volkomen verkeerd aangepakte zaak dient met kracht te worden tegengegaan
Arm kind, arme kinderen.
René Hoksbergen
(emeritus hoogleraar adoptie, Universiteit
Utrecht)
Evaluatie Adoptiewet: voorstellen gaan niet ver genoegi
Belang van het kind?
Al vele malen is de adoptiewet aangepast.
De eerste adoptiewet van 1956 had hoofdzakelijk oog voor adoptie van in
Nederland geboren kinderen. De laatste keer dat de wet werd aangepast was in
1998, toen Nederland het Haags adoptieverdrag ondertekende. Naar aanleiding
daarvan werd de adoptiewet van 1989 fors herzien. Het Haags Adoptieverdrag
heeft vooral ten doel te komen tot professionalisering van de adoptiepraktijk,
het voor de bemiddeling uitsluitend werken met erkende organisaties en
overeenstemming in procedures tussen de
bij adoptie betrokken landen. In het Haags Adoptieverdrag en de Nederlandse
wetgeving is vastgelegd dat adoptie op de eerste plaats gezien moet worden als
een vorm van kinderbescherming. In de wet van 1956 was dit ook uitdrukkelijk
het uitgangspunt. Het “belang van het kind” dient voorop te staan. Jammer is
dat nog steeds niet naar inhoud wordt uitgewerkt wat onder het “belang van het
kind” dient te worden verstaan. Ook in de hierna te bespreken evaluatie van de
wet van 1998 gebeurt dit niet. En dit terwijl er langzamerhand genoeg
onderzoeksmateriaal bestaat wat het belang van het kind en dat van
adoptiekinderen in het bijzonder inhoudt. Het is dan ook goed mogelijk om dit
“belang van het kind”, en zeker wat dit “belang”niet dient, te definiëren
en nader te omschrijven. Dit zou alsnog dienen te gebeuren. Dan dwingt de
wetgever zich rekenschap te geven welke onderdelen in wet en procedure
inderdaad het kind dienen en welke in dit verband terzijde kunnen worden
geschoven.
Adoptiewet van 1998 was aan herziening toe
Zes jaar na het inwerking treden van de Wet
Opneming Buitenlandse Kinderen ter Adoptie (WOBKA) is deze wet dus nu met
behulp van het Adviesbureau Van Montfoort te Woerden geëvalueerd. Een
uitstekend initiatief van het Ministerie van Justitie. Adoptieorganisaties,
enkele Adoptie-ouderverenigingen, Raad voor de Kinderbescherming en
wetenschappers werden naar hun mening gevraagd. Diverse boeken en artikelen
zijn eveneens geraadpleegd.
Het is een lijvig en gedegen rapport
geworden. Het belang voor alle betrokkenen is dan ook groot. Elk jaar worden er
1000 tot 1200 buitenlandse adoptiekinderen in Nederlandse gezinnen geplaatst.
Kinderen die bij aankomst gemiddeld bijna twee jaar oud zijn. Vrijwel al deze
kinderen hebben tenminste enkele maanden in een kindertehuis gezeten. Sommige
kinderen zijn in het land van herkomst (ernstig) verwaarloosd op het moment dat
zij in hun nieuwe gezin worden opgenomen. De belangrijkste landen van herkomst
zijn momenteel: China, Colombia, Haïti, Taiwan en Ethiopië. Vroeger kwamen ook
veel kinderen uit Zuid Korea, Indonesië, Sri Lanka en India. Uit ongeveer
dertig landen komen elk jaar een of meer kinderen.
Er komt meer controle op de instanties in het land van herkomst
Op enkele punten worden in de Evaluatie
eindelijk knopen doorgehakt. Als een Nederlandse bemiddelaar geen betrouwbare
informatie van de bemiddelende instelling in het land van herkomst over de
kinderen krijgt, dient dit contact gestopt te worden. Bij het Ministerie van
Justitie rust de verplichting dit aan de adoptiebemiddelaars duidelijk te
maken. Daarmee lopen adoptie-ouders uiteindelijk minder kans verrast te worden
met een kind dat onverwachte medische of psychische handicaps of problemen
heeft. De altijd al gevoelde en gemelde noodzaak van een veel betere controle
op de werkwijze van instanties in het land van herkomst van de adoptiekinderen
zal daarmee voor het eerst in een maatregel zijn omgezet. Dit is een
belangrijke verbetering. Adoptieorganisaties worden als het ware gedwongen de
instanties met welke zij in de vele landen samenwerken, te controleren. Die
buitenlandse instanties zullen zich meer realiseren dat van eventuele
oppervlakkige, vrijblijvendheid en beoordelingen als “het is een aardig en
gezond kindje met misschien enige achterstand in ontwikkeling” geen sprake meer
kan zijn. Duidelijke medische en psychologische rapportages over het voor
adoptie vrij gegeven kind zijn voortaan vereist. Dit zal overigens wel een
kostenverhogende factor zijn. Het vraagt van bemiddelende instanties veel meer
disciplinering van hun werkwijze en extra tijd.
Klachtencommissie kan voortaan rechtstreeks
worden benaderd
Het is een grote verbetering dat
voorgesteld wordt dat adoptie-ouders bij een klacht voortaan rechtstreeks
contact op kunnen nemen met de landelijke klachtencommissie. Zij hoeven hun
formele klacht over de adoptiebemiddelaar niet eerst bij deze bemiddelaar,
zoals nu het geval is, in te dienen. Hierbij moeten we uiteraard bedenken dat
voordat het tot een formele klacht bij de landelijke commissie komt, er meestal
tussen bemiddelaar en aspirant-ouders heel wat aan vooraf zal zijn gegaan. Als
een ouderpaar een klacht indient, moet de bemiddelaar toch de lopende
bemiddeling voortzetten. Hiermee is de afhankelijkheid van
aspirant-adoptieouders enigszins verminderd.
Bij de landelijke klachtencommissie werden
in de afgelopen vier jaar 12 klachten ingediend, allemaal nadat de
adoptieprocedure was afgerond. Kennelijk werd het indienen van een klacht door
de aspirant-adoptieouders tijdens de adoptieprocedure te riskant gevonden. De
bemiddelaar zou wel eens kunnen besluiten om niet verder te bemiddelen voor
zo’n “lastige”cliënt. Of bij de aanvraag van een volgend kind niet te willen
bemiddelen.
Ook op juridische en financiële punten zijn
voorstellen gedaan die de duidelijkheid van de positie van de bemiddelaar en
die van het Ministerie ten goede komen.
IBO-procedure wordt afgeschaft
De zogeheten IBO-procedure (Individueel
Bijzonder Onderzoek) wordt afgeschaft. Aanvragers voor adoptie die 42 jaar of
ouder waren, moesten hun bijzondere opvoedingsgeschiktheid tonen, omdat zij
altijd een ouder kind zouden krijgen. Nu wordt voorgesteld dat de Raad voor de
Kinderbescherming “ongeacht de leeftijd van de ouders, bij de bereidheid een
ouder kind, een gehandicapt kind of twee of meer kinderen tegelijk op te nemen,
de specifieke geschiktheid van de ouders hiervoor onderzoekt.” Dit vraagt aan
de Raad specifieke deskundigheid en grotere zorgvuldigheid bij de uitvoering
van het gezinsonderzoek.
Enkele voorstellen gaan echter niet ver
genoeg
Ten aanzien van enkele hoofdpunten gaan de
voorstellen echter lang niet ver genoeg of wordt de plank naar mijn mening
misgeslagen.
Nauwelijks eisen aan de bemiddelaars
Allereerst wat betreft de eisen die aan de
bemiddelaar worden gesteld. Daarover blijft het rapport onduidelijk. Vijf van
de zeven bemiddelaars werken uitsluitend met vrijwilligers. Aan vrijwilligers
kunnen geen harde professionele eisen worden gesteld. Werken met vrijwilligers
houdt een zekere vrijblijvendheid in. Overigens alle lof voor de mensen die
zich zo geweldig inzetten. Het gaat hier echter om plaatsing van kinderen bij
wie vaker medische en gedragsproblemen te verwachten zijn, als zij worden
vergeleken met door geboorte in gezinnen gekomen kinderen. Het vele onderzoek
dat de laatste decennia is verricht laat geen andere conclusie toe. Plaatsing
van een adoptiekind vraagt aanzienlijke kennis over gezinsvraagstukken,
opvoeding in het algemeen, opvoedingsproblemen, gedragsproblemen van kinderen,
bijvoorbeeld na een periode van ernstige verwaarlozing, mishandeling,
confrontatie met (oorlogs)geweld, natuurrampen, e.d. Plaatsing van deze
kinderen aan vrijwilligers over te laten zonder eisen van professionaliteit te
stellen, is in ons op andere punten overgereguleerde land, wel zeer
merkwaardig. Het belang van kind en ouders is hiermee niet gediend.
Specialistische instanties nodig voor
gestructureerde nazorg
De nazorg voor adoptieouders is de laatste decennia
al vele malen ter tafel gekomen en altijd vanuit het oogpunt van het tekort.
Momenteel dienen de bemiddelaars daarvoor te zorgen, tot tenminste één jaar na
plaatsing. Dit wil men in de wet vastleggen en in een apart beleidsstuk de
inhoud van deze nazorg omschrijven. De huidige bemiddelaars zijn niet in staat
om voldoende nazorg te bieden. Van enige controle door het Ministerie is ook
nooit sprake geweest. Terwijl veel van de adoptiekinderen hun adoptieouders al
spoedig of tijdens de puberteit voor ingewikkelde opvoedingsproblemen plaatsenii.
Hun moeilijke voorgeschiedenis, de scheiding van de verzorgers aldaar en de
grote verandering, samengaand met plaatsing in het adoptiegezin, zijn daar
debet aan. Deze problemen vragen gespecialiseerde kennis en een regelmatige,
goed omschreven vorm van gestructureerde nazorg. Meteen na plaatsing dienen
adoptie-ouders al te weten tot wie zij zich bij (ernstige) problemen kunnen
wenden. Opdat het langdurig shoppen, totdat de juiste hulpverlener is gevonden,
tot het verleden gaat behoren. Hoe kan dit nu van de vrijwilligers van een
bemiddelende organisatie verwacht worden? Of van de twee professionele
instellingen die daarvoor niet de financiële middelen hebben?
Al vele jaren wordt erop aangedrongen om
voor adoptie- en pleegouders gespecialiseerde instituten in het leven te
roepen. De problemen in de gezinnen zijn nogal eens van crisisachtige aard. Dan
is een wachttijd van drie maanden of langer bij een van de Bureaus voor
Jeugdzorg voor de ouders onaanvaardbaar. Deze wachttijd wordt o.a. veroorzaakt
door de bureaucratische wijze waarop de hulp is georganiseerd. De scheiding van
diagnose en de noodzakelijke hulp in de Jeugdzorg veroorzaakt deze extra
wachttijd. Waarom staat het “huisartsenmodel” niet als voorbeeld bij de
Jeugdzorg? De huisarts stelt een diagnose en tracht vervolgens meteen tot
eerste hulp te komen. Als bij bepaalde gezondheidsklachten meer is vereist, kan
hij naar een ziekenhuis of andere specialistische hulp verwijzen. De
hulpverlener in de Jeugdzorg zit niet dicht genoeg op het probleem en het
betreffende (adoptie)gezin. Mogelijk is hij ook niet bekend met de specifieke
kenmerken van het adoptiegezin, ondermeer dat adoptie-ouders een andere
hulpvraag en hulphouding hebben dan andere zich bij Bureau Jeugdzorg
aanmeldende gezinnen. Voor veel adoptiegezinnen, zo blijkt uit onderzoek,
blijkt deze wijze van hulpverlening inadequaat te zijn.
In het Evaluatierapport wordt erkend dat
“specialistische deskundigheid bij hulpverlening bij adoptie” noodzakelijk is,
en “de reguliere jeugdzorg moet van deze specifieke deskundigheid worden
voorzien”. Aan alle Bureaus Jeugdzorg over het gehele land verspreid deze eis
stellen is niet realistisch. Sommige bureaus zullen trouwens weinig en
onregelmatig met hulpvragen door adoptie-ouders worden benaderd. Als dan toch
de bestaande bureaus Jeugdzorg moeten worden ingeschakeld waarom dan niet
enkele, over het land verspreid liggende, bureaus specifiek voor deze
“specialistische hulpverleningstaak” aanwijzen? Daarbij dienen ook de
consultatiebureaus voor zuigelingenzorg te worden betrokken. Daar zullen
adoptie-ouders vaak het eerst naar toe gaan. Ook daar dient enige kennis over
mogelijke gedragsproblemen van adoptiekinderen te bestaan. Het zal helpen
wanneer deze bureaus bij vragen van adoptie-ouders over de aanpassingsproblemen
van hun adoptiekind weten naar welk specialistisch bureau zij kunnen verwijzen.
Het heikele punt: de leeftijdseisen
Over de kwestie van de leeftijdseisen aan
adoptie-ouders zal bij enkele adoptie-ouderverenigingen, waaronder de LAVA,
grote irritatie ontstaan. Deze zijn door het Adviesbureau kennelijk onvoldoende
gehoord. Als het Evaluatierapport wordt gevolgd, verandert er namelijk niets.
Men handhaaft een maximaal leeftijdsverschil tussen kind en oudste ouder van 40
jaar. Wetenschappelijk onderzoek dat een dergelijk grens in het belang van het
kind zou zijn ontbreekt geheel. Sinds het indienen van de eerste adoptiewet in
1956 is de gemiddelde leeftijd van zowel mannen als vrouwen met ongeveer vijf
jaar toegenomen, is de leeftijd waarop de vrouw haar eerste kind krijgt tot
bijna 30 jaar gestegen, en krijgen steeds meer moeders en vaders ouder dan
veertig jaar nog kinderen. Zouden deze leeftijdsontwikkelingen niet reden
kunnen zijn om een soepeler standpunt in te nemen? Zou niet gedacht kunnen worden aan
opschuiving van de maximale leeftijdsgrens met vijf jaar? Een leeftijdsverschil
van 45 jaar tussen oudste ouder en kind het maximale toegestane
leeftijdsverschil wordt?
De leeftijdseisen voor het te adopteren
kind blijven eveneens ongewijzigd. In Nederland kunnen alleen kinderen ter
adoptie worden geplaatst die jonger dan zes jaar zijn. Uitzondering wordt
gemaakt voor een oudere broer/zus, of voor een kind dat ernstige schade zal
ondervinden door scheiding van het (jongere) geadopteerde kind, we spreken dan
van de sociale sibling. In veel landen, bijvoorbeeld in België, bestaat een
dergelijke strakke leeftijdseis niet. Adoptie-ouders in ons land zijn nota bene
verplicht een voorbereidingscursus te volgen, en een gezinsonderzoek te
ondergaan. Dan zouden de weinige ouders die gemotiveerd zijn om een kind van
zes jaar of ouder op te nemen, ook apart daarvoor kunnen worden voorbereid. En
juist ook deze ouders kunnen veel baat hebben bij de hiervóór voorgestelde gestructureerde
nazorg. Zou het niet het belang van het kind dienen om de weinige ouders die
bewust wel een kind van zes jaar of ouder willen adopteren, deze mogelijkheid
ook inderdaad te geven?
Alle eisen rond de leeftijd van zowel
adoptiekind als adoptie-ouder kunnen als een vorm van legale betutteling worden
gezien, betutteling van adoptie-ouders. Regelgeving in dezen zou meer uit
dienen te gaan van mogelijkheden en motieven van de individuele gezinnen.
Deelbemiddeling
Aspirant-adoptieouders, die via een eigen
contact een kind willen adopteren, dienen nog steeds een bemiddelaar te vragen
dit contact op betrouwbaarheid te controleren. Dit is merkwaardig. Bemiddelaars
zijn geen onafhankelijke instanties als het om de beoordeling van contacten van
individuele ouders gaat, omdat zij ter plekke hun eigen bemiddelingsbelangen
kunnen hebben. Dit wordt trouwens door sommige bemiddelaars erkend. Laat een
onafhankelijke instantie aan de hand van een richtlijn deze controle
uitoefenen. Het Ministerie kan bepalen welke instantie dit dient te zijn. Deelbemiddeling moet goed gecontroleerd
worden. Mensen die vreselijk graag een kind willen, kunnen verleid worden tot
stappen die niet goed zijn voor het fenomeen buitenlandse adoptie. Maar
deelbemiddeling mag ook niet onmogelijk worden gemaakt. Er zijn veel situaties
bekend waarbij een duidelijk adoptabel kind alleen via de activiteiten van het
bonafide werkende particuliere echtpaar, een goede toekomst kon krijgen.
Kortom naast enkele positieve voorstellen,
valt er nog wel wat te verbeteren. De Tweede Kamer heeft ruim de mogelijkheid
om tot constructieve voorstellen voor het adoptieveld te komen.
Prof. Dr. René A.C. Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie)
i Bewerking
en uitbreiding van het in het Reformatorisch Dagblad verschenen artikel.
ii Zie
bv. R.A.C. Hoksbergen en de medewerkers van het Roemeniëproject: Effecten van
verwaarlozing, Univ. Utrecht, afd.adoptie, 2002.
Identiteit en ontwikkeling adoptiekinderen
Op weg naar volwassenheid1
Er is geen vaste
rode lijn in het leven van mensen die als kind geadopteerd werden. Toch
probeer ik hierna allerlei
bijzonderheden rond de opvoeding van adoptiekinderen in het algemeen aan te
geven. Een lijn, een reactiepatroon die voor hen allemaal van toepassing zou
zijn, bestaat er echter niet. Verschillen in identiteit, verschillen in
achtergrond en ontwikkeling, en grote verschillen in levenservaring doen niet
anders veronderstellen. Uit mijn meer dan dertigjarige praktijk, de intensieve
en langdurige contacten die ik met honderden geadopteerden van allerlei
leeftijden heb gehad, en de eveneens langdurige en intensieve gesprekken die ik
met hun adoptieouders heb gevoerd, is voor mij overduidelijk gebleken hoe
verschillend mensen reageren op ogenschijnlijk vergelijkbare omstandigheden.
Geadopteerden en ook hun ouders kunnen niet over een kam worden geschoren.
In mijn
onderzoek bij uit Roemenië afkomstige adoptiekinderen ben ik nog weer eens uitdrukkelijk
geconfronteerd met deze verschillende reacties en gedragingen (Hoksbergen e.a.,
1999 en 2002). Dit terwijl de veelal slechte omstandigheden in het land van
herkomst vergelijkbaar waren. Hierna zal ik meer over dit onderzoek zeggen.
Zo ben ik
uitermate geboeid geraakt door een meisje van 13 jaar toen ik een uitvoerig
gesprek had met haar ouders. Zij voelde zich uitstekend thuis op het VWO. Bij
haar ouders thuis was ze misschien wat aan de rustige en stille kant, maar enige
vorm van gedrags- of persoonlijkheidsproblematiek was verre van haar. Toch was
dit zelfde meisje pas op vijfjarige leeftijd in het adoptiegezin geplaatst. Zij
was opgegroeid in een kindertehuis en vertoonde daarvan bij aankomst in het
adoptiegezin alle tekenen. Ze was ondervoed, haar gezondheid was matig, ze was
enigszins in haar groei achtergebleven en haar ontwikkeling vertoonde
achterstanden. Al deze negatieve punten wist dit kind spoedig te compenseren.
Overigens met behulp van ouders die juist voor dit begaafde kind kennelijk
precies goed waren gekozen. Ouders die als belangrijkste aanpak van de
opvoeding, het meisje rustig haar eigen ontwikkeling lieten, respect hadden
voor haar identiteit, haar vooral niets opdrongen en als het ware vanuit een
stabiele achtergrond datgene aanreikten wat voor dit kind essentieel was. Die
overigens natuurlijk ook een grote hoeveelheid liefde en aandacht toonden.
Kortom het klikt perfect tussen deze mensen. Zo kan het dus ook gaan, ook bij
een op oudere leeftijd geadopteerd kind met een extreem negatieve achtergrond.
Misschien is het
oudere kind zich wel sterker het verschil bewust tussen de situatie vroeger in
Roemenië en nu bij de adoptieouders. Hoort het bij wat ik noem het
overlevingssyndroom om deze bewustheid om te zetten in positief gedrag, op
school en bij de nieuwe ouders.
Bij veel
geadopteerden vergeleken met hun leeftijdgenoten zien we gedragsproblemen van
allerlei aard. Onderzoeksgegevens hierover zijn er vele (Hoksbergen &
Walenkamp, 2000). Hierna zal ik vooral aan de gevonden bijzondere gedragingen
van geadopteerden aandacht besteden. Ik zal dat doen door enkele
ontwikkelingsfasen van de mens de revue te laten passeren en aandacht te geven
aan de worsteling met de identiteit.
Ik spreek van
fasen in de ontwikkeling. Deze zijn natuurlijk niet van elkaar te scheiden. Er
is altijd overlap. Bedoeld is dat tijdens een bepaalde leeftijdsperiode, dan
fase in de ontwikkeling genoemd, rekening moet worden gehouden met bijzondere
kenmerken in de ontwikkeling van de jonge mens.
Wanneer je op
jonge leeftijd, misschien als baby al, de vele generaties waarin jouw
verwantschapslijnen liggen om welke reden dan ook bent kwijt geraakt, heeft dat
een fundamentele invloed op de rest van je leven. Het opgroeien bij andere dan
jouw biologische ouders vraagt om een heel scala aan aanpassingen, een leven
lang (Brodzinsky, Schechter en Henig, 1997). Het vele onderzoek en een schat
aan persoonlijke en klinische ervaringen laten niets anders concluderen. De
Amerikaanse auteur Nancy Verrier (1993), therapeute en moeder van een
biologische en geadopteerde dochter, heeft haar boek in dit verband de
sprekende titel ‘The Primal Wound’ gegeven. Daarmee doelt zij op de
fundamentele pijn, de verwonding die het afgestaan zijn, ergens tijdens het
leven, veroorzaakt3. De geadopteerde moet bij zichzelf als het ware
een nieuwe identiteit opbouwen. De vraag “wie ben ik” kan niet beantwoord
worden vanuit het verleden, de biologische ouders en de rest van de familie. Ik
geef een voorbeeld van een situatie die ik al meermalen heb ontmoet.
Ik werd twee
jaar geleden benaderd door een uit India afkomstige jonge man van bijna dertig,
die mijn hulp inriep om te leren zichzelf beter te accepteren. Hij was als
nauwelijks tweejarig kind naar Nederland gekomen en geplaatst in een gezin met
twee biologisch-eigen kinderen. Vrijwel vanaf het begin had dit kind zich
vergeleken met de andere twee kinderen de mindere gevoeld. Maar veel ernstiger
nog was het gevoel van een “niemand” te zijn, niet te weten wie hij eigenlijk
was en naar zijn beleving en overtuiging, ongewenst te zijn. Want anders word
je toch niet afgestaan? Hij had ondertussen al veel informatie over zijn
achtergrond, want zowel zijn biologische vader als zijn biologische moeder had
hij verschillende malen uitgebreid gesproken. Toch had dit niet zozeer zijn
boosheid en verdriet om het afgestaan zijn, weggenomen.
Ik benaderde
zijn probleem zo zakelijk mogelijk. Hij kon dit gezien zijn intelligentie goed
hebben en begrijpen. En dat bleek te werken. Allereerst gaf ik hem veel
informatie over de cultuur van het land waar hij vandaan kwam. Besprak ik ook
de verschillende mogelijkheden die voor de beide ouders kennelijk hadden
opengestaan. Probeerde ik duidelijk te maken dat het vanuit zijn land van
herkomst begrijpelijk was, dat zijn ouders meenden dat zij geen andere
mogelijkheid hadden. Toch bleef hij kwaad hierover. Gevoed door de wetenschap
dat hij als jongste kind was afgestaan, de oudere kinderen echter niet. Hij
benadrukte vooral dat een moeder haar kind toch niet afstaat!
Ik wees hem ook
op het evenwicht dat verleden en toekomst met elkaar in het leven moeten
hebben. Opnieuw was ik tegenover zijn boosheid en verdriet, vooral zakelijk.
Zei ook dat een dergelijke situatie elke dag bij duizenden kinderen voorkomt en
kennelijk tot een van de onvermijdelijk negatieve aspecten van de voortgang van het leven op deze
planeet behoorde. Dat hij nu echter zijn leven zelf invulling moest en ook kon
geven. Dat het nu allereerst zin had om naar de positieve kanten van zijn
huidige bestaan te kijken. En die waren er vele. Ik wees hem op zijn goede
gezondheid, dat hij er goed uitzag, begiftigd met een goede intelligentie,
meedenkende en meevoelende adoptieouders, een goede baan, etc. Bij al zijn worstelingen
met zijn leven en zijn identiteit speelden de adoptieouders overigens alleen op
de achtergrond een rol. Met hen had hij een goede relatie, vooral met zijn
vader. Zijn ouders hadden hem bij de zoektocht naar het verleden volledig
gesteund. Deze hadden er overigens best wel moeite mee, dat hij zo intensief
met zijn verleden bezig was. Waren zij als ouders dan niet belangrijk geweest?
Gedachten die zij overigens voor zich hielden. Het heeft lange tijd geduurd en
we waren een groot aantal gesprekken met veel tranen en woede uitbarstingen
verder tot hij uiteindelijk bij zichzelf enige berusting en vrede vaststelde.
Een heftige en volledig beantwoorde liefdesrelatie hielp hierbij overigens ook
flink. Maar hij was nu dan ook in staat om deze aan te gaan! Hij woont met de
betreffende jonge vrouw al lange tijd samen.
De worsteling
met het ‘afgestaan zijn’ betekent voor geadopteerden belast te zijn met een wel
heel bijzondere taak in het leven. Het aanvaarden van een nieuwe identiteit.
Hoe zij deze taak vervullen is van veel factoren afhankelijk. Denk allereerst
aan de persoonlijkheid van de geadopteerde.
Denk ook aan de kennelijke reden
van het afgestaan zijn, de omstandigheden waaronder dit plaats vond, de verdere
levensgeschiedenis in het land van herkomst, de wijze van opvang in het
adoptiegezin en de ontwikkelingsfase waarin geadopteerde zich bevindt. Daarmee
zij eveneens vastgesteld dat geadopteerden met meer gecompliceerde aspecten in
hun leven te maken hebben dan anderen. Aspecten die voor een deel alleen op hen
van toepassing zijn.
Ik zal nu kort
ingaan op aspecten juist voor geadopteerden van belang tijdens enkele stadia in
hun ontwikkeling (Brodzinsky et al.,
1997).
Wanneer een kind
als baby al wordt afgestaan, zal de moeder in veel gevallen reeds tijdens de
zwangerschap daarop anticiperen. Spanning, stress, angsten, schuldgevoelens,
boosheid, spijt en andere negatieve belevingen kunnen de overhand krijgen.
Extreme gevoelens beïnvloeden de lichamelijke huishouding van de moeder en daarmee
ook de foetus. Zowel negatieve fysieke aspecten als gebruik van drugs, roken,
te veel alcohol, bepaalde medicijnen, als negatieve emotionele aspecten zullen
in enige mate effect op de foetus hebben. Zo kregen Nederlandse vrouwen, die
gedurende de Duitse invasie zwanger waren, significant vaker dan gemiddeld een
kind dat later schizofreen werd (Hoksbergen, 2000). Het bij geadopteerden
verkrijgen van betrouwbare informatie over de zwangerschapsperiode en geboorte
is echter veelal onmogelijk. Zoiets als foetaal alcohol syndroom diagnosticeren
zal dus op problemen stuiten. Terwijl de indruk bestaat dat bij kinderen uit
Oost-Europese landen de kans daarop zeker aanwezig is. Kortgeleden bij mijn
lezing over ons onderzoek onder Roemeense adoptiekinderen tijdens de
conferentie in St. Johns, New Brunswick (15-10-2004), wezen enkele
maatschappelijk werksters mij daarop
De baby die ter
wereld komt zal vanuit zijn bestaansdrift met als symptomen daarvan de werking
van reuk- en tastzin, zijn gerichtheid op de moeder tonen. Hij zal zich vanuit
zijn overlevingsdrift allereerst op de moeder richten. Het kind kan ook niet
anders. In die eerste 12 tot 18 maanden zal een kind vanuit de intensieve
interactie met zijn moeder gevoelens van vertrouwen, veiligheid en bestaanszekerheid
ontwikkelen. De moeder was er altijd voor hem. Zijn meest basale behoeften,
eten, fysieke en emotionele warmte, werden door haar bevredigd. Daarmee
ontwikkelt het kind gevoelens van veiligheid en vertrouwen in zichzelf en in
anderen.
Bij geadopteerden,
die als baby zijn afgestaan, kan echter juist het ontwikkelen van gevoelens van
vertrouwen, zekerheid en veiligheid ernstig in de knel komen. Als de moeder
niet anders kan dan het kind afstaan, is dit voor het kind een uiterst
pijnlijke gebeurtenis. In medische termen zou je kunnen spreken van een major
event. De plotselinge scheiding van de persoon waarop hij zich volledig
richtte. Een dergelijke scheiding in deze ontwikkelingsfase betekent vaak, dat
er zich basisgevoelens van onveiligheid, onzekerheid en wantrouwen in zichzelf
en in anderen ontwikkelen. Deze gevoelens van wantrouwen kunnen betekenen:
-
dat geadopteerde als
adolescent/volwassene sterk aan zichzelf gaat twijfelen, en kan worstelen met de
vraag wie hij is, op wie hij lijkt, hoe anderen hem zien, kortom een worsteling
met zijn identiteit.
-
dat zijn gevoel van
eigenwaarde (selfesteem) wordt aangetast,
-
dat er twijfel aan motieven
en bedoelingen van andere mensen ontstaat,
-
dat een basisgevoel van
wantrouwen wordt ontwikkeld.
Het temperament
van het kind, zijn aangeboren eigenschappen, zullen bepalen hoe sterk deze
negatieve ontwikkeling is. Het hiervoor genoemde Roemeense meisje bezit
kennelijk een geweldige veerkracht en een buitengewoon sterke levensdrift. Ze
wordt misschien ook minder sterk door allerlei emotionele reacties beheerst en
weet ze de verschillende negatieve levensaspecten goed op zichzelf te
beoordelen en er nog het beste uit te halen. Dit enigszins in tegenstelling tot
het voorbeeld van de Indiase jongeman. Deze toonde zich afhankelijker,
emotioneler maar uiteindelijk ook sterk en vol inzet om levensaspecten naar
zijn hand te zetten.
De ontwikkeling
van een kind tijdens de eerste twee jaar is enorm. Uit onderzoek weten we dat
het zelfbesef, het besef van de eigen existentie, van het zijn, van het ik en
het niet-ik, reeds kort na de geboorte bestaat. Daardoor kan het gevoel van
zelfbesef en daarmee van vertrouwen al spoedig na de geboorte beschadiging
oplopen, of zich slecht ontwikkelen. Dit gaat in de richting van wat door
Geertje van Egmond als het Geen Bodem Syndroom (Van Egmond, 1987) werd genoemd.
Deze beeldende benoeming heeft in de praktijk veel weerklank gekregen. Zelf
vind ik de term ‘geen Bodem’ te sterk. Er is sprake van beschadiging van de
psychische ontwikkeling, veelal met negatieve gevolgen voor het gedrag. Ouders
en eventueel ingeschakelde hulpverleners hebben tot taak deze beschadigde Bodem
op de eerste plaats te leren kennen en vervolgens zoveel mogelijk te
herstellen. Vaak betekent dit dat verwachtingen van ouders bijgesteld moeten
worden. Het kind, de adolescent, de volwassene gedraagt zich anders dan men
eigenlijk zou willen. Geadopteerde heeft de taak om met bepaalde kwetsuren te
leren leven.
Als het niet-ik
zich principieel wijzigt (moeder verdwijnt) hoe zal het kind dat dan beleven?
De separatie van de moeder kan soms plotseling gebeuren, bijvoorbeeld door
achterlating als vondeling, of door het kind dwangmatig van de moeder weg te
nemen en in een tehuis te plaatsen.
Door
adoptiedeskundigen is een relatie gelegd tussen het blijk geven van Post
traumatische Stress-reactie (PTSR) en de vele traumatische ervaringen die
buitenlandse adoptiekinderen in hun jeugd hebben opgedaan. Door de scheiding
van de moeder, de familie, kan het kind getraumatiseerd raken. Verwaarlozing,
mishandeling, het meemaken van rampzalige gebeurtenissen zoals natuurrampen,
een ongeluk, mishandeling, of zelfs vermoorden van mensen, e.a. zullen eveneens
traumatiserend kunnen werken (Hoksbergen et al., 2001).Wij onderscheiden het
type 1 (plotselinge negatieve gebeurtenis) en type 2 trauma (type 2: post
traumatische stress reactie door herhaling en continuïteit van traumatische
gebeurtenissen) (Hoksbergen e.a., 2001).
Verrier (1993)
werkt in hoofdzaak het type 1 trauma uit: de effecten van de separatie van de
moeder bij adoptiekinderen op jonge leeftijd. Zij noemt deze separatie de
“Primal wound”. Volgens haar kan alleen tot een beter begrip van
adoptiekinderen worden gekomen, als er vanuit de adoptieouders of eventueel
vanuit ingeschakelde hulpverleners begrip is voor het effect van de gedwongen
scheiding van de moeder. Ook Lifton, de Amerikaanse adoptiedeskundige, zelf
ruim 60 jaar geleden geadopteerd, wijst op het negatieve effect van de
separatie van de moeder. Zij spreekt van “cumulative adoption trauma”. Dit
begint bij de scheiding van de moeder en wordt vervolgens op latere leeftijd
versterkt, als de geadopteerde zich steeds sterker realiseert, dat hij of zij
gescheiden is van de oorspronkelijke familie en deze waarschijnlijk nooit zal
kennen (Lifton, 1994:7). Het is de verwarring, die het op heel jonge leeftijd
geadopteerde kind ervaart, als het zich op de leeftijd van 8 tot 10 jaar gaat
realiseren dat het geadopteerd is. Daarmee anders is dan andere kinderen. Dat
er ergens een ander deel van zijn leven bestaat.
Voor
adoptiekinderen is daarom de door Freud genoemde latentieperiode, zo tussen het
vijfde en tiende, elfde jaar, veelal niet een periode van psychische rust. In
deze ontwikkelingsfase hebben zij als bijzondere taak het specifieke van hun
identiteit te onderkennen en te aanvaarden. Als peuter/kleuter konden zij
zichzelf nog wel eens geruststellen door met moeder het ‘nu kom ik uit jouw
buik’ ‘of mag ik nu uit jouw buik komen’ spelletje te spelen. Nu zij ouder
worden, werkt dat spelletje niet meer. Zij realiseren zich dat er een andere
moeder is, zij uit een andere buik zijn gekomen en zij daarmee anders zijn dan
andere kinderen.
Voor kinderen
die niet bewust de overgang naar geadopteerd zijn hebben meegemaakt, de
kinderen tot een jaar of twee bij aankomst, kan het besef geadopteerd te zijn
dus als een schok overkomen. Daarom moet juist bij deze kinderen het
‘vertellen’ met grote zorgvuldigheid geschieden. Het als een soort
vanzelfsprekend familieproces te hanteren, zonder overigens voor het
opgroeiende kind het belang van het verleden te negeren, is een goede weg. Er
zijn de nodige kinderboekjes beschikbaar om ouders een handvat te geven
(Delfos, 1996). Maar ook op latere leeftijd dienen ouders alter te zijn op het
onderwerp adoptie. Hierna zeg ik daar even iets meer over.
Praten over
adoptie lijkt zo vanzelfsprekend. Volgens de Nederlandse wetgeving is het zelfs
verplicht. Het adoptiekind moet over zijn adoptiestatus tijdig door de ouders
worden voorgelicht. Dit dient te gebeuren zodra aangenomen kan worden dat het
kind hier iets van begrijpt en in ieder geval voordat het naar school gaat. Om
te voorkomen dat anderen dan de ouders met het kind over adoptie beginnen te
praten. Als hun kind drie- of vierjaar is, proberen verreweg de meeste
adoptieouders met hun voorlichting te beginnen.
Omdat bij de
meeste adoptiekinderen het “er anders uitzien” meteen duidelijk maakt dat het
kind nooit een biologisch kind van de opvoedende ouders kan zijn, heeft
voorlichting op jonge leeftijd een vanzelfsprekend karakter. Voor zover ik kan
nagaan gebeurt het in ons land vrijwel nooit dat een adoptiekind in het geheel
niet over zijn adoptiestatus is voorgelicht. Over dit aspect van de
voorlichting gaat mij hier dan ook niet.
Ik wil hier wat meer aandacht besteden aan de noodzaak om ook op latere
leeftijd met het adoptiekind, -adolescent en jong volwassene over alles wat met
adoptie te maken heeft, te communiceren.
Ik doe dit omdat
ik al vele malen te maken heb gekregen met geadopteerden van ver boven de
twintig, die mij expliciet te kennen gaven dat in hun gezin nooit over adoptie
werd gesproken. Zij hadden dit als een ernstig gemis ervaren. En het had bij
hen stevige schuldgevoelens opgeroepen. Want zij dachten wel regelmatig
aan die fundamentele feiten in hun leven: het afgestaan, respectievelijk
geadopteerd zijn. Maar mochten zij daar dan nog wel zo vaak aan denken? Deden
zij daarmee hun adoptieouders niet vreselijk veel tekort? Die zeiden toch
altijd dat ze zo verschrikkelijk veel van hem of haar hielden? Dat zij voor hen
gelijk waren aan andere kinderen, of aan de andere kinderen in het gezin?
Ja,`de andere kinderen`, want deze kwestie rond de voorlichting ben ik vaak
tegengekomen in gezinnen waar biologisch eigen kinderen zijn.
Voorlichten, en
als geadopteerde de kinderleeftijd is ontgroeid, communiceren over adoptie is
niet eenvoudig. De eerste fase: het voorlichten op jonge leeftijd is al niet
eenvoudig. De meeste adoptieouders weten daarbij wel dat een kind pas als het
wat ouder is, als het zeven, acht, negen jaar is geworden, meer begrip kan
opbrengen over wat adoptie in feite voor verhoudingen binnen de familie
betekent. Wat gezinsvorming en biologische verwantschap betekent.
Adoptiekinderen kunnen dan voor de eerste maal gevoelens van verwarring en
verbazing over hun plaats in het gezin ervaren. Bij het kind begint het
besef door te dringen dat het iets
verloren heeft: de familie van wie het afstamt, de bloedverwanten, de
oorspronkelijke natuur en cultuur van het land van herkomst e.d. Dit besef kan
zo ver gaan dat het alles van een rouwproces krijgt. Ook tijdens de verdere
jaren in het basisonderwijs bestaat dus de noodzaak in het gezin aan het
onderwerp adoptie aandacht te besteden.
Bij geadopteerde
ontwikkelen zich vaak fantasiebeelden over de biologische ouder(s), over de
misschien daar gebleven broertjes/zusjes en over hoe het leven daar zou kunnen
zijn. Fantasieën over het waarom van het afgestaan zijn. De fantasiebeelden
gaan soms gepaard met gevoelens van verdriet, boosheid, ontkenning, berusting,
aspecten van het rouwproces. Hoe adoptiekinderen met deze gevoelens omgaan, is
veelal heel verschillend. Soms gaan deze gevoelens gepaard met een intense
boosheid en probleem gedrag, nogal eens voorkomend wanneer het geadopteerde
kind het afgestaan zijn sterk als `weggedaan`, `niet goed genoeg geweest zijn`
ervaart.
Het is vaak
moeilijk doordringen tot deze kinderen.
Het communiceren
over adoptie plaatst adoptieouders voor
een lastig dilemma. Ze kunnen zowel te vaak als te weinig het adoptiethema in
het gezin aansnijden.
Te vaak het
onderwerp adoptie en alles wat er mee samenhangt aan de orde stellen, kan bij
geadopteerde irritatie oproepen en zelfs tegengevoelens uitgedrukt in
uitspraken als “Mag ik dan niet echt bij jullie horen?”, “ Ervaren jullie mij
wel als jullie kind?”, “Mag ik misschien mijn biologische ouders als een deel
van mijzelf zien; jullie hebben daar niets mee te maken”.. En dat terwijl zijn
adoptieouders juist met alle macht rekening willen houden met de identiteit van
hun kind, de plaats van de biologische ouders, zijn land van geboorte e.a. Met
andere woorden het blijkt in de praktijk vaak moeilijk om de juiste middenweg
te bewandelen tussen het te veel en te weinig ‘praten over adoptie’.
Het te weinig
over adoptie praten, leidt echter bij
geadopteerde tot misschien wel meer problemen. Hiervóór noemde ik al het
ontwikkelen van schuldgevoelens. Bij anderen kunnen fantasieën een erg
hardnekkig karakter krijgen. Zowel in het positieve beeld over de biologische
ouders: ik had helemaal niet afgestaan hoeven worden; als in het negatieve
beeld: mijn adoptieouders willen me allerlei nare en lelijke dingen over mijn
achtergrond besparen.
In gezinnen waar
te weinig over adoptie wordt gesproken en de biologische familie niet een soort
vanzelfsprekende plaats krijgt, kan geadopteerde als het ware het thema adoptie
als een verboden onderwerp gaan zien. Hij kropt dit belangrijke aspect van zijn
identiteit in zichzelf op. Tot het moment, de levensperiode, dat het tot een
echte uitbarsting komt. Dan kan er een
langdurige verwijdering van de ouders ontstaan. Het contact wordt enige tijd
geheel verbroken of vindt alleen op zeer oppervlakkige wijze en met een lage
frequentie plaats. Deze verwijdering wordt door de ouders vaak totaal niet
begrepen. Zij hielden toch zoveel van hun kind! Zij hadden toch altijd alles
voor hem/haar over!
Tussenkomst van
derden is dan nodig om wederzijds tot meer begrip en herstel van de relaties te
komen. Hetgeen meestal uitstekend mogelijk is. De verwijdering betekent van de
kant van geadopteerde namelijk niet dat gevoelens van kind-ouder nu geheel zijn
verdwenen. Wel dat tot het “uitvliegen en groeien tot volwassenheid” hoort dat
het bezit van een dubbele identiteit en de loyaliteit naar beide ouders toe.
Kan nu het heel
jong geadopteerde kind al in een bepaalde mate getraumatiseerd zijn? Om dit te
beoordelen doen we er goed aan de feitelijke ontwikkeling van het jonge kind
nader te beschouwen. Het bewust met anderen contact leggen begint vanaf
ongeveer de 7e maand vorm te krijgen. Dan wordt de baby zich
expliciet bewust van de reacties en gevoelens van anderen, het niet-ik krijgt
betekenis. Je ziet dan soms een opvallende aanpassing van de baby aan gevoelens
van anderen. Dit kan mede in de vorm van weerstand gaan, de zogenaamde
eenkennigheid steekt de kop op. Pas als het kind gaat praten, zo ongeveer vanaf
de 15e maand, kan de interactie een enigszins abstracte inhoud
krijgen. De taal dient dan als hulpmiddel voor wederzijds begrip.
Een aantal jaren
geleden werd ik door een toen twintigjarig meisje benaderd. Zij wilde haar
biologische moeder vinden. Zij was van Duitse origine en op de leeftijd van
ongeveer 15 maanden plotseling in een kindertehuis geplaatst. De plaatselijke
autoriteiten vonden dat de toen teenager moeder niet goed voor haar dochter kon
zorgen. Na het contacten van de juiste personen bleek het betrekkelijk
gemakkelijk deze moeder op te sporen. Toen Lisa haar moeder voor de eerste keer
zag, viel zij haar meteen in de armen. Deze lichamelijke uiting was voor haar
adoptieouders uiterst verrassend. Lisa was namelijk vanaf het moment van
plaatsing, toen ze ongeveer 20 maanden was, altijd erg terughoudend geweest.
Voor het knuffelen of enige lichamelijke aanraking was ze niet beschikbaar,
zeker niet als die van haar adoptiemoeder kwam. Openheid over haar gevoelens
toonde ze nauwelijks, wel had ze keurig haar school afgemaakt en het beroep van
onderwijzeres gekozen.
Het is tamelijk
zeker dat Lisa als baby zich zo sterk aan haar moeder had gehecht, dat de
scheiding bij haar als traumatisch werd beleefd. De gevolgen hiervan
verankerden zich in haar gedrag vooral tegenover haar adoptiemoeder. Nancy
Verrier (2003) geeft in haar boek ook allerlei voorbeelden van dergelijke
reacties. Een houding als die van Lisa, zie ik vaker. Heel globaal kunnen
negatieve reacties ten aanzien van de adoptiemoeder twee basisoorzaken hebben.
Het adoptiekind,
dan op wat latere leeftijd geadopteerd (meestal tenminste één jaar oud), heeft
misschien enige hechtingsvaardigheid elders ontwikkeld. De scheiding is als
pijnlijk misschien wel als traumatiserend ervaren. Het gevoel van vertrouwen is
aangetast en kan niet gemakkelijk worden hersteld. Juist een vervangende moeder
wordt met wantrouwen bezien. De adoptievader komt er gemakkelijker af. Als deze
ook nog een zekere mate van afstandelijkheid hanteert, voelt het geadopteerde
kind zich bij hem veiliger. De vader dringt hem niets op. Hij kan vanuit
zichzelf gemakkelijker contact met de vader leggen. Interactie in de vorm van
uitwisseling van een gecompliceerde hoeveelheid emoties wordt niet gevraagd.
Een tweede
oorzaak heeft te maken met de weerstand die geadopteerde heeft ten aanzien van
een moederfiguur. Het kind is verdrietig, maar ook heel boos over het verlaten
zijn. De moeder wordt als hoofdschuldige gezien. De boosheid tegenover de
biologische moeder wordt geprojecteerd op de adoptiemoeder. Zij wordt met
wantrouwen en soms openlijke weerstand tegemoet getreden. Gevoelens die soms
jaren nodig hebben om grotendeels te verdwijnen.
Hoe hier nu mee
om te gaan? Bij elk adoptiekind doen adoptieouders er gedurende de eerste
maanden verstandig aan om elke vorm van toenadering met de nodige
voorzichtigheid te hanteren. Veel aandacht en liefde hoeven niet samen te gaan
met veel aanhalingen. Gun het jonge kind de tijd om in alle opzichten te
wennen. Te wennen aan de andere geur, de andere geluiden, het andere klimaat,
als het uit een tehuis komt, de grotere stilte, het andere eten, de andere
slaapsituatie, de veel frequentere omgang met een of twee volwassenen. En
vooral zal hij/zij moeten wennen aan de enorme hoeveelheid aandacht die het
ineens krijgt. In dit opzicht kan het kind als het ware met een te veel aan
stimuli geconfronteerd worden. Reden waarom ik adoptieouders al decennia lang
adviseer om na aankomst van het kind, de eerste maanden de vele nieuwsgierigen
nog niet te ontvangen. Hooguit mondjesmaat het gezin open te stellen. Dit
advies geldt voor alle aangekomen kinderen. Baby, peuter of kleuter, deze moet
allereerst wennen aan de nieuwe ouders en eventuele broertjes/zusjes. Daarom
moeten andere familieleden, buren instructies krijgen zich voorlopig zeer
terughoudend op te stellen.
In de eerste
periode van het bestaan heeft het kind de mogelijkheid zich te leren hechten
aan volwassen mensen, de hechtingsvaardigheid te ontwikkelen. Wanneer het kind
echter na de geboorte geen of te weinig aandacht en liefde van verzorgende
volwassenen krijgt, de continuïteit ontbreekt, het absoluut geen kans krijgt
zich te hechten en binden aan volwassenen, zijn de gevolgen veelal desastreus.
Vaak zo desastreus dat veel kinderen dit niet overleven. Alleen de echte
overlevers, laat ik ze externaliseerders noemen (deze vertonen vaak acting out
gedrag), de sterk op de buitenwereld gerichte kinderen, maken een goede kans.
Onderzoek onder Roemeense kinderen, vergeleken met andere kinderen laat dit
zien (tabel 1).
Tabel 1a Gemiddelde
CBCL-scores Roemeense adoptiegroep, Adoptiekinderen groep Stams en de
Nederlandse normgroep, naar geslacht
.
CBCL
– syndromen
|
JONGENS
|
MEISJES |
||||
|
|
Adoptie (n=44) |
Normgroep (n=579)a |
Groep Stams (n=73)b |
Adoptie (n=36) |
Normgroep (n=593)a |
Groep Stams (n=86)b |
|
Aandachtsproblemen |
7,34
a***
b** |
3,21 |
4,91 |
6,67a***
b** |
2,45 |
4,30 |
|
Agressief gedrag (Ex) |
12,02a** |
6,97 |
10,44 |
9,89a*** b* |
5,13 |
7,17 |
|
Angstig/ depressief (In) |
3,30 |
2,23 |
4,30 |
2,92 |
2,47 |
3,02 |
|
Delinquent gedrag (Ex) |
2,02 |
1,28 |
1,99 |
1,61a* |
0,91 |
1,41 |
|
Sociale
problemen |
3,48 a*** b* |
1,31 |
2,34 |
3,11a*** b* |
1,17 |
2,06 |
|
Lichamelijke klachten (In) |
1,00 |
0,74 |
1,35 |
0,56 |
1,00** |
1,39*** |
|
Denkproblemen |
1,91 a*** b** |
0,39 |
0,74 |
1,69a** b* |
0,46 |
0,64 |
|
Teruggetrokken (I) |
1,91 |
1,61 |
2,60 |
2,11 |
1,79 |
1,97 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Internaliseren |
6,07 |
4,52 |
8,08* |
5,44 |
5,16 |
6,25 |
|
Externaliseren |
13,98a*** |
8,26 |
12,10 |
11,42a** |
6,04 |
8,57 |
|
Totale Problemen |
37,89a*** |
21,27 |
33,02 |
32,42a** |
19,18 |
26,80 |
One sample
T-toetsen: *p<.05, **p<.01, ***p<.001 (tweezijdig)
Toelichting: a: vergelijking Adoptie met
normgroep; b: vergelijking Adoptie met groep Stams. De * bij normgroep en groep
Stams betekenen dat deze groepen op de betreffende schalen significant hoger
scoren dan Adoptie
Tussen
haakjes de syndromen die vallen onder Externaliseren of Internaliseren.
De Roemeense
groep was bij plaatsing bijna drie jaar, de kinderen in de groep Stams waren allemaal jonger dan zes maanden.
Vergeleken met
de normgroep scoren de Roemeense
adoptiejongens op
-
Externaliseren en
Totale Problemen significant hoger.
-
Eveneens significant
hoger op: Aandachtsproblemen, Agressief gedrag, Sociale problemen en
Denkproblemen4.
-
Bij de Roemeens
adoptiemeisjes is dit eveneens het geval
-
en deze scoren ook
significant hoger op Delinquent gedrag.
-
De meisjes scoren op
het syndroom Lichamelijke Klachten significant lager dan de normgroep.
-
Vergeleken met de groep Stams (1998) scoren de Roemeense
adoptiejongens en -meisjes significant hoger op Aandachtsproblemen, Sociale
problemen en Denkproblemen.
-
De meisjes scoren ook
nog significant hoger op Agressief gedrag.
-
Op Lichamelijke
klachten (meisjes) en Internaliseren (jongens) scoort de groep Stams et al.
significant hoger.
Wat maakt deze
tabel nu vooral duidelijk?
De vergelijking
met de groep Stams, allemaal kinderen die jonger dan zes maanden bij plaatsing
waren, is hier nog het meest interessant. Op Lichamelijke klachten en
Internaliseren scoort de groep Stams hoger en op Externaliseren lager. Voor
deze verschillen is de volgende verklaring aan te voeren. Omdat er een grote
sterfte bestaat onder de Roemeense kinderen in kindertehuizen (Johnson et al.,
1992) biedt agressief naar buiten tredend gedrag (Externaliseren) kennelijk
meer kans op overleven dan Internaliserend gedrag: problemen opkroppen, en
angstig, depressief gedrag. De kinderen in de groep Stams waren nog zo jong dat
zij in sterkere mate Internaliserend gedrag konden vertonen. Was deze groep
langer in het land van herkomst gebleven dan zou te verwachten zijn geweest dat
zij op Internaliseren lager zouden gaan scoren en op Externaliseren hoger. In
feite betekent dit dat een aantal kinderen, de sterke Internaliseerders, het
niet had gehaald.
Table1b Vergelijking CBCL-scores van de
klinische en niet-klinische groepen
op tijdstip 1 en 2
|
|
KLINISCHE GROEP (n=18) |
NIET-KLINISCHE GROEP (n=15) |
||
CBCL-scores |
Tijd 1 |
Tijd 2 |
Tijd 1 |
Tijd 2 |
|
|
|
|
|
|
|
Totale problemen |
73.28 +
* |
66.67 + |
42.80 |
38.20 |
|
Internaliseren |
63.56 + |
59.89 + |
40.87 |
38.67 |
|
Externaliseren |
71.28 +
* |
63.28 + |
45.53 |
39.60 |
|
|
|
|
|
|
|
Teruggetrokken |
63.67 + |
60.17 + |
50.00 |
50.33 |
|
Lichamelijke klachten |
56.72 + |
57.89 + |
51.93 |
50.60 |
|
Angstige depressies |
62.61 + |
59.11 + |
50.67 |
50.73 |
|
Sociale problemen |
74.00 + |
66.94 + |
52.53 |
50.87 |
|
Denkproblemen |
75.39 + |
69.39 + |
52.00 |
51.87 |
|
Aandachtsproblemen |
76.94 + |
72.11 + |
53.00 |
52.20 |
|
Delinquenten gedrag |
64.22 + |
61.11 + |
51.47 |
50.53 |
|
Agressief gedrag |
73.11 +
* |
63.78 + |
52.00 |
50.20 |
+ betekent een significant verschil
tussen de klinische en niet-klinische groep
onder de genoemde tijd. (t-test,
p <.05 na Bonferroni correctie)
* betekent een significant verschil tussen tijdstip 1 en 2 binnen de groep
(t-test, p < 0.05 na
Bonferroni correctie)
Adoptieouders
dienen erop te worden voorbereid, dat
het oudere adoptiekind veelal een overlever, een Externaliseerders is. Het te
verwachten acting-out gedrag van het kind is niet gemakkelijk om mee om te
gaan. De Roemeense kinderen die overleven zijn kennelijk zowel in lichamelijk
als psychologisch opzicht sterke kinderen. Dit verklaart de lagere score op
Lichamelijke klachten zowel bij de jongens als bij de meisjes.
Wij stelden ons
hiervóór de vraag of wij bij de als baby geadopteerde kinderen later iets van
de problematiek als Posttraumatische Stress-reactie of andere gedragsproblemen
kunnen terugvinden.
Ik verwijs
hiervoor opnieuw naar de resultaten van het onderzoek van Stams et al. (1998).
Bovenvermelde tabel laat zien, dat deze zeer jong geadopteerde kinderen op alle
syndromen hoger scoren dan de normgroep. Verdere vergelijking wijst uit dat
ongeveer 33% van de jongens en 27% van de meisjes voor Totale problemen (CBCL)
in de klinische range valt. Bij de Roemeense groep kinderen scoort 39% van de
jongens en 33% van de meisjes in het klinische gebied. Scores die in het
klinische gebied van de CBCL vallen, verwijzen naar aanzienlijke gedrags- of
vaardigheidsproblemen, waarbij hulpverlening bijna altijd noodzakelijk is.
De CBCL is in
1983 voor Nederland genormeerd en gevalideerd op een steekproef van 2076
kinderen uit de algemene bevolking van Zuid-Holland (Verhulst, 1985).
De CBCL wordt onder meer gebruikt als
meetinstrument voor het onderkennen van psychopathologie bij jongeren, en in de
klinische praktijk als diagnostisch instrument (Verhulst, 1996).
Het resultaat
vanuit het onderzoek van Stams vertoont overeenkomst met dat van Verhulst en
Versluis-den Bieman (1989). Deze vonden “Van de kinderen die in de eerste 6
levensmaanden geplaatst werden bleek een groter percentage tot de probleemgroep
te behoren dan van de kinderen die in de categorieën 7-12 en 13-24 maanden
vallen”.
Hiervóór lieten
wij aan de hand van het Roemeense onderzoek zien hoe desastreus de invloed van
verwaarlozing op kinderen is. De onderzoeken van Stams en Verhulst laten
vervolgens zien dat ook heel jong geadopteerde kinderen toch belast zijn met de
negatieve effecten van de separatie laten zien. Kort na aankomst, maar ook
later blijkt dit.
Als kinderen in
de eerste zes maanden van de moeder worden gescheiden kunnen reacties volgen in
de vorm van moeite met slapen, eetproblemen zoals eten weigeren, uitspugen, en
prikkelbaarheid in de vorm van huilen zonder reden. In extreme gevallen kan er
zelfs sprake zijn van failure to thrive, het kind wil zich gewoon niet
ontwikkelen, vertoont groeistoornissen e.d.
Bij een
scheiding in de fase tussen 6 en 18 maanden kunnen vergelijkbare effecten
optreden. Het gedrag wordt echter al wel gecompliceerder. Het kind kan nu ook
zoekgedrag vertonen, zich enigszins apathisch terugtrekken, niet meer willen
spelen, wel vastklampgedrag vertonen, vaker ziek zijn en allerlei ongelukjes
hebben, en aan gewichtsverlies lijden. Ook het failure to thrive syndroom kan
optreden. De ernst van de problemen hangt mede samen met het temperament van
het kind. Het ene kind laat nu eenmaal meer veerkracht zien dan het andere
kind. Zoiets als veerkracht is overigens buitengewoon moeilijk vast te stellen.
Meestal kan het pas achteraf worden geconcludeerd, zoals bij het Roemeense
meisje uit mijn eerste voorbeeld.
In
adoptiegezinnen speelt het sterk mee, dat de eventuele ‘lastigheid’ van het
kind niet verzacht kan worden door opmerkingen in de geest van: “ja het is
precies je oom, die had ook zoveel moeite om....” of “ach het gaat wel weer
over, kijk maar naar zijn vader”. De ouders zullen zich vanaf het begin
helemaal op de bijzondere identiteit van hun adoptiekind moeten richten,
hetgeen niet eenvoudig is.
Uit de
geschiedenis zijn een aantal interessante en tegelijk zeer tragische voorbeelden
bekend van kinderen die soms jarenlang vrijwel elke menselijke stimulans voor
hun ontwikkeling vanaf heel jonge leeftijd misten. De meest extreme voorbeelden
hiervan zijn beschreven als de zogenaamde “verwilderde kinderen”. Omdat het
gedrag van deze verwilderde kinderen zo volstrekt anders was dan je van
kinderen van ongeveer gelijke leeftijd zou mogen verwachten, is er door
wetenschappers veel aandacht aan besteed. De beroemde, in Moravië geboren,
pedagoog en filosoof Comenius (1592-1670, begraven in Naarden) beschrijft in
zijn in 1638 uitgekomen Didactica Magna enkele gevallen van in het wild
opgegroeide kinderen. De bekende natuuronderzoeker Linné deed hetzelfde met
acht kinderen die bij wolven of beren waren opgegroeid. Heel bekend is de beschrijving
van de wilde jongen van Aveyron, die in 1799 als elfjarige gevangen was. Bij
deze en andere voorbeelden van dergelijke verwilderde kinderen was een aantal
kenmerken gemeenschappelijk:
De spraak was niet ontwikkeld en communicatie bleef moeizaam; gewoon rechtop
lopen konden deze kinderen vaak nauwelijks; ze waren veel minder gevoelig voor
pijn; vaak hadden ze allerlei stereotype bewegingen. Al werden deze kinderen,
nadat ze waren ontdekt, goed verzorgd, hun levensduur was veelal kort. Deze
kinderen vertoonden vaak alle tekenen van zwakzinnigheid. Terwijl het de vraag
bleef of deze zwakzinnigheid was aangeboren of door de omstandigheden tijdens
de eerste ontwikkelingsfasen ontstaan, een dementia ex separatione (Hoksbergen,
2000).
We hoeven echter niet naar deze extreme voorbeelden te kijken om te weten hoe
belangrijk het voor een kind is om de mogelijkheid te hebben zich aan een
volwassene te hechten. Veel wetenschappelijk onderzoek en nog veel meer
persoonlijke ervaringen hebben dit
duidelijk aangetoond. Zoals hiervóór reeds aangegeven, we spreken van het
ontwikkelen van de hechtingsvaardigheid. Een vaardigheid die het kind in de
eerste paar jaar van het leven inderdaad kan ontwikkelen. Gebeurt dit, dan kan
deze vaardigheid gegeneraliseerd worden naar andere volwassenen, zoals adoptie-
en pleegouders, partners, later naar de eigen geboren kinderen e.a. Gebeurt dit
niet, dan zijn veel mogelijkheden tot een gezonde interactie met anderen
beperkt. Globaal is er dan sprake van twee tegenover elkaar staande gedragsvormen:
allemansvriendjes gedrag en sterk teruggetrokken gedrag. Als de verwaarlozing
zich tot in de peuter- en kleuterfase voortzet, loopt het kind de meeste kans
op een van deze twee gedragsvormen. Uit tabel 2 wordt dit duidelijk.
Bij de jongste groep worden minder vaak problemen genoemd. In die groep worden
door de ouders eetproblemen, allemansvriendjes gedrag en sterk aandacht vragen
als belangrijkste problemen ervaren. De kinderen in de peuter leeftijd vertonen
op een groot aantal items relatief wat meer problemen dat de kinderen in de
kleutergroep. In beide oudste groepen is het allemansvriendjes gedrag, zoals
wij ook verwachten kunnen, het vaakst voorkomende probleem. Het wordt veel
vaker genoemd dan in de jongste groep.
Dit allemansvriendjes gedrag, dat nog de meeste kans op overleven geeft, wordt
maar liefst bij twee derde deel van de Roemeense kinderen (65%) genoemd. Het is
ook heel halsstarrig. Op het moment van het tweede onderzoek, gemiddeld zes
jaar later, vertoont nog 41% van de 80 kinderen dit gedrag. Terwijl andere
probleemgedragingen sterker zijn afgenomen: slaapproblemen van 55% naar 20%;
eetproblemen van 49% naar 15%; hechtingsproblemen van 35% naar 20%. Het
agressieve, driftige soms hysterische gedrag dat bij eenderde deel van de kinderen
bestaat neemt echter nauwelijks af.
Een relatief kleine groep kinderen (15%) vertoont sterk in zichzelf gekeerd,
teruggetrokken gedrag. Dat dit voor zo’n kleine groep het geval is, was ook te
verwachten Bij de Roemeense groep hebben we vooral met overlevers te maken
(tabel 2).
Tabel 2 Problemen bij Roemeense adoptiekinderen, naar
leeftijd bij aankomst
|
Aard van het probleem |
Leeftijd bij aankomst |
|
||
|
|
0-1,5 jaar (n= 11) |
1,5-3 jaar (n=32) |
ouder dan 3 jaar (n= 37) |
Totaal (n=80) |
|
Slaapproblemen |
1 (9%) |
17 (53%) |
26 (70%) |
44 (55%) |
|
Eetproblemen |
4 (36%) |
19 (58%) |
16 (43%) |
39 (49%) |
|
Onverschilligheid tegenover vader |
1 (9%) |
12 (38%) |
9 (24%) |
22 (28%) |
|
Onverschilligheid tegenover moeder |
0 (0%) |
8 (25%) |
4 (11%) |
12 (15%) |
|
Klampgedrag tegenover vader |
1 (9%) |
4 (13%) |
7 (19%) |
12 (15%) |
|
Klampgedrag tegenover moeder |
1 (9%) |
17 (53%) |
11 (30%) |
29 (36%) |
|
Apathisch gedrag |
1 (9%) |
9 (28%) |
4 (11%) |
14 (18%) |
|
Agressief, driftig, hysterisch gedrag |
2 (18%) |
12 (38%) |
12 (32%) |
26 (33%) |
|
ADHD, zeer druk gedrag |
1 (9%) |
9 (28%) |
14 (38%) |
24 (30%) |
|
Afhouden van
contact, tactiel afweer |
2 (18%) |
9 (28%) |
2 (5%) |
13 (16%) |
|
Autistisch
gedrag, sterk eigen wereldje |
0 (0%) |
8 (25%) |
3 (8%) |
11 (14%) |
|
Allemansvriendjes gedrag |
3 (27%) |
23 (72%) |
26 (70%) |
52 (65%) |
|
Zeer teruggetrokken gedrag |
1 (9%) |
9 (28%) |
2 (5%) |
12 (15%) |
|
Hechtingsproblemen |
2 (18%) |
13 (41%) |
13 (35%) |
28 (35%) |
|
Sterk aandacht vragen |
3 (27%) |
18 (56%) |
19 (51%) |
40 (50%) |
|
Spraak/taalstoornissen |
1 (9%) |
25 (78%) |
21 (57%) |
47 (59%) |
|
Andere problemen |
1 (9%) |
13 (41%) |
23 (62%) |
37 (46%) |
(Hoksbergen
e.a., 1999).
De
peuter en kleuterfase
Volgens cijfers
van het Ministerie van Justitie is de leeftijd van de geplaatste
adoptiekinderen de laatste jaren als volgt (tabel 3).
Tabel 3 Leeftijden
buitenlandse adoptiekinderen, 1997-2001, in percentages
|
leeftijden |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
|
0-1 |
41 |
34 |
40,5 |
48 |
41 |
37 |
|
1-2 |
24 |
32 |
25,5 |
21 |
35 |
32 |
|
2-3 |
13 |
15 |
15 |
14 |
13 |
16 |
|
3-5 |
13 |
12 |
14 |
13 |
8 |
11 |
|
5 en ouder |
9 |
7 |
5 |
4 |
3 |
4 |
|
Totaal % |
100/666 |
100/825 |
100/993 |
100/1193 |
100/1122 |
100/1130 |
(tussen haakjes
het totaal aantal aangekomen kinderen)
Omdat China
vanaf 1998 het grootste gevende land is, heb ik eveneens de leeftijdsverdeling van
de Chinese kinderen uitgerekend. Uit tabel 3 blijkt dat uit China, behalve dan
in 2000, niet opvallend veel baby’s worden geadopteerd. Daarvoor zijn de landen
Colombia, Taiwan, Zuid Korea en Ethiopië vooral verantwoordelijk.
Tabel 4 Leeftijden
Chinese adoptiekinderen, 1997-2001, in percentages
|
leeftijden |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
|
0-1 |
15 |
27
|
28 |
53 |
28 |
26 |
|
1-2 |
54 |
47 |
44 |
26 |
49 |
45 |
|
2-3 |
17 |
18 |
19 |
13 |
16 |
20 |
|
3-5 |
11 |
7 |
8 |
9 |
7 |
7 |
|
5 en ouder |
3 |
2 |
1 |
0 |
1 |
2 |
|
Totaal % en
aantal kinderen |
100/105 |
101/210 |
100/271 |
101/457 |
101/445 |
100/510 |
Ongeveer de
helft van alle adoptiekinderen is bij aankomst in het gezin 1½ tot 5 jaar oud,
dus in de peuter- en kleuterleeftijd. De leeftijd waarop het kind veel sterker
het zelfbesef ontwikkelt. De eerste exploratiefase wordt dit wel genoemd (de
tweede volgt in de puberteit). Het kind krijgt gevoelens van autonomie,
blijkend uit het frequent reageren met het woordje ‘nee’ en ‘dat is van mij’.
De peuter, de
één- tot driejarige, is intensief en heel snel bezig zijn wereld onder controle
te krijgen. Een geweldig snelle fysieke ontwikkeling helpt hem daarbij. Hij
gaat lopen, kan spoedig rennen, krijgt controle over darm- en blaasfuncties,
gaat zelfstandig eten, en wisselt veel duidelijker gevoelens met anderen uit,
soms in de vorm van woede-uitbarstingen of uitbundig gelach. Als kleuter gaat
het kind bewuster met andere kinderen spelen, als het ware veel meer de buiten
wereld ontdekken en exploreren. Het heeft geleerd op een driewieler te fietsen,
zichzelf aan te kleden en kan al veel verder weglopen. De taal wordt steeds
bewuster gehanteerd. Peuters moeten de gelegenheid krijgen te doen wat ze
kunnen doen, te ontdekken wat ze kunnen en experimenteren, zonder dat al te
veel op hun huid te worden gezeten. In die periode wordt hun gevoel van
eigenwaarde verder opgebouwd, vooral wanneer steeds weer blijkt dat ze allerlei
dingen zelf kunnen. Worden ze geremd of onder gestimuleerd dan zien we sterke
gevoelens aan twijfel in zichzelf ontstaan. En dat zien we vaak bij
geadopteerden, zoals ook uit de voorbeelden duidelijk is.
Kleuters vertonen nog meer
zelfinitiatief. Aan hen moet dus explicieter duidelijk worden gemaakt wat de
regels zijn, waar grenzen liggen, wat er van hen wordt verwacht. Ze leren ook
hoe anderen reageren op hun gedrag. Het sociale besef, de eerste tekenen van
empatisch vermogen en het geweten gaan zich ontwikkelen, en daarmee ook
schuldgevoelens.
De ontwikkeling van de taal is buitengewoon belangrijk. De kleuter denkt en
doet veelal heel letterlijk, woordspelingen en homoniemen (twee woorden die
hetzelfde klinken, maar heel verschillende betekenis hebben, onze taal kent er
vele, bijvoorbeeld: weg; acht, dom, stom etc.) worden niet begrepen. Kleuters
lijken heel rationeel, maar begrijpen van abstracties, zoals geadopteerd zijn,
is nog ver weg. Peuters en kleuters leren de taal ook schijnbaar heel snel en
als ze net zijn aangekomen doen ze vaak hun uiterste best de dingen te
begrijpen. Ook dat is overlevingsgedrag. Adoptieouders denken dan vaak ten
onrechte dat hun kind de taal zo snel leert en dus alles al zo snel begrijpt.
Daar is vrijwel nooit sprake van. Het kind begrijpt veel minder dan zo lijkt.
Het kan echter goed anticiperen op wat de ander kennelijk wil. En het lijkt ook
snel de taal te leren, zeker als het een, twee- of driejarige is. Echter voor
een deel gaat het dan om door het kind begrijpen van de lichaamstaal. Over de
rol en het belang van lichaamstaal is echter bij adoptiekinderen nog nooit
onderzoek gedaan.
De aangekomen
peuter of kleuter vertoont vaak het zo door mij genoemde ‘hotelgedrag’.
Het wil verschrikkelijk graag aardig
gevonden worden en vooral blijven waar
het nu is. De tegenstellingen tot het verleden zijn immers wel heel groot. Het
krijgt nu goed te eten, warmte en positieve aandacht. Dit hotelgedrag is
kunstmatig gedrag. De paradox wil, dat we blij moeten zijn als het voorbij
gaat. Als het kind grenzen zoekend gedrag gaat vertonen, zich spontaan gaat
uiten en daarmee veel minder aardig is. Processen van zich hechten en het zich
gaan thuis voelen zijn dan echter wel begonnen, hoera dus adoptieouders, maar
heel vermoeiend is het wel.
Laten we ons
goed realiseren dat bij het kind een rouwproces plaatsvindt. Het heeft
al het bekende: het kindertehuis, de verzorgende mensen, vriendjes5,
de taal, dagelijkse gewoonten, ineens verloren. Verzachting van dit rouwproces
treedt op wanneer adoptieouders:
- Het kind zijn eigen naam laten
behouden.
- Steeds
met aandacht en respect open staan voor het gebabbel van het kind over het
verleden. Het is verstandig dit op een band op te nemen, dan kan het beter
worden begrepen en het is voor het kind later belangrijk. Er gaat om informatie
die meestal door het kind wordt vergeten, maar wel heel belangrijk is. De band
kan ook regelmatig samen met het kind
opnieuw worden beluisterd. Dit is wel afhankelijk van de reactie van het kind
als dit eens een keer wordt geprobeerd.
- Met respect alle dingen die het
kind heeft meegenomen hanteren en bewaren.
- Zich iets van de oorspronkelijke
taal eigen maken.
- Slechts geleidelijk overgaan tot
de volledig Hollandse pot.
- In contact brengen met andere
kinderen uit het land van herkomst.
Dit laatste moet
overigens ook weer met de nodige voorzichtigheid gebeuren. Vooral als de
vroegere omstandigheden heel slecht waren, traumatiserend dus, kan het kind
grote moeite hebben en grote angsten tonen, wanneer het te concreet met het
verleden wordt geconfronteerd. Daarom reageren sommige peuters panisch op een
vroegere verzorger uit het tehuis. Tenminste als die bijvoorbeeld binnen het
eerste jaar na aankomst een bezoekje aan de ouders brengt.
Adoptieouders van een peuter/kleuter doen er goed aan het kind op een rustige
manier, maar wel duizendmaal te zeggen dat het nu hier blijft en zij de nieuwe
papa en mama zijn. Juist bij allemansvriendjes is dat heel belangrijk. Deze
moeten het onderscheid tussen enerzijds de eigen papa/mama en anderzijds de
anderen nog leren. De ervaring en onderzoek leren dat zij daar helaas vaak jaren
over doen.
Hiervóór hebben
we het in feite steeds gehad over het bevorderen van de hechting tussen
adoptiekind en ouder. Dit proces is mede afhankelijk van de ontwikkeling van
gevoelens van veiligheid, zelfwaardering en vertrouwen bij het kind. Dit zijn
zeer subtiele processen. Zoals ik hiervóór heb trachten duidelijk te maken,
wordt dit beïnvloed door:
de aard van het kind
de aard en het gedrag van de ouders
de omstandigheden waarin het kind elders is opgegroeid en waarin het bij de
adoptieouders terecht komt.
Ouders zijn vaak
sterk beïnvloed door hun eigen levenservaringen en met name door de manier
waarop ze op hun beurt door hun ouders zijn opgevoed. Belangrijk voor de
kwaliteit van het adoptieproces zijn vanuit de ouders gezien de motieven voor
de adoptie en de daaraan gekoppelde verwachtingen over aard en mogelijkheden
van het kind, de eigen opvoedingsbekwaamheden en de interactie kind-ouders. Dit
laatste kan tijdens allerlei fasen erg onder druk staan. Als het kind erg veel
aanpassingsproblemen heeft; als het hotelgedrag omslaat; als het
allemansvriendjes of juist zeer gesloten gedrag maar niet wil wijken of
tenminste zichtbaar verminderen; wanneer gebrek aan geweten tot allerlei
acting-out gedrag leidt, waaronder het bekende lieg- en steelgedrag; het kind
tenslotte slecht wordt begrepen.
Hoe nu verder?
Er valt daarom nog zo veel meer te zeggen
over de ontwikkelingen van het adoptiekind. Ik heb bijvoorbeeld nauwelijks iets
gezegd over de ontwikkelingen tijdens de puberteit of de relatie tussen bepaalde
gedragsproblemen als jong kind en de latere ontwikkeling.
Dit is misschien iets voor een volgende
lezing. Laat ik echter wel afsluiten met zoals ik ben begonnen.
Adoptiekinderen zijn niet over een kam te
scheren. Reacties van kinderen op wat ook zijn heel verschillend. Wat blijft
is, dat het opvoeden van ook een adoptiekind een buitengewoon boeiende taak is,
een uitdaging. Een uitdaging met in veruit de meeste gevallen een positieve
uitkomst. Een uitdaging die tijdens bepaalde fasen in de ontwikkeling van de
baby, peuter, kleuter, de jongere, de adoptieouders soms kan doen verzuchten
‘waren we er maar nooit aan begonnen’. Terwijl veel ‘moeilijke’ adoptiekinderen
als ze een beetje volwassen beginnen te worden, zo na hun twintigste, juist hun
veel betere en gemakkelijker ik laten zien. De Isabel van Geertje van Egmond is
tenslotte ook op haar pootjes terechtgekomen. Ik zie soms, dat in gezinnen met
adoptie en biologisch eigen kinderen, geadopteerde zich ten aanzien van de
ouders als veel gehechter lijkend, opstelt en zo gedraagt.
‘Het kan
verkeeren’ zei vader Cats ongeveer vier eeuwen geleden. Maar adoptieouders
moeten daarvóór in ieder geval voldoende geduld en flexibiliteit opbrengen.
Over de zozeer aan te bevelen afstandelijkheid heb ik het voldoende gehad.
Literatuur
Brodzinsky,
D.M., Schechter, D.E. & Henig, R.M. (1997). Geadopteerd – een leven lang op zoek naar jezelf. Amsterdam: AMBO.
Delfos, M.
(1996). Patja de gevlekte panda. Over
adoptie en pleeggezinplaatsing. Bussum: Trude van Waarden Producties.
Hoksbergen
R.A.C. en de medewerkers van het Roemenië project. (1999). Adoptie van Roemeense kinderen. Ervaringen van ouders die tussen 1990
en medio 1997 een kind uit Roemenië adopteerden. Utrecht: Universiteit
Utrecht, afdeling adoptie.
Hoksbergen,
R.A.C. en Walenkamp, H. (red., 2000).
Adoptie: een levenslang dilemma. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
Hoksbergen,
R.A.C., Stoutjesdijk, F., Rijk, S., Van Dijkum, C. & Rijk, K. (2001).
Posttraumatische Stress-reactie bij Roemeense adoptiekinderen. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 40, 10,
475-488.
Hoksbergen,
R.A.C. en de medewerkers van het Roemeniëproject (2002). Effecten van verwaarlozing. Utrecht: Universiteit, afd. Adoptie.
Johnson, A.,
Miller, I., Iverson, S., Thomas, W., Franchino, B., Dole, K., Kierman, M.,
Georgieff, M. & Hostetter, M. (1992). ). The Health of Children Adopted from
Romania. Journal of the American Medical
Association, 268, 24, 3446-3451.
Lifton, B.J.
(1994). Journey of the adopted self. A
Quest for Wholeness. New York: Basic Books.
Stams,
G.J.J.M., Juffer, F., Rispens, J., Hoksbergen, R.A.C. (1998). Give me a child
until he is seven. The development and adjustment of children adopted in
infancy. Part I: a comparative study. In G.J. Stams. Give me a child until he is seven. A longitudinal study of adopted
children, followed from infancy to middle childhood. Utrecht: Universiteit, dissertatie,
113-159.
Van Egmond, G.
(1987). Bodemloos bestaan. Problemen met
adoptiekinderen. Amsterdam:
AMBO.
Verhulst,
F.C. (1985). Mental health in Dutch
children: An epidemiological study. Rotterdam: Erasmus Universiteit, dissertatie.
Verhulst, F.C.
& Versluis-den Bieman, H.J.M. (1989). Buitenlandse
adoptiekinderen. Vaardigheden en probleemgedrag. Assen: Van Gorcum.
Verhulst, F.C.
(1996). Handleiding voor de CBCL/ 4-18.
Rotterdam: Sophia Kinderziekenhuis, afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie.
Verrier,
N.W. (1993). The Primal Wound. Understanding the adopted child. Baltimore:
Gateway Press.
Verrier, N.W.
(2003). Afgestaan zijn, pijn, rouw, herstel. Begrip voor het geadopteerde
kind. Amsterdam: AMBO, ACCO.
1 Aanpassing en intensieve bewerking van de
lezing die ik op 27-11-2002 hield voor de Landelijke Vereniging
Adoptieouders(LAVA).
2 Bij
alle voorbeelden zijn om redenen van
privacy enkele kenmerken aangepast.
3 Een
boek dat ik waard vond om voor het Nederlandse taalgebied beschikbaar te komen,
hetgeen begin volgend jaar het geval zal zijn onder de titel Afgestaan zijn,
pijn, rouw, herstel. Begrip voor het geadopteerde kind (AMBO, ACCO te A’dam).
4 Bestaat
uit items als: Kan bepaalde gedachten niet uit zijn hoofd zetten, hoort
geluiden/stemmen die er niet zijn, dwanghandelingen, ziet dingen die er niet
zijn, vreemd raar gedrag/gedachten.
5 Om
die reden hebben wij, nu ongeveer 25 jaar geleden, er bij Justitie met succes
voor gepleit dat kinderen die een sterke onderlinge band hebben, sociale
siblings genoemd, niet van elkaar zouden
worden gescheiden, maar samen geplaatst.
Wat betekent
respect?
De
oorspronkelijke betekenis van het uit het Latijn afkomstige woord respect
(Respecto) komt nog het dichtst bij waar ik het in deze beschouwing graag over wil
hebben. Respecto betekent het omkijken naar iemand of het acht slaan op iets of
iemand; het vermogen een mens te zien zoals deze werkelijk lijkt te zijn. Wij
zouden nu zeggen: de unieke individualiteit van de ander te zien, te begrijpen
en te aanvaarden.
Voor opvoeders
van kinderen, en in ieder geval voor ouders, adoptie-ouders en pleegouders is
dit “zien, begrijpen en aanvaarden” een
van de meest essentiële eisen aan hun gedrag en handelen tijdens het langdurige
opvoedingsproces waar zij voor staan. Het is overigens een eis die voor alle
ouders geldt.
Dat mag dan zo
zijn, eenvoudig is deze opgave niet, en voor adoptie-ouders al helemaal niet.
Laat ik dat hierna verder toelichten.
Vrijwel alle
ouders zijn zich bewust van hun grote verantwoordelijkheid voor hun kind. Hun
kind is vele jaren hulpeloos en volledig afhankelijk van ouderlijke zorg. Deze
verantwoordelijkheid en ouderlijke zorg kunnen op veel manieren worden
gerealiseerd. Een realisering die afhankelijk is van de aard en mogelijkheden
van de ouders, van de reacties en mogelijkheden van de kinderen, van de wijze
waarop de omgeving op het gezin reageert,
denk ook aan culturele en materiële aspecten.
Deze ouderlijke
zorg kan op diverse manieren ontaarden.
Zo kan de
verkeerde uiting van dominantie: overheersing van het kind, de boventoon
voeren.
“Kloekgedrag” kan in de stijl van opvoeding en
verzorging de overhand krijgen. De overdreven bezorgdheid spruit minder voort
uit het vermogen het kind lief te hebben, dan wel juist uit het onvermogen het
kind in zijn eigenheid lief te hebben en te respecteren.
Het hulpeloze
kind kan ook in hoge mate als een bezit worden gezien. De persoonlijkheid en
gedrag van het kind moeten voldoen aan de verlangens van de bezitters: de
ouders.
Ouders oefenen
grote invloed uit op de ruimte die het kind krijgt om zich verder te
ontwikkelen. Waar sprake is van een verkeerde dominantie, kloekgedrag, of
bezitsdrang, is die ruimte voor het kind (uitermate) klein. Die ruimte kan in
het leven van alledag zelfs zo klein zijn dat ernstige conflicten in het gezin
en psycho-pathologische reacties bij het kind te verwachten zijn. Zelfs kan het
uiteindelijk leiden tot mentale handicaps en zelfs de dood van het kind.
Voorbeelden kennen wij uit de recente en verder weg liggende geschiedenis van
de Jeugdzorg.
Daar waar sprake is van ernstige
mishandeling van een kind, terwijl nota bene de Jeugdzorg bij het betreffende
gezin intensief betrokken is, kan de benaming “Jeugdzorg” als een eufemisme
worden opgevat. De betreffende medewerkers voldoen niet aan de basiseis van hun
verantwoordelijkheid en beroep: zorg voor het hulpeloze kind. Ook zij zien het
kind kennelijk als een bezit van (biologische) ouders. Van Jeugdzorg is dan
geen sprake. Wel van angst, gebrek aan moed, en/of onvermogen om in te grijpen.
De psychologie
en de praktijk van alledag leren ons dat de ouder die in staat is voluit liefde
te tonen voor zijn kind, ook begrip en liefde voor de eigen stabiele en gezonde
individualiteit heeft. Respect en liefde voor de eigen persoonlijkheid geven de
mogelijkheid te komen tot respect en liefde voor het kind. We spreken dan over
stabiel ontwikkelde volwassenen die in staat zijn de eigenheid, de identiteit
van het kind te zien en te respecteren. Zoals zij ook hun eigen identiteit
aanvaarden en respecteren1.
Adoptie-ouders
en pleegouders, het gaat mij hier nu in hoofdzaak om de eerste groep, kennen
een bijzondere vorm van ouderschap. Zij hebben bij de vervulling van de
verantwoordelijkheid voor de opvoeding een speciale taak. Hun ouderschap, hun
verantwoordelijkheid voor hun geadopteerde kind, kent namelijk een zekere vorm
van dualiteit, een soort tweeslachtigheid. Aan de ene kant verlangt hun
ouderschap in staat te zijn hun kind alle noodzakelijke aandacht, zorg en
liefde te geven. In dat opzicht verschillen adoptie-ouders in het geheel niet
van andere ouders. Tegelijk moeten zij echter ook
accepteren dat
een deel van de identiteit van hun kind hun vreemd is, als het ware niet in hun
gezin hoort. Hun kind is van andere ouders, heeft daarmee een bepaalde
verbinding, hoe jong ook de adoptie plaats vond.
De identiteit
van hun kind is verbonden met zowel zijn adoptie-ouders als met zijn
biologische ouders2. De wijze waarop dit bij het adoptiekind tot
uitdrukking komt is heel verschillend en acht ik ook vrijwel onvoorspelbaar.
Het complicerende element van dit aspect van het adoptie-ouderschap is daarbij
ook nog, dat deze dualiteit voor het kind pas tijdens zijn verdere ontwikkeling
en opgroeien langzaam maar zeker tot uiting zal komen. Geadopteerde, nog heel
jong kind zijnde, zal zich in zijn kinderlijke hulpeloosheid volledig richten
op zijn nieuwe ouders. Naarmate het kind ouder wordt zal echter dat andere deel
van zijn identiteit steeds harder op de “deur van zijn mentale bewustzijn” gaan
kloppen. Dan kunnen zich zelfs gevoelens van eenzaamheid, vervreemding, zich
anders voelen, gaan ontwikkelen. Dit in grote tegenstelling tot de beleving van
het kindschap in de eerdere fase, als kleuter en jong kind.
Zoals een mij
bekende uit Korea afkomstige geadopteerde van 28 jaar het uitdrukte. Nadat ze
eerst uitdrukkelijk vaststelt ‘Ik heb mij nooit, in welk opzicht dan ook,
incompleet gevoeld’ concludeert ze ‘Er is echter een essentieel deel van mij
dat nergens aan lijkt te relateren, dat geheel los van mijn hele omgeving staat
en dat alleen relateert aan mij.’, waarop zij vervolgt met
‘Het niet kunnen
vinden van iets of iemand waar dit deel mee verbonden kan worden, ervaar ik als
bijzonder eenzaam. Het feit dat ik gezegend ben met een heleboel mensen om mij
heen die van mij houden neemt dit eenzame gevoel niet weg.’
In LAVA-Contact
van Oktober 2004 (p. 7-11) heb ik in mijn artikel “Praten over adoptie”
besproken dat de juiste uitvoering van deze vanzelfsprekendheid niet zo
gemakkelijk is. Je kan het onderwerp adoptie te vaak en te weinig aanroeren.
Dit ‘praten over’ is slechts één aspect van die ruimte die ik hiervóór bedoel.
Het is vooral het oog hebben voor de worsteling van hun kind met zijn
identiteit. Het boeiende bij dit alles is, dat het goed aanvoelen van deze
worsteling de verhouding met geadopteerde alleszins ten goede zal doen komen.
Onderzoek in de Verenigde Staten en in Nederland3 laten dit zien.
Figuurlijk uitgedrukt: het platform waar adoptie-ouders en geadopteerde op
staan wordt breder en sterker.
Hoe kunnen
adoptie-ouders nu dit respect voor de achtergrond van hun kind op doelmatige
wijze tot uitdrukking brengen? Laat ik enkele praktische suggesties doen.
Waarbij ik nogmaals benadruk dat ouders het beste kunnen aanvoelen waar hun
kind gezien leeftijd en ontwikkeling aan toe is.
-
Bewaar alles wat het kind
uit het land van herkomst mee heeft gekregen.
-
Verzamel alle mogelijke
informatie over de achtergrond van jouw kind en controleer die ook zo veel
mogelijk op juistheid.
-
Maak vanaf het eerste
contact een historisch-fotoboek dat misschien wel kan beginnen met foto’s van
de plaats waar het kind vandaan komt, zo mogelijk biologisch verwanten. In
ieder geval vanaf het eerste moment dat jouw kind in het gezin komt.
-
Zorg voor ruimte in de
boekenkast voor boeken over land van herkomst en enkele standaardboeken over
adoptie. Denk zeker ook aan verhalen, misschien wel boeken, door geadopteerden
samengesteld.
-
Geef de mogelijkheid
tot contact met andere adoptiekinderen.
-
Spreek over het
afgestaan en vervolgens geadopteerd zijn op een wijze die bij jouw adoptiekind
past. Naarmate geadopteerde ouder wordt kan deze ook begrip hebben voor jouw
worsteling met jouw ouderschap. Deel deze intieme gevoelens in zekere mate met
jouw kind.
-
Stimuleer het gaan naar
het land van herkomst, maar dring dit niet op!
-
Zorg voor informatie
over lessen in de taal van het land van herkomst. Contact met familieleden of
anderen aldaar krijgt meer kwaliteit of is überhaupt pas mogelijk wanneer
communicatie plaats kan vinden.
Kortom, probeer
in het gezin de sfeer van openheid te creëren waardoor de geadopteerde het
‘anders zijn’ in het gezin volledig aanvaard weet. Deze ook weet en voelt dat
dat andere aspect van zijn identiteit door zijn ouders serieus wordt genomen.
En dat geadopteerde niet vanuit dat soms verstikkende ”maar wij houden toch zo
veel van je”, het gevoel krijgt dat een
deel van zijn identiteit als het ware iets verbodens is. Het eigenlijk niet is
toegestaan daar diepgaand mee bezig te zijn. Dit het gevoel van loyaliteit naar
zijn adoptie-ouders toe zou kunnen beschadigen.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar
adoptie)
1.
De Raad voor de Kinderbescherming
tracht bij het Gezinsonderzoek hierover enige informatie te krijgen en terecht.
2.
Die verbondenheid
behelst meer dan alleen de biologische ouders. Ik noem deze alleen gemakshalve.
Natuurlijk speelt de totale familie, de stamverwantschap, land en cultuur
waarin men is geboren een grote rol bij de vorming van iemands identiteit.
3.
David Kirk (1985),
Adoptive Kinship: Hoksbergen, Juffer en
Waardenburg (1986) Adoptiekinderen thuis en op school.
De multiculturele persoonlijkheid als gevolg van adoptie en migratie. Een
Gouden Kans - Boekbespreking
Irene Ypenburg
(2009). De multiculturele persoonlijkheid
als gevolg van adoptie en migratie. Een Gouden Kans. Assen: Van Gorcum. 193
p. € 35.-
Irene Ypenburg
is publicist en kunstenaar. Ze werkte o.a. voor de NRC, Parool, Trouw en
Intermediair.
De bedoeling van
het boek is te laten zien hoe cultuur en achtergrond doorwerkt in de identiteitsontwikkeling
van de mens. Auteur hoopt inzicht te geven en vooral relevante aanbevelingen te
doen voor intercultureel geadopteerden, en tweede en derde generatie
immigranten. Er is gekozen voor een indeling volgens de vier jaargetijden, elk
geïllustreerd met Chinese poëzie en opgebouwd rondom de verhalen van een
geadopteerde jonge vrouw en van een kleindochter van immigranten.
Er is veel
literatuuronderzoek gedaan, gesprekken gevoerd, achttien interviews gehouden
met kinderen en kleinkinderen van immigranten uit verschillende landen, met
deskundigen en betrokkenen in China, jong volwassen geadopteerden,
adoptieouders, met professionals uit de
adoptiewereld en info. verzameld via de media en internet. Het boek is verder
praktisch opgebouwd met praktijkvoorbeelden en citaten uit gesprekken.
Er worden
opvallend belangrijke uitspraken gedaan zoals: ‘Het negeren van de eigen
culturele achtergronden kan ertoe leiden dat je van jezelf vervreemdt en op een
bepaald moment, meestal rondom je dertigste levensjaar, niet meer goed weet hoe
je verder moet.’ Alleen denk ik zelf dat de conclusie ‘meestal rondom je
dertigste’ (p.X) weggelaten kan worden. Het niet meer goed weten hoe je verder
komt, zie ik vaak op (veel) jongere leeftijd reeds.
De conclusie
‘Nederlands onderzoek naar interculturele adoptie lijkt er vaak op gericht te
onderstrepen dat de geadopteerden de maatschappij geen kwaad doen en dat de
adoptie de geadopteerde geen kwaad doet.’(p.3), geldt in ieder geval niet voor
het onderzoek van de Universiteit Utrecht van de afgelopen twaalf jaar (zie
LAVAContact&LOGALetters zomer 2009).
Veel moeite heb
ik met de uitspraak ‘het vroegere ideaal van adoptieouders was je kind te doen
vergeten dat het geadopteerd was, met volledig voorbijgaan aan zelfs zoiets
opvallends als verschil in huidskleur.’ (p.56).Vanaf het begin van de
adoptiegeschiedenis (1956) was voorlichting over adoptie verplicht. Toen vanaf
1970 steeds meer interraciaal geadopteerden naar Nederland kwamen, werd vanuit
de adoptievereniging Wereldkinderen juist openheid over adoptie, etnische
achtergrond en de biologische ouders benadrukt.
Heel juist en
toepasselijk is ‘Er is een band, een
rode draad die altijd zal blijven bestaan. Je haalt het kind uit China, maar je
haalt China niet uit het kind.’ (p. 62).
Kortom, soms mis
ik hier en daar de nuancering en komt de publicistische achtergrond van auteur
duidelijk om de hoek kijken. Aan de andere kant is het boek voor mensen die
persoonlijk of door hun werksituatie betrokken zijn bij immigranten en geadopteerden
erg nuttig om te lezen. Het zal zeker de discussie over de psychologische
ingewikkeldheden waarmee geadopteerden en immigranten te maken hebben,
stimuleren. Het boek leest ook gemakkelijk en de aanbevelingen (H. 12) zijn
helder geformuleerd en van belang.
René Hoksbergen
(emeritus
hoorleraar adoptie)
Joey Yoon (2004). Eindelijk leef ik echt. Een verhaal over innerlijke pijn,
boulimia, adoptie, zelfacceptatie en overwinning. Soesterberg: Aspekt.
Joey is nu 29 jaar en geboren in Korea. Ze
heeft een aangrijpend verhaal over haar leven geschreven. Centraal in dit leven
staat haar worsteling met haar eigenwaarde met als belangrijke consequentie een
tien jaar durende eetverslaving, bulimia. Op zesjarige leeftijd wordt Joey
zogenaamd voor twee weken naar Amerika gestuurd. Ze wordt echter ter adoptie in
een Nederlands gezin geplaatst. Dan begint een leven in een gezin waar reeds een
dochter, twee jaar ouder dan Joey, is.
“Van het ene op het andere moment was ik weggerukt uit mijn veilige
omgeving, waren de mensen verdwenen van wie ik hield,,,,”.
Ze komt in een gezin met een vader die heftige agressieve buien heeft en
deze botviert op zijn adoptiedochter totdat deze ongeveer 14 jaar oud is. Als
zijn dochter volwassen is, biedt hij haar hierover zijn verontschuldiging aan
en vraagt hij haar om vergeving. Het kwaad heeft zich dan echter al jarenlang
in haar vastgezet. Ze geeft zichzelf de schuld van haar uit Korea “weggedaan
zijn”, de mishandelingen door haar adoptievader, en alle negatieve feiten in haar leven. Ze probeert
zo goed en netjes mogelijk te leven, vooral geen fouten te begaan en ze is wanhopig
op zoek naar liefde, positieve aandacht en naar antwoorden op vragen over haar
bestaan en haar Koreaanse achtergrond. Als ze 16 is gaat ze terug naar Korea.
Ze is dan al lang extreem bezig met haar dieet. Ze wil heel dun zijn, net als
andere Koreaanse mensen. Die gedachte laat haar niet los. In Korea ontmoet ze
heel haar familie. Dan krijgt ze ook meer begrip voor wat er met haar is
gebeurd, tegelijk is ze jaloers op de broer en zus die daar mochten blijven.
Ook in Korea krijgt zij haar vreetbuiten niet onder controle. Een jaar later besluit
ze opnieuw naar Korea te gaan en Koreaans te gaan leren. Met een oog voor
belangrijke details beschrijft ze die periode die ongeveer een jaar heeft
geduurd.
Lange tijd worstelt ze met haar Koreaanse en Nederlandse identiteit, voelt
ze zich er tussenin staan. Boeiend beschrijft ze hoe ze met haar eetverslaving
omgaat en deze uiteindelijk overwint.
Het boek is uitstekend geschreven en kent eigenlijk twee hoofdonderwerpen.
De aanpassing van een ouder adoptiekind, fouten die adoptieouders kunnen maken
en de worsteling met haar identiteit. En ook de strijd van een bulimia patiënt.
Deze twee aan Joey gekoppelde kenmerken zijn volledige met elkaar verweven.
Het boek is opgebouwd vanuit een zekere spanning. De lezer gaat zich steeds
sterker afvragen of Joey haar verslaving zal overwinnen en welke mensen voor
haar uiteindelijk het belangrijkste blijken te zijn: haar adoptieouders of haar
Koreaanse familie.
Ze besluit haar boek met aan te geven dat haar beide adoptieouders en het
geloof bepalend zijn geweest voor haar uiteindelijke redding.
Adoptieouders, volwassen geadopteerden, bulimia patiënten, alle bij adoptie
en eetverslaving betrokkenen en hulpverleners hebben heel wat aan grondige
lezing van dit boek. Het leest heel gemakkelijk.
René Hoksbergen
(em. Hoogleraar adoptie)
Boekbespreking:
Ingrid Holla (2003). Mijn droom van een kind. Waar gebeurd verhaal van een
vrouw die haar wens om moeder te worden niet opgeeft. Sirene: Amsterdam.
250 p. eur. 7.95.
Als Ingrid in de
zomer van 1989 zwanger wil worden, denkt ze dat dit vrijwel meteen zal
gebeuren. Ze is dan 26 jaar, haar man Peter ongeveer een jaar ouder. Het gaat
beiden voor de wind, ze hebben uitstekend werk, een goede relatie met elkaar en
met hun familie, en zijn kerngezond. De zwangerschap blijft echter uit. Na
enkele jaren besluiten ze om IVF te proberen. Uiteindelijk zullen ze dit in de
loop van een periode van ongeveer tien jaar maar liefst elf keer doen. Zelfs
gaan ze hiervoor naar België.
Bij de tweede
IVF poging krijgen ze een drieling. De drie kinderen, veel te vroeg geboren,
sterven korte tijd na de geboorte. Later blijkt dat haar baarmoeder veel te
klein is om een zwangerschap van drie kinderen voldoende uit te dragen. Ook bij
een tweeling zou een vroeggeboorte het resultaat zijn geweest.
Ze hebben zich
na enige tijd, Holla is dan 30,
ingeschreven voor adoptie om zo op twee paarden te wedden. Ze weten dan
als zelfdoener na erg veel moeite een kindje uit Sri Lanka te bemachtigen. “In
de adoptiewereld past volgzaamheid beter, maar dat past mij in het geheel niet.
Het geluk afdwingen wel.” (p. 91). Dit ‘afdwingen’ geeft goed de sfeer aan
waarin Ingrid Holla beschrijft hoe ze haar wel extreem sterk verlangen naar
twee kinderen bevredigd wil zien. Het “hebben” van het kind staat centraal (p.
183). Zij veranderen ook de naam van hun eerste kindje uit Sri Lanka, maar
laten evenzeer veel respect zien ten aanzien van de moeder van deze eerste
dochter. Hun tweede dochter krijgen ze via de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Haarlem. Opnieuw staan ze volledig open voor de biologische moeder van
hun kind.
Nadat ze twee
adoptiekinderen heeft gekregen, probeert ze toch nog, via een tiende en elfde
poging, om via IVF zwanger te worden. Naar het zelf zwanger worden, verlangt
Ingrid hevig. Het mag echter allemaal niet baten. Als ze 39 is besluit ze op te
houden met verdere pogingen zwanger te worden: “ik heb er bijna een
twaalfenhalfjarig jubileum opzitten als het gaat om het vervullen van mijn
kinderwens” (p. 249).
Veel
adoptieouders zullen in het soms gedetailleerde relaas en de pijnlijke
verzuchtingen als weer een poging mislukt, herkenning vinden. Holla’s verhaal
is een voorbeeld wat sommige mensen er allemaal niet voor over hebben om maar
een kind te krijgen, te bemachtigen dus. Tegelijk zet je ook vraagtekens achter
de werkwijze van betreffende gynaecologen.
Het verhaal is
goed geschreven en leest met spanning hoe het zal aflopen. Wanneer deze moeder
uiteindelijk rust vindt in haar moederschapswens.
Prof. Dr. René
A.C. Hoksbergen
(Em.hoogleraar
adoptie)
Wachten op Zach - boekbespreking
Els Lodewijks-Frencken
en Jaap Lodewijks (2004). Wachten op Zach. Vader-moeder zijn van een moeilijk
kind. Soest: Uitgeverij Nelissen, 224 p. ISBN 90 244 0563 7.
Els en Jaap
werden eind 1990 pleegouders van Zach, die toen zes jaar oud was. Zij zullen
pleegouder blijven tot eind 1996. Daarna wordt Zach in een internaat geplaatst.
Zach is een in Nederland geboren kind dat door zijn vader ernstig werd
mishandeld.
Het boek bestaat
uit twee delen.
In het eerste
deel verhaalt vader Jaap Lodewijks over zijn ervaring met en beleving van de
opvoeding van Zach. Uitgebreid beschrijft hij zijn relatie met Zach. Hoe Zach
met hun, bij komst in het gezin, dertienjarige zoon en tienjarige dochter
omgaat, zijn gevoelens voor en vooral de gedragingen van Zach. Er worden veel voorbeelden
van allerlei situaties en het daarmee verbonden moeilijke gedrag van Zach
gegeven.
Zach is een heel
moeilijk, ongrijpbaar, en intelligent kind, dat niet weet om te gaan met de
liefde en positieve aandacht van anderen. Enkele uitspraken in het eerste deel
liegen er niet om:
‘Zach moet kort
worden gehouden, een opvoedingsaanpak die ons eigenlijk vreemd is’ (p. 21),
‘Bijna alle contact met hem is schijncontact’ (p. 25). Conclusie van achtjarige
Zach als het Nieuwjaar wordt: ‘Het wordt geen gezellig jaar’.
Zach is extreem
slordig, jokt, heeft veel ruzie met andere kinderen, vernielt spullen van
andere kinderen, laat tergend vaak iets vallen. Maar daarop aangesproken: hij
heeft nooit wat gedaan. Bij het zwemmen is Zach het modelkind, rustig en
zelfstandig. Hij wordt regelmatig ten voorbeeld gesteld (p.33). Vrienden van de
familie concluderen dat hij juist zo aardig en attent is. Therapie bij het
RIAGG en het gehanteerde kringgesprek roept bij Zach clownesk en bravouregedrag
op (p.47). Helpen doet het niet.
Door de
problemen met Zach ontstaan er problemen in het gezin, tussen de ouders
onderling en met hun oudste zoon. Na zes jaar worstelen, ruzies, driftbuien, is
duidelijk dat Zach niet langer bij hen kan blijven. Bij zijn vertrek is er bij
Zach geen spoor van emotie, bij zijn pleegouders des te meer.
Jaap beschrijft
gedetailleerd het verdere verloop van het school- en internaatsleven van Zach
en de wijze waarop Zach vervolgens met zijn pleegouders en zijn biologische
ouders omgaat.
In het tweede
deel analyseert Jaap’s vrouw het verhaal van haar echtgenoot en vergelijkt zij
hun ervaringen met die van andere pleeg- en adoptieouders. Uitgebreid worden
voorbeelden aangehaald zoals die van het gedrag van Isabel uit het boek van
Geertje van Egmond: Bodemloos bestaan.
In geval van
moeilijkheden wordt door de hulpverlening veelal eerst naar de ouders gekeken.
In de jaren zestig waarde de kreet/gedachte rond ‘Er bestaan geen moeilijke
kinderen’. Dit was ver bezijden de werkelijkheid en had vooral te maken met het
blind achter een ideologie aan lopen. Adoptie- en pleegouders van vroeg
verwaarloosde kinderen weten wel beter. Maar ook andere ouders kunnen te maken
hebben met ongrijpbaar gedrag van een kind, bijvoorbeeld bij autistische
kinderen, waardoor een compleet andere benadering van de opvoeding en de omgang
wordt gevraagd.
Het boek is
vooral voor adoptie- en pleegouders uitermate waardevol. Veel zullen zij in dit
boek herkennen en veel hebben zij ook aan de praktische suggesties die door het
boek heen worden gedaan.
Hulpverleners
doen er ook goed aan kennis te nemen van dit boek. De betrekkelijkheid van
mogelijkheden tot verandering van gedrag, laat staan van een persoonlijkheid,
blijkt ook weer uit dit boek. Psychische beschadigingen kunnen voor het leven
zijn en heel weinig met de aanpak van ouders te maken hebben.
René A.C.
Hoksbergen
(em. hoogleraar Adoptie)
Help kind en
gezin ook ná de adoptie
Opvallend dat bericht in Trouw van 31-3 jl: ‘Nazorg adoptie-ouders pakt
goed uit’. Je zou wensen dat deze conclusie op de Nederlandse adoptienazorg
sloeg. Helaas is dat niet zo. Het slaat op een geslaagd initiatief van enkele
Deense adoptie-ouders. Deze stelden vast dat alle accent op de goedkeuring en
voorbereiding van de adoptie-ouders ligt, terwijl pas na plaatsing van het
adoptiekind in het gezin het ingewikkelde opvoedingswerk begint.
Merkwaardig en ergerlijk is het, dat in ons land nog steeds de zorg voor
onze adoptiegezinnen ophoudt bij de voordeur. De voorbereiding op de komst van
het adoptiekind is sinds 1990 geregeld. Alle aspirant-adoptie-ouders zijn
verplicht de voorbereidingscursus te volgen en de uitvoering door de Stichting
Voorbereiding Interlandelijke Adoptie (VIA) te Utrecht mag er zijn. De prijs
van 900 euro voor zes zittingen van ongeveer 2½ uur is overigens wel erg hoog.
Een zinvolle en dankbare taak voor de Landelijke Vereniging Adoptie-ouders te
Zeist hier wat aan te doen.
Tot aan de voordeur is het dus goed geregeld, maar zodra het kind over de
drempel stapt houdt de begeleiding op. Dit is vreemd, want algemeen wordt
erkend dat het opvoeden van een (zwaar) verwaarloosd kind, met allerlei
gedragsproblemen en toekomstige gedragsstoornissen, natuurlijk professionele
ondersteuning vraagt. En al zou het adoptiekind niet verwaarloosd zijn, het
ondergaat altijd de plotselinge alomvattende verandering in zijn
levensomstandigheden na de (traumatische) scheiding van de moeder. Een
scheiding die de Amerikaanse therapeute en adoptiemoeder Nancy Verrier als een
basisverwonding in het bestaan kenmerkt.
Sinds 1975 is onderzoek verricht onder gezinnen met een buitenlands
adoptiekind. Soms is deze groep wel ‘de meest onderzochte groep van Nederland’
genoemd. Reden hiervoor is dat zich bij nogal wat kinderen ernstige
gedragsproblemen voordeden. Vaak meteen na aankomst en zeker als het kind bij
plaatsing al wat ouder was, als het naar school ging, en later in de puberteit
en periode van de jonge volwassenheid. Het onderzoek heeft over aard en omvang
van deze problematiek duidelijkheid verschaft. Recent nog verschenen in
verschillende landen publicaties over Roemeense adoptiekinderen. Ruim de helft
van deze kinderen vertoonde zodanige gedragingen dat professionele
hulpverlening nodig was.
De omvang en
intensiteit van de gedrags- en opvoedingsproblemen bij buitenlandse
adoptiekinderen is vergeleken met in Nederland geboren kinderen veel en veel
groter. Verbazing hoeft dit niet te wekken. Adoptiekinderen hebben in hun leven
een veel slechtere beginsituatie. En het niet opgroeien bij de biologische
ouders en familie heeft voor geadopteerde veelal op het moment van de scheiding
en later ook de nodige gevolgen. Geadopteerde moet dit aspect van zijn leven
verwerken. Uit mijn praktijk en ervaring blijkt niet anders dan dat wanneer
geadopteerde opgroeit en in ieder geval in de puberteit en jong volwassenheid,
met dit onomkeerbare levensfeit wordt geworsteld.
Nazorg is dus nodig en wel door in adoptie gespecialiseerde hulpverleners.
Maar helaas ontbreekt die, hoewel daar al enkele decennia door mij en anderen
om wordt gevraagd. Toen de huidige burgemeester van Amsterdam Cohen enkele
jaren geleden nog als Minister op Justitie zat, werd hij door mij over dit
probleem persoonlijk benaderd, geen reactie echter. Hoe krijgen wij nu de deur
naar gestructureerde nazorg open? Ik bedoel hiermee nazorg die meteen na
plaatsing van het kind voor de ouders beschikbaar is en waar de ouders een
beroep op kunnen doen. Net zoals dit voor ouders die zelf een kind krijgen
bestaat. Het gaat hierbij niet zozeer om een verplichting tot nazorg, maar om
de vanzelfsprekendheid van het gebruik kunnen maken van beschikbare en
deskundige nazorg. Daarbij dient het evenzeer vanzelfsprekend te zijn dat korte
tijd na plaatsing en gedurende een periode van ongeveer een jaar de
‘adoptiewijkzuster’ het gezin bezoekt. Deze persoon kent de
aanpassingsproblemen van adoptiekinderen, kent ook het bijzondere karakter van
het adoptie-ouderschap en zij/hij kan effectieve adviezen geven. Bij bijzondere
problemen kan deze adoptiedeskundige naar ter zake kundige specialisten
verwijzen. In mijn openbare college Adoptie: een levenslang dilemma (2000)
pleitte ik ervoor de voorbereiding en nazorg voor pleeg- en adoptiegezinnen
onder te brengen in de “Stichting Integrale Begeleiding Adoptie en Pleegzorg”.
Een stichting die de nu al her en der bestaande deskundigheid bundelt. Nodig is
een kennis- en hulpverleningscentrum waar kinder-
psychiatrische/psychologische/pedagogische kennis, zonder wachtlijst
problematiek, voor adoptie- en pleeggezinnen beschikbaar is. Financiering kan
gemakkelijk tot stand komen. Jaarlijks worden er zo’n 1400 adoptiekinderen in
gezinnen geplaatst. De kosten van de hele adoptieprocedure bedragen tien tot
vijftienduizend euro. Met een verhoging van zeg 500 euro per bemiddeling zou
het kennis- en hulpverleningscentrum kunnen worden gestart.
Adoptie-ouders zijn geselecteerd op de geschiktheid voor deze vorm van
ouderschap. Zij worden er goed op voorbereid, zij tonen ook een grote inzet
voor en betrokkenheid bij hun opvoedingstaak. Nu nog gestructureerde nazorg
beschikbaar stellen. Het zal de (latere) ontsporing van sommige buitenlandse
adoptiekinderen tegengaan.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie, Universiteit Utrecht)
Trouw, 6 juni 2005
Kinderhandel via
internet in de strafwet – Baby Donna
Het blijkt tegenwoordig erg eenvoudig om via internet draagmoeders te
traceren en kinderen te vinden die te koop worden aangeboden. Ik zou dit de
multimedia kinderhandel willen noemen. Er zijn kennelijk mensen die hun
kinderwens koste wat het kost bevredigd willen zien. Wat de gevolgen voor het
kind zijn om zo bij “ouders” terecht te komen, vraagt men zich niet af.
Misschien voelt het kind zich later wel als een soort materieel voorwerp, een
ding, behandeld. Een pakketje dat over de multimedia toonbank naar zijn ouders
werd toegeschoven.
Een echtpaar, zo
“dolgelukkig” met een zo verworven kind, realiseert zich te weinig dat het
leuke kleine babietje voor hen niet lang dat ta, ta, ta babietje zal blijven.
Literatuur en contacten met bijvoorbeeld adoptieouders zou hen geleerd hebben
hoe belangrijk het voor een kind, respectievelijk puber, is om een stabiele identiteit
te ontwikkelen. Om antwoorden op vragen als “wie ben ik?”, “hoe zien anderen
mij?”, “waarom ben ik eigenlijk afgestaan en “hoe ben ik bij jullie gekomen?”
als positief te beleven.
Wanneer je zelf geen kind kunt krijgen, terwijl je dit wel verschrikkelijk
graag wilt, is heel verdrietig. Je zult een rouwproces ondergaan, er wordt van
je gevraagd de realiteit van het niet een kind kunnen krijgen te aanvaarden;
door de fase van pijn en verlies heen te komen en je een leven zonder eigen
kinderen voor te stellen. Een kind verliezen is een nog pijnlijker
levensgebeurtenis.
Een pleeg- of adoptiekind dient dan echter niet de functie te hebben dit
rouwproces te vervangen. Een eventueel volgend kind kan daar niet mee worden
belast. Bij een obsessieve benadering om maar absoluut aan een kind te komen,
vraag je je af of de mensen wel toe komen aan de normale opvoeding van een
kind. Een kind dat, als dit opgroeit, zo zijn eigen eisen stelt aan opvoeders.
Misschien is het wel een ongemakkelijk, veel aandacht vragend kind. Gaat het
lastige vragen stellen over zijn herkomst. Als verwachtingen over een kind erg
hoog zijn, kan het tijdens de verdere zorg en opvoeding alleen maar (zwaar)
tegenvallen. In ieder geval zijn dit bekende aandachtspunten voor de Raad voor de
Kinderbescherming. De instantie die onderzoek moet doen bij het probleem van
Baby Donna (Trouw 25 mei). Een recent, duidelijk voorbeeld van multimedia
kinderhandel.
We zijn immers in ons land en in België onlangs opgeschrikt door de, zoals
de Belgische persmagistraat Merchiers dit betitelde, “mensonterende behandeling
van een baby”. Een Belgische draagmoeder besloot voor een kinderloos Belgisch
echtpaar via kunstmatige inseminatie een kind te krijgen. Zij vraagt geld voor
haar “werk”. Vervolgens maakt ze de wensouders wijs dat ze een miskraam kreeg.
Ondertussen benadert ze andere Belgen en biedt ze haar kind voor geld op
internet aan. Waar een draagmoeder wordt ingeschakeld om een kind te
verkrijgen, is de kans groot dat afspraken niet worden nagekomen. Bijna altijd
zijn alle partijen en vooral het kind verliezers. Zo lang er, zoals in ons
land, juridisch alleen maar geregeld is dat commercieel draagmoederschap, lees
kinderhandel, verboden is, zal van mensonterende praktijken sprake zijn.
Drie maanden geleden kreeg een Nederlands echtpaar meteen na de geboorte
Donna mee naar huis. Enkele jaren geleden verloren zij door medische
onzorgvuldigheid hun kind bij de bevalling. Voor adoptie was de wensvader (toen
42) net twee weken te oud. Kunstmatige inseminatie, in vitro fertilisatie en
andere technische hoogstandjes werden vele malen in drie landen geprobeerd.
Alles tevergeefs. Wensmoeder gaat surfen op internet en komt het aanbod van de
Belgische draagmoeder tegen. Ze worden het eens en er wordt een ruime onkostenvergoeding
betaald.
Kan de multimedia kinderhandel niet strafbaar worden gesteld? Ik maak me
geen illusie, dat het fenomeen daarmee zal ophouden te bestaan. Wel zal het een
duidelijk signaal zijn naar wanhopig en verbeten naar een kind zoekende mensen;
zal het eveneens het aantal draagmoeders enigszins beperken.
Er is hier sprake van een onjuiste wijze van plaatsing, het volledig
negeren van adoptieprocedures en van kinderhandel. De door Nederland
geratificeerde kinderwetten en het Haagse adoptieverdrag zijn met voeten
getreden. Bij een dergelijke gang van zaken dient met spoed te worden
opgetreden. Donna kan niet anders dan aan de Belgische Justitie worden
overgedragen. Het kind is bij dit alles de grootste verliezer.
Het wordt hoog tijd dat
er in Europees verband regelingen komen rond het draagmoederschap en een
medische praktijk die allerlei uitwassen mogelijk maakt. En misschien kan in
Nederland nog eens kritisch naar leeftijdsgrenzen van aspirant-adoptieouders
worden gekeken?
René Hoksbergen
(Emeritus hoogleraar adoptie)
Trouw, 17 september
Baby Donna moet direct naar België
Dat er nog almaar geen beslissing over Baby Donna, nu 6½ maand oud, is genomen,
laat zien dat “handelen in het belang van het kind” weer eens alleen fictie is.
Het is een mooie kreet die vooral wordt geuit om bijvoorbeeld andere landen van
goede bedoelingen en goede principes te overtuigen. Komt het er echter, zoals
bij baby Donna, op aan, dan zijn allerlei juridische procedures en regels
belangrijker, ook belangrijker dan internationale verdragen. En in ieder geval
belangrijker dan concreet het belang van een kind.
De Minister van
Justitie durft in dit geval niet in te grijpen. Men durft niet het huis in
Leusden binnen te stappen en het kind daar, desnoods met enige dwang, weg te
halen.
Volgens het bureau Jeugdzorg in Utrecht maakt het Nederlandse echtpaar geen
kans het kind definitief te behouden. Dat vraag ik me af. Want naarmate Donna
langer bij het echtpaar is, wordt het steeds sterker psychisch beschadigd door
een plotselinge scheiding van de verzorgers. Een kind hecht zich nu eenmaal aan
eerste verzorgers. Dit hechtingsproces krijgt vanaf de vijfde/zesde levensmaand steeds meer
betekenis. Naarmate Donna langer bij het Nederlandse echtpaar blijft, zal ze
meer negatieve gevolgen ondervinden van de scheiding. Voor de toekomstige
ouders wordt het dan steeds moeilijker om negatieve gedragsgevolgen ongedaan te
maken. Over negatieve gevolgen van dergelijke scheidingen van een
baby/peuter/kleuter is veel bekend. Toekomstige adoptieouders worden daar
tijdens hun verplichte voorbereidingscursus terecht op gewezen.
De advocaten van het echtpaar en het echtpaar zelf realiseren zich dit
bijzonder goed. Hoewel ook hun duidelijk moet zijn dat het kind ten onrechte in
Nederland is en volkomen ten onrechte door het Nederlandse echtpaar wordt
verzorgd, zullen zij er alles aan doen om beslissingen uitgesteld te krijgen.
Mede daarom weigeren zij DNA-onderzoek om te bepalen wie de biologische vader
van het kind is.
De Nederlandse verzorgers hopen dat de Belgische draagmoeder 21 september
formeel van het ouderlijk gezag wordt ontheven. Zij denken dan een
adoptieprocedure volgens Nederlands recht te kunnen beginnen. Ondertussen heeft
een Belgische rechtbank in Gent verklaard dat men zich onbevoegd achtte om een
beslissing te forceren over de toekomst van het kind.
Deze hele kwestie maakt duidelijk dat illegale adoptie in Nederland en
België goed mogelijk is. De baby Donna affaire is slechts het topje van de
ijsberg. Toevallig doordat de media er lucht van kregen, is het algemeen bekend
geworden.
Door de angst om een beslissing te nemen en daadwerkelijk het kind weg te
halen, wordt grote schade aangebracht aan het kind. Van het dienen van “het
belang van het kind” is geen sprake. Tegenover het buitenland maakt Nederland
zich belachelijk. De adoptiewereld in het algemeen wordt geschaad.
Mensen die geen kinderen kunnen krijgen en door roeien en ruiten gaan om
maar aan een kind te komen, weten wat hun te doen staat. Persoonlijk of via
internet gaan zoeken naar een draagmoeder. Wanneer je daar niet al te veel
ruchtbaarheid aan geeft en bij het aangeven van het kind te maken hebt met een
weinig wakkere ambtenaar van de burgerlijke stand, dan kraait er geen haan
naar. En hoe langer je het kind hebt verzorgd, hoe moeilijker men het zal
vinden het bij je weg te halen.
Toch vergissen mensen, die op deze wijze een kind verwerven zich. Kinderen
worden groot, gaan vragen stellen, voelen veelal dat er iets niet klopt. Dan
komen de verwijten. Dan ontstaat misschien wel de definitieve verwijdering
tussen die ouders en kind. De ervaringen in de adoptiewereld laten zien hoe
belangrijk het is dat een mens vrede heeft over de wijze van verwekking en over
adoptiemotieven. Geadopteerde kinderen willen bijna allemaal weten van wie ze
afstammen, waarom ze op de wereld zijn gezet. Het geeft rust wanneer
adoptieouders hen op een correcte manier hebben aangenomen en wanneer het
afstaan volgens gebruikelijke procedures is verlopen. Het is natuurlijk heel
naar voor een kind wanneer de biologische moeder om geldelijk gewin het kind
geboren laat worden en afstaat. Voor de identiteit van die mens heeft dat
schadelijke gevolgen, het doet het kind voor het leven pijn.
Het “belang van het kind” vraagt de Nederlandse overheid om dergelijke
praktijken zo moeilijk mogelijk te maken. Laat ik een paar suggesties doen. Het
aanbieden van kinderen via de media moet strafbaar worden gesteld. Het fenomeen
draagmoeder, anders dan bij zusjes, moet worden verboden. En kinderen die niet,
zoals na zorgvuldig onderzoek bleek, volgens de erkende juridische gang van
zaken in een gezin zijn geplaatst, moeten binnen een week elders worden
ondergebracht.
En baby Donna? In haar belang zou je wensen dat dit in België geboren kind
zo spoedig mogelijk ter adoptie bij een geschikt Belgisch echtpaar wordt
geplaatst en voor de rest van haar leven uit de media verdwijnt.
Alleen wanneer de Nederlandse overheid helder en daadkrachtig optreedt,
worden illegale adoptiepraktijken ontmoedigd. Onmogelijk zullen ze helaas nooit
zijn. Want de kindobsessie zal sommigen altijd verblinden en alleen maar aan
het ta,ta,ta baby’tje doen denken. Daarbij is het toekomstige “belang van het
kind” voor hen van geen enkel belang.
René Hoksbergen
(Emeritus hoogleraar adoptie)
Cultures of transnational adoption – Boekbespreking
Toby Alice Volkman (2005). Cultures of Transnational Adoption.
Durham : Duke University Press, 232 p.
Steeds meer verschijnen er in ieder geval in de Verenigde Stasten boeken
waarin het fenomeen (buitenlandse) adoptie op een zakelijke, kritische wijze
wordt besproken. Het hier te bespreken boekwerk is er zo een. Getracht is om de
belangrijkste thema’s van adoptie van buitenlandse kinderen diepgaand te
bespreken. In drie delen met in totaal 9 hoofdstukken van afzonderlijke auteurs
lezen we de ervaringen met geadopteerde kinderen geboren in Chili, China, Korea,
Brazilie en Roemenië. Ook komen biologische moeders en adoptieouders uitgebreid
aan bod. Er is gebruik gemaakt van uitkomsten van onderzoek, persoonlijke
ervaringen en in diverse landen verschenen literatuur over buitenlandse
adoptie.
In hoofdstuk 2 “Going Home” worden de twee dominante
thema’s in de wereld van interlandelijke adoptie uitgewerkt: het waarom van het
afgestaan/verlaten zijn en het zoeken naar de roots, en daarmee naar de
identiteit van geadopteerde.
Interessant is de informatie die in hoofdstuk 3 wordt
gegeven over het Awareness Training
Program for Overseas Adopted Koreans. Het feit dat er ongeveer 150.000
Koreaanse kinderen ter adoptie in allerlei Westerse gezinnen zijn opgenomen, is
aanleiding voor allerlei activiteiten voor en door deze groep geadopteerden.
Ook in Nederland was de uit Korea afkomstige groep buitenlandse adoptiekinderen
de eerste groep die zich door middel van hun organisatie Arierang wisten te
organiseren.
Gegeven het grote aantal kinderen dat uit China komt, is
het uitgebreide hoofdstuk 4 “Embodying Chinese culture” voor alle ouders van in
China geboren kinderen van belang. Terecht wordt vastgesteld dat nog nooit zo’n
groot aantal kinderen in zo korte tijd, en bijna allemaal meisjes, uit één land
ter adoptie naar het buitenland verhuisde. Deze kinderen bevorderen in hoge
mate de verbinding tussen China en de rest van de wereld. Het begint er al mee
dat de ouders zelf het kind dienen te escorteren. Voor adoptieouders
belangrijke aspecten van de Chinese cultuur worden kort besproken.
Ook het volgende hoofdstuk betreft China, maar dan de
adoptie van Chinese kinderen door Chinese ouders in China zelf. Opnieuw wordt
een verbinding gelegd tussen de cultuur en de wijze waarop adopties tot stand
komen. Uitgebreid wordt verslag gedaan van onderzoek in China onder Chinese
adoptieouders. Voor Westerse ouders van Chinese kinderen een must om te lezen
en vervolgens later met hun in China geboren adoptiekinderen te bespreken.
Hoofdstuk 6 “Patterns of shared parenthood among the
Brazilian poor” is, net zoals het vorige hoofdstuk voor ouders van Chinese
adoptiekinderen, erg relevant voor ouders van in Brazilië geboren kinderen. Aan
de hand van onderzoek komt de cultuur van de arme bevolking duidelijk in beeld
en de manier waarop zij soms in familieverband de problemen van de zorg voor
hun kind(eren) oplossen.
Een hoofdstuk over Roemeense adoptiekinderten mocht niet
ontbreken.
De titel “Images of waiting children” geeft aan dat meer
een algemene beschrijving van de achtergrond van veel adoptiekinderen is
bedoeld. Literatuur wordt besproken en onderwerpen als hechtingsstoornis.
In een aantal hoofdstukken worden individuele voorbeelden
gegeven ter illustratie van het te bespreken onderwerp.
Kortom,
adoptieouders, volwassen geadopteerden en hulpverleners zullen in dit
gedegen samengestelde boek veel interessants vinden. Adoptieouders doen er goed
aan een keuze te maken van de hoofdstukken die specifiek voor hen van belang
zijn. Het inleidende hoofdstuk, het hoofdstuk over biologische ouders en het
laatste hoofdstuk zijn voor allen van belang.
Lost Son? A bastard
Child’s journey of hope, search, discovery and healing. - Boekbespreking
Lawrence P. Adams (2004). Lost Son? A bastard Child’s
journey of hope, search, discovery, and healing. Baltimore: Publish
America. 166 p. € 18,
In de Verenigde Staten verschijnen regelmatig biografieën
van adoptiekinderen, van pleegkinderen echter veel minder. Dit boek is een
voorbeeld van het laatste.
Lawrence is altijd pleegkind gebleven, hoewel zijn ouders
hem graag hadden geadopteerd en de auteur heeft uitgezocht dat er in feite ook
niets op tegen was geweest om tot adoptie te komen.
Het systeem van pleegzorg is in de VS anders dan in
Nederland. Vroeger althans werd nog sterker benadrukt dat kind en pleegouders
geen sterke band met elkaar mochten aangaan. Die emotionele band moest immers
voorbehouden blijven aan de biologische ouders. Voor Lawrence blijkt het in
menselijk opzicht catastrofaal te zijn geweest dat hij nooit een gezin zijn
thuis kon noemen. De kwaliteit van zijn leven is hierdoor ernstig aangetast.
In dit boek beschrijft Lawrence op goed leesbare en
beheerst emotionele wijze wat hem vanaf zijn geboorte is overkomen en zijn
gevoelens daarbij. Hij verhuisde maar liefst vijftien maal van pleegezin naar
pleegezin, naar tehuis, weer terug naar een pleeggezin, etc. Twee adressen
karakteriseert hij als een thuis. Boeiend is dat het hierbij gaat om een gezin
en een tehuis voor jongens ‘Boys Town’. Het waarom van dit thuisgevoel kan ons
aan het denken zetten.
Als hij 36 is heeft hij eerst zijn biologische moeder en
vervolgens zijn vader ontmoet. Hij beschrijft beide ontmoetingen en wat hier op
volgt gedetailleerd.
Het was voor mij een aangrijpend verhaal dat ik geboeid
en aan een stuk door heb uitgelezen.
Adoptie-ouders en volwassen geadopteerden zullen veel
gedenkwaardigs aantreffen. Het intense verlangen om zich ergens thuis te voelen
en de pijn die samengaat met het onvervuld blijven van deze wens, kan ter harte
worden genomen.
Je zou dit boek ook een aanklacht kunnen noemen tegen de
wijze van pleegzorg in de V.S.
René Hoksbergen
Met het
vliegtuig geboren – Boekbespreking
Liesbeth Groenhuijsen (2005)
Vijf en twintig
verhalen over adoptie. Voor adoptiekinderen en hun gezin. Amsterdam: Uitgeverij
SWP.
Buitenlandse
adoptie raakt als nieuwe wijze van gezinsvorming langzaam maar zeker
ingeburgerd. De successieve verschijning van diverse boeken vol met
raadgevingen en adviezen aan adoptie-ouders en/of hun adoptiekinderen laat zien
dat hiermee niets te veel is gezegd.
Het boek van
Liesbeth Groenhuijsen is typisch een voorbeeld van een boek vol met verstandige
raadgevingen. Het is op een goed leesbare en leuke, creatieve manier opgebouwd,
met toepasselijke tekeningen en een gemakkelijk leesbare, ruimgeschreven tekst.
Adoptiekind
Sinta uit een ver land, jong, maar verder van onbepaalde leeftijd, wordt in
Nederland geadopteerd.
Elke fase van dit
proces en de eerste tijd in het gezin worden op een voor jonge kinderen
uitstekend leesbare manier beschreven. Het boek is vooral goed om als
voorleesboek te gebruiken.
De diepere
bedoeling van elk van de 25 verhalen, waarbij wordt afgesloten met een prachtig
verhaal over het samenspelen van Koen (biologisch eigen kind in het gezin) en
Sinta, wordt in de ‘handreiking voor ouders’ uitgelegd. Deze handreikingen
getuigen van kennis over wat bij adoptie kan spelen en waarover adoptiekinderen
zich hun gedachten en fantasieën ontwikkelen.
Sinta is een
niet zich gestoord of extreem moeilijk gedragend adoptiemeisje. Wel geeft zij
echter af en toe in haar gedrag blijk van het worstelen met ‘adoptieproblemen’.
Voor
adoptie-ouders is het een boek dat hen goed zal kunnen helpen om allerlei
moeilijke vragen van hun adoptiekind in verhaalvorm te beantwoorden. Daarbij is
het een prachtig voorleesboek voor kinderen tot ca. acht jaar.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar)
“Met de meeste adoptiekinderen gaat
het goed”
De Leidse
hoogleraren Femmie Juffer en Rien van IJzendoorn hebben een omvangrijke
meta-analyse verricht rond het effect van internationale adoptie op
gedragsproblemen en aanmelding bij de hulpverlening. Er is gebruik gemaakt van bijna 100 in- en
interlandelijke adoptieonderzoeken, alle uitgevoerd tussen 1950 en 2005 in een
vijftiental landen. Vergelijkingen werden gemaakt tussen drie groepen kinderen:
interlandelijk, inlandelijk geadopteerde kinderen en niet-geadopteerde
kinderen.
Over de twee belangrijkste
conclusies van het in LAVA Contact en het in “American Medical Association”[1]
verschenen artikel wil ik hierna wat meer zeggen.
A De
meeste interlandelijk geadopteerde kinderen zijn goed aangepast ofschoon zij
aanzienlijk vaker gedragsproblemen hebben dan niet-geadopteerden, zij zijn over
gerepresenteerd in instellingen voor geestelijke volksgezondheid.
B In
hun eigen land geadopteerde kinderen zouden vaker gedragsproblemen hebben en
vaker professionele hulpverlening nodig hebben dan uit het buitenland
geadopteerde kinderen.
De algemene
teneur van het artikel is dat het met de meeste interlandelijk geadopteerde
kinderen goed gaat.
A.
“Het gaat met de meeste adoptiekinderen goed”.
Zelf doe ik
(sinds 1975) samen met collega’s waaronder Femmie Juffer, vanuit de
Universiteit Utrecht onderzoek onder buitenlandse adoptiekinderen.
Kinderpsychiater Frank Verhulst van het Sophia ziekenhuis, Rotterdam, en anderen hebben eveneens belangwekkend
adoptie-onderzoek gedaan. Uit de resultaten van al deze onderzoeken mogen we
opmaken dat, gegeven de manier waarop dit is bepaald, het met de meeste
adoptiekinderen goed gaat. Dit is dus bekend en de meta-analyse bevestigt dit.
Het is een conclusie die iets lijkt te zeggen over een maatschappelijk fenomeen:
buitenlandse adoptie. De individuele beleving door geadopteerde en/of hun
ouders komt niet aan de orde.
Heeft het wel
zin om aan de hand van dergelijk onderzoek, anno 2005, tot dergelijke algemene
conclusies te komen? Wat voor betekenis moeten we hieraan hechten?
Zelf wordt ik al
enkele decennia intensief geconfronteerd met geadopteerden uit vele landen die
mijn advies of hulp vragen bij problemen waar zij mee worstelen. Het zijn mede
geadopteerden die onder de noemer “aangepast” hoog positief scoren. De
problemen waar zij mee worstelen verlagen echter de kwaliteit van hun leven.
Denk aan fundamentele levensaspecten als:
de identiteit,
de gevoelens van het anders zijn, er niet geheel bijhoren, eenzaamheid, iets te
missen. Het is het zoeken naar die oer-herkenning
en dat oer-begrip, zoals de 26 jaar
geleden in Korea geboren Renée Claassen zo prachtig en openhartig schrijft in
een over enkele maanden uit te komen boek.[2]
Het afgestaan
zijn[3],
de redenen daarvoor en vaak ook de effecten van verwaarlozing zijn onweerlegbaar
essentiële aandachtspunten voor adoptieouders. Hoe daarmee om te gaan, zijn de
relevante vragen voor adoptie-ouders, hulpverleners en uiteraard de
geadopteerden zelf.
Bedoelde
conclusie van de onderzoekers dient aangevuld en daarmee genuanceerd te worden
met statements over genoemde psychologische facetten in het leven van
geadopteerden. Daarmee zullen in ieder geval adoptie-ouders, die grote
problemen in hun gezin ervaren en geadopteerden zelf, zich beter erkend weten.
B.
In hun eigen land geadopteerde kinderen zouden vaker gedragsproblemen
hebben en vaker professionele hulpverlening nodig hebben dan uit het buitenland
geadopteerde kinderen.
Anders dan wat
de onderzoekers menen, hangt dit verschil m.i. samen met de oververtegenwoordiging
van de door hen gebruikte studies uit de USA en Canada. Zij besteden daar geen
aandacht aan. Van de aangehaalde artikelen over binnenlandse adoptiekinderen is
68% afkomstig uit USA/Canada (geen enkele uit Nederland!) en van de artikelen
over buitenlandse adoptiekinderen slechts 26%.
De Amerikaanse
adoptie-onderzoekster Warren concludeerde begin jaren negentig dat Amerikaanse
adoptie-ouders sneller beroep doen op professionele hulpverlening dan andere
Amerikaanse ouders. Amerikaanse en Canadese ouders stappen daarmee
waarschijnlijk gemakkelijker naar de hulpverlening dan Europese ouders. En dit
betreft in een veel groter aantal gevallen inlandelijke adopties.
Juffer en Van
IJzendoorn geven echter als hypothetische verklaringen voor het, het geringere
aantal problemen bij interlandelijke adopties, vergeleken met inlandelijke
adopties:
“de betere zichtbaarheid van de adoptiestatus
door het verschil in uiterlijk bij buitenlandse adoptiekinderen” en
“binnenlandse
adoptiekinderen hebben vaker moeders verslaafd aan drugs of alcohol”.
Wat betreft de
“betere zichtbaarheid” zou ik willen opmerken dat alle adoptiekinderen
hun “afgestaan zijn” moeten verwerken. Bij buitenlandse adoptiekinderen kan het
uiterlijke verschil juist bij hen tot veel irritaties leiden. Het is altijd zo
overduidelijk “ik ben geadopteerd”. Daarnaast maken buitenstaanders nogal eens
vervelende opmerkingen in de trant van “bevalt het je hier wel” of “wat spreek
je goed Nederlands”, terwijl zij zich nu juist voor het belangrijkste deel
Nederlands voelen. Zouden binnenlands geadopteerden in de USA (veruit de
grootste groep) vaker pas op wat latere leeftijd begrijpen dat ze geadopteerd
zijn, zoals de onderzoekers opmerken? Ook in de USA is openheid over de
adoptiestatus verplicht en is nu juist open adoptie, waarbij de biologische
ouders contact houden met het adoptiegezin, sterk in opkomst.
Waar de
veronderstelling dat moeders van binnenlandse adoptiekinderen vaker
verslaafd zouden zijn aan alcohol of drugs vandaan komt, wordt niet nader
toegelicht. Bij moeders van buitenlandse adoptiekinderen, waarvan een
deel uit Oost-Europese landen komt, kan dat evenzeer worden verondersteld. Mij
is in dit verband geen vergelijkende studie bekend.
De onderzoekers
merken vervolgens terecht op, dat niet alleen de genen er toe doen maar ook de
opvoeding. De inzet en aanpak van adoptie-ouders is inderdaad van groot belang
voor de kansen van hun kinderen. Huidig onderzoek van de Universiteit Utrecht
onder Roemeense adoptiekinderen laat zien hoezeer het merendeel van als baby,
peuter of kleuter zwaar verwaarloosde kinderen, zich ogenschijnlijk blijkt te
herstellen.
Echter,
allereerst blijven bij een substantieel deel van deze kinderen negatieve
gevolgen zichtbaar. De Engelse kinderpsychiater Rutter noemt ter mogelijke
verklaring daarvan de genetische afkomst van de kinderen. Ook benadrukt hij dat
hoe langer een kind in een slecht verzorgend kindertehuis heeft gezeten, des te
groter de kans is op gedragsstoornissen. Het heel algemeen concluderen, zoals
Juffer en Van IJzendoorn doen, dat de leeftijd bij plaatsing er niet toe doet,
kan gemakkelijk leiden tot een bij adoptie-ouders te optimistisch
verwachtingspatroon inzake het gedrag van hun op oudere leeftijd geadopteerde
kind.
Ten tweede
kunnen we pas echt een oordeel over deze Roemeense adoptiekinderen hebben als
zij zo’n jaar of dertig zijn en zij kunnen komen tot een volwassen reflectie op
hun verleden en afkomst.
Een goed oordeel
over het wel en wee van interlandelijk geadopteerden op de langere termijn kan
niet op grond van deze meta-analyse worden geveld. De meta-analyse betreft
namelijk uitsluitend geadopteerden tot 18 jaar oud.
Naar mijn mening
is daarvoor een studie nodig waarbij een representatieve groep van
geadopteerden van dertig jaar en ouder, die tot een afgewogen oordeel over hun
adoptie kunnen zijn gekomen, intensief vergelijkenderwijze wordt onderzocht.
Wat bij deze en
andere grote studies over buitenlandse adoptie altijd weer opvalt is de
geruststellende conclusie “ dat het met het merendeel van de geadopteerden goed
gaat”. “Gelukkig wel” zou je mogen zeggen voor zowel geadopteerden als hun
ouders. Maar ik herhaal, dit mag ons niet de ogen doen sluiten voor de
specifieke problemen waarmee geadopteerden in verschillende stadia van hun
leven worstelen.
Al heel lang
woedt bijvoorbeeld een felle discussie over de noodzaak van bijzondere nazorg
voor adoptiegezinnen. Bedoelde nazorg zou als resultaat kunnen hebben dat in
minder adoptiegezinnen zodanig grote problemen ontstaan, dat (vaak langdurig)
van professionele hulp gebruik moet worden gemaakt.
Een verminderde
aandacht voor nazorg zal niet bedoeld zijn door deze onderzoekers.
René A.C. Hoksbergen
(em. hoogleraar
Adoptie)
NRC Trefpunt
16-01-‘06
De laatste jaren
komt de technologie van de moderne voortplanting regelmatig in het nieuws.
Steeds meer aandacht komt er voor de gevolgen voor zo geboren kinderen. Nieuwe ontwikkelingen
doen eveneens nieuwe vragen rijzen. Zo is het per 1 juni 2004 eindelijk
mogelijk dat kinderen verwekt via Kunstmatige Inseminatie met gebruik van Donor
(KID), of met gebruik van donoreicel, achterhalen wie hun biologische vader of
moeder is. Hebben zij de leeftijd van zestien jaar bereikt dan kunnen zij de
Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (www.minvws.nl) benaderen om persoonsgegevens,
waaronder naam en adres, van de donor te verkrijgen. Ook al zou een donor
bezwaar hebben, het belang van het kind – te weten van wie je afstamt – staat
centraal. Deze nieuwe wet is in lijn met het Universele Verdrag inzake de
Rechten van de Mens (1948) en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van de
Verenigde Naties(1989). In 1994 bepaalde de Hoge Raad dat kennis van afkomst
een grondrecht is (Instellingen voor ongehuwde moeders dienden de identiteit
van de vader prijs te geven).
Al sinds 1950
worden er kinderen verwekt met behulp van kunstmatige inseminatie. Tot 1974
ongeveer duizend in totaal, daarna neemt hun aantal snel toe. Hoewel precieze
cijfers ontbreken staat de schatting, dat er tot 1 juni 2004, 35.000
KID-kinderen geboren zijn, waarschijnlijk niet ver af van de werkelijkheid.
Voor deze grote
groep kinderen geldt het vanzelfsprekende recht te weten van wie je afstamt,
niet. KID-uitvoerende gynaecologen hadden immers anonimiteit aan de donoren
gegarandeerd en tot voor enkele jaren de ouders geheimhouding aan hun kind
geadviseerd. Zij veronderstelden dat de donor, vaak een jonge student, altijd
anoniem zou willen blijven en dat geheimhouding eveneens het belang van de
onvruchtbare ouder diende. Het belang van het KID-kind om later zowel vanwege
medische als psychologische redenen te willen weten van wie men afstamt, werd
genegeerd.
Het is
betreurenswaardig dat een praktijk met zulke grote sociaal-emotionele aspecten
het monopolie van artsen was. Natuurlijk was het bezijden de werkelijkheid te
denken dat deze geheimhouding mogelijk was. Bij de BOM-moeders natuurlijk al
helemaal niet en bij de andere ouders vaak ook niet. In boosheid, bij
scheidingen, door derden kan het geheim op tafel komen. En los daarvan: vaak
wordt er door het kind gevoeld dat er iets niet klopt. Getuigenissen hiervan,
particulier en in de media, zijn er vele. Zo meldde de NRC (3-11-2005) dat een
15-jarige Britse jongen via internet en DNA-onderzoek zijn donorvader had weten
te traceren. In de Britse bladen was aan deze speurtocht uitgebreid aandacht
besteed. De veronderstelling dat donoren absoluut anoniem zouden willen
blijven, blijkt eveneens onjuist.
De eerste groep
van bovengenoemde 35.000 KID-kinderen, de BOM-kinderen, melden zich nu bij
tientallen bij Spoorloos voor hulp bij het traceren van hun vader. Vaak bestaat bij hen boosheid, dat hun moeder
hen bewust een vader heeft onthouden. Ook een vijftiental donoren hebben zich
bij Spoorloos gemeld.
Er bestaat sinds
begin deze maand een tweede hulpmogelijkheid voor KID-kinderen: het Trefpunt
Donorkind, opgericht door enkele donorkinderen en donoren. Deze stichting roept
KID-kinderen en donoren op zich te laten registreren (www.donorkind.nl). Dan
vergelijken medewerkers van het Trefpunt gegevens van donor en donorkind in een
database met elkaar. In die paar weken dat het Trefpunt bestaat hebben zich al
60 donorkinderen en 16 donoren gemeld.
Wat kunnen we nu
uit deze ontwikkelingen concluderen? Allereerst dat donor-kinderen zich bij
tientallen en afhankelijk van het succes van het Trefpunt, straks bij honderden
melden om te weten van wie zij afstammen; dat veel donoren bereidheid tot
openheid tonen en een aantal van hen zelfs actief de donorkinderen wil
meehelpen met zoeken.
Bij deze laatste
constatering komen opnieuw de klinieken die KID voor de groep van 35.000 hebben
uitgevoerd in beeld. Soms bezitten zij donorpaspoorten of in ieder geval
gegevens over de donoren. Zou het niet in de ontwikkeling van de tijd passen
wanneer deze klinieken op een positief-stimulerende wijze al hun donoren zouden
benaderen met het verzoek mee te werken om openheid te verkrijgen? Dat met hun
hulp geboren kinderen toch blijken te zitten met fundamentele vragen over hun
identiteit: de vraag wie ze zijn, op wie ze lijken e.d. Natuurlijk dient het
werk van de klinieken en Trefpunt met voorzichtigheid te geschieden. Veel
donoren zullen gezinnen met kinderen hebben. Een aantal van hen zal misschien
zelfs nooit met hun vrouw over hun donor-zijn hebben gesproken. Samenwerking
met bovengenoemde Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting ligt mogelijk
voor de hand.
Wanneer de
klinieken, Trefpunt, de Stichting en andere betrokken artsen en organisaties
samenwerken zal dit ten goede komen aan veel donorkinderen en hun donoren.
Daarmee wordt ook voor de “oude” KID-kinderen het Universele Recht van de mens
om te weten van wie hij afstamt serieus genomen.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar)
J.J.V.
Sondij,
(vice-voorzitter
Trefpunt Donorkind)
Bijzondere nazorg voor adoptiegezinnen hard nodig
Brief aan de Tweede
Kamer, 22 januari 2006
Enkele
Kamerleden hebben tijdens het algemeen
overleg van 18 april 20006 Minister Donner vragen gesteld over de behoefte aan
en organisatie van nazorg voor adoptiegezinnen. Hierbij een notitie mijnerzijds
over dit onderwerp.
Al enkele
decennia bepleiten velen in artikelen, boeken en de media de noodzakelijkheid
van bijzondere nazorg voor adoptiegezinnen. Zoals in een vijftal artikelen dit
voorjaar in Trouw. Het eerste bericht in Trouw van 31-3-2005 jl: ‘Nazorg
adoptie-ouders pakt goed uit’. slaat op een geslaagd initiatief van enkele
Deense adoptie-ouders. Deze stelden vast dat alle accent op goedkeuring en
voorbereiding van de adoptie-ouders ligt, terwijl pas na plaatsing van het
adoptiekind het ingewikkelde opvoedingswerk begint.
In ons land is
het niet anders. De zorg voor onze adoptiegezinnen houdt op bij de voordeur.
Alle aspirant-adoptie-ouders zijn sinds 1990 verplicht een voorbereidingscursus
van zes zittingen te volgen. Zodra het kind over de drempel stapt houdt
begeleiding echter op. Vreemd, want het is bekend dat opvoeden van een (zwaar)
verwaarloosd kind, met allerlei gedragsproblemen en toekomstige
gedragsstoornissen, professionele ondersteuning vereist. Maar die ontbreekt.
Sinds 1970 en
tot en met 2005 zijn er 33.000 kinderen uit het buitenland geadopteerd. Elk
jaar komen daar 1200 tot 1400 kinderen bij. Adoptie-ouders zijn gemiddeld acht
jaar ouder dan andere ouders bij de komst van hun eerste kind en veelal tussen
de 35 en 45 jaar oud. Ongeveer 90% van hen is ongewenst kinderloos en ongeveer
de helft probeerde vergeefs IVF of KID. Hun kinderwens en hun latere
betrokkenheid bij en inzet voor de zorg en opvoeding van hun kinderen zijn
groot.
In Nederland en
elders is veel onderzoek in buitenlandse adoptiegezinnen verricht. We
realiseren ons daardoor beter dat het adoptiekind altijd de plotselinge
verandering in zijn levensomstandigheden na de (traumatische) scheiding van de
moeder moet verwerken. Een scheiding die de Amerikaanse therapeute en
adoptiemoeder Nancy Verrier (2003) als een basisverwonding in het bestaan
kenmerkt.
Bij veel
kinderen doen zich (ernstige) gedragsproblemen voor, meteen na aankomst en in
volgende leeftijdsfasen, de puberteit en jong volwassenheid. De omvang en
intensiteit van de gedrags- en opvoedingsproblemen is vergeleken met andere
Nederlandse kinderen veel groter. Stams (1998) heeft in zijn studie van 146
adoptiekinderen uit Sri-Lanka, Zuid-Korea en Colombia, dan zeven jaar oud,
allen geplaatst vóór de leeftijd van 6 maanden, gevonden dat 30% binnen het
klinische gebied van de Child Behavior Check List (CBCL) scoorde. Normaal is
sprake van 10%. Een opvallende uitkomst omdat deze kinderen volgens eerder
onderzoek op de leeftijd van 18 maanden, voor het merendeel (84%) veilig
gehecht aan de moeder zouden zijn.
De CBCL
is een in de V.S. samengestelde en voor Nederlands gebruik aangepaste
vragenlijst, teneinde een gestandaardiseerde beschrijving te geven van
probleemgedrag bij kinderen van 4 tot 18 jaar. De ouders vullen deze lijst in.
Een
vergelijkende Zweedse studie is het meest omvangrijke tot nu toe gedane
onderzoek onder buitenlandse adoptiekinderen. In totaal werden 4336 jongens en
6984 meisjes onderzocht, allen tussen 1970 en 1979 geboren. Zij werden
vergeleken met drie groepen: eventuele andere kinderen in het gezin, de
algemene bevolking, en immigranten. Van de adoptiekinderen werd 74% op de
leeftijd van 0-1 jaar geplaatst.
Resultaten:
Zweedse adoptiekinderen hebben een 3,6 keer grotere kans om suïcide te plegen
dan de algemene bevolking. Problemen met de geestelijke gezondheid ligt bij de
adoptiekinderen een factor drie tot vier hoger dan bij de andere kinderen in
het gezin.
Ook t.o.v. de
groep immigranten, waarvan de kinderen bij de komst in Zweden gemiddeld veel
ouder waren, scoort de adoptiegroep negatiever. Drugsverslaving komt bij
geadopteerden vijf keer vaker voor en de criminaliteitsratio ligt twee tot drie
keer hoger dan bij andere Zweedse kinderen in dezelfde sociaal-economische
milieus.
In de
meta-analyse[4]
van Juffer en Van IJzendoorn (2005) concluderen de onderzoekers dat vergeleken
met niet-geadopteerden, buitenlandse adoptiekinderen oververtegenwoordigd zijn
in instellingen voor psychologische hulpverlening.
Aan de hand van
meer algemeen gerichte studies verkrijgen wij enige indicatie van de aard van
de psychosociale problematiek van nog betrekkelijk jonge geadopteerden.
Verhulst en
Versluis-den Bieman (1989:76)5 vroegen
de ouders van de door hen onderzochte 2148 adoptiekinderen naar de
belangrijkste reden van aanmelding bij een hulpverleningsinstelling. De drie
belangrijkste zijn: concentratie/leerproblemen (32%), agressief/hyperactief
gedrag (30%) en contactstoornissen (12%).
Zowel in deze studie
als in de door Versluis-den Bieman verrichte vervolgstudie onder 13-17 jarige
adoptiekinderen bleek dat ongeveer driemaal meer adoptiekinderen dan andere
Nederlandse kinderen gebruik moeten maken van speciaal onderwijs.
Hoksbergen en de
medewerkers van het Roemenië project verrichtten longitudinaal onderzoek onder
80 Roemeense adoptiekinderen.
Een derde deel
volgt Speciaal Onderwijs. Ruim eenderde deel van de 80 kinderen scoort volgens
de CBCL in de Klinische groep. Voor hen wordt professionele hulp aangeraden.
Tussen jongens en meisjes bestaan geen grote verschillen. Kinderen, bij
aankomst twee jaar en ouder, vertonen significant problematischer gedrag dan
jongere kinderen. Het gaat vooral om externaliserende gedragsproblematiek -
agressief of delinquent gedrag - aandachts- sociale en denkproblemen.
Veel kinderen
vertonen twee of meer specifiek te diagnosticeren gedragsproblemen.
Na de plaatsing
van het kind bestaat er een formele verantwoordelijkheid van het Ministerie van
Justitie om gedurende het eerste jaar voor begeleiding te zorgen. De zes
erkende bemiddelaars worden geacht deze begeleiding uit te voeren. Tot nu toe
geschiedt er door twee grote organisaties enige vorm van nazorg, vrijwel geheel
door vrijwilligers. Van structurele nazorg is geen sprak, er bestaan geen
formele kwaliteitseisen.
De
adoptie-ouders van een kind van vier jaar of jonger kunnen op eigen initiatief
gebruik maken van de consultatiebureaus. Door het beperkte aantal geplaatste
kinderen, verspreid over het gehele land, hebben de consultatiebureaus geen
mogelijkheid om een adoptie-specialisme te ontwikkelen. Van gerichte primaire
preventie is dan ook geen sprake.
Gegeven de complexiteit
van de psychosociale problematiek in adoptiegezinnen wordt vanuit de
adoptiewereld en door ondergetekende al jaren gepleit voor het organiseren van
gestructureerde en adoptiegespecialiseerde nazorg. Dit is nazorg die meteen na
plaatsing van het kind voor de ouders beschikbaar is. Het gaat hierbij niet om
een verplichting tot nazorg, maar om de vanzelfsprekendheid van het gebruik
kunnen maken van beschikbare en deskundige nazorg. Vanzelfsprekend dient het te
zijn, dat korte tijd na plaatsing en gedurende een periode van ongeveer één
jaar de ‘adoptiewijkzuster’ het gezin bezoekt. Deze persoon kent de
aanpassingsproblemen van adoptiekinderen, kent ook het bijzondere karakter van
het adoptie-ouderschap en zij/hij kan effectieve adviezen geven. Bij bijzondere
problemen kan deze adoptiedeskundige naar ter zake kundige specialisten
verwijzen. Ik veronderstel dat voor ongeveer de helft van de geplaatste
kinderen direct na plaatsing in het gezin en in de jeugdperiode enige vorm van
psychosociale zorg nodig zal zijn.
In mijn openbare
college Adoptie: een levenslang dilemma (2000) pleitte ik ervoor de
voorbereiding en nazorg voor pleeg- en adoptiegezinnen onder te brengen in de
“Stichting Integrale Begeleiding Adoptie en Pleegzorg”. Een stichting die de nu
al her en der bestaande deskundigheid bundelt. Nodig is een kennis- en
hulpverleningscentrum waar kinder- psychiatrische/psychologische/pedagogische
kennis, zonder wachtlijst problematiek bij crisissituaties, voor adoptie- en
pleeggezinnen beschikbaar is. Hierbij
dient ook bedacht te worden dat geadopteerden in de volwassenheid, bij het zelf
vormen van een gezin, opnieuw met bijzondere levensvragen worden
geconfronteerd.
Financiering kan
gemakkelijk tot stand komen. Jaarlijks worden er gemiddeld zo’n 1300
adoptiekinderen in gezinnen geplaatst. De kosten van de hele adoptieprocedure
bedragen tien tot vijftienduizend euro. Met een verhoging van bijvoorbeeld 500
euro per bemiddeling zou het kennis- en hulpverleningscentrum kunnen worden
gestart. Wanneer tevens kritisch naar de hoge kosten van de VIA-cursus wordt
gekeken (900 eur.) zal het de adoptie-ouders niet eens veel extra hoeven te
kosten
Adoptie-ouders
zijn geselecteerd op hun geschiktheid voor deze vorm van ouderschap. Zij worden
er goed op voorbereid. De kinderen die zij krijgen vragen in verschillende
fasen van hun ontwikkeling veel en bijzondere aandacht. Dit kan door specifieke
nazorg beschikbaar te stellen. Het zal de (latere) ontsporing van sommige
buitenlandse adoptiekinderen tegengaan. Van meer van hen zal de kwaliteit van
leven in onze samenleving hoger zijn.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar
adoptie)
Hjern A.,
Lindblad F., Vinnerljung, B. (2002). Suicide, psychiatric illness, and social maladjustment in intercountry adoptees
in Sweden: a cohort study. The Lancet, 360, 443-448.
René Hoksbergen
en de medewerkers van het Roemenië project. (2002). Effecten van
verwaarlozing. Utrecht, Universiteit Utrecht, afdeling Adoptie.
Hoksbergen,
R.A.C. en Walenkamp, H. (2000). Adoptie een levenslang dilemma.Houten:
Bohn Stafleu van Loghum.
Hoksbergen,
René. (2000). Adoptie een levenslang dilemma? Utrecht: Universiteit
Utrecht.
Femmie Juffer en
Marinus H. van IJzendoorn (2005). Behavior Problems and Mental Health Referrals of International Adoptees.
A meta-analysis. Journal American Medical Association, vo. 293 nr 20,
2501-2515.
Rutter, M.,
Andersen-Wood, L., Beckett, C., Bredenkamp, D., Castle, J., Groothues, C.,
Kreppner, J., Keaveney, L., Lord, C., O’Connor, T.G. & the English and Romanian
Adoptees (ERA) Study Team (1999). Quasi-autistic Patterns Following Severe
Early Global privation. Journal Child
Psychology Psychiatry, 40, 4, 537-549.
Stams, G.J.
(1998). Give me a child until he is seven. A longitudinal study of adopted
children, followed from infancy to middle childhood. Utrecht: Universiteit, dissertatie.
Verhulst, F.C.
& Versluis-den Bieman, H.J.M. (1989). Buitenlandse adoptiekinderen: vaardigheden en
probleemgedrag. Assen: Van Gorcum.
Versluis-den
Bieman, H. (1994). Interlandelijk geadopteerden in de adolescentie.
Vervolgonderzoek naar gedragsproblemen en vaardigheden. Rotterdam:
dissertatie.
Verrier,
N.N. (2003). Afgestaan, begrip voor
het geadopteerden kind. Amsterdam: Ambo/Anthos.
Hanne Rots (2004). Jij mág niet lief zijn. Beschadigd voor het leven. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 60 p.
Mensen, niet zelf in staat hun kinderen lief te hebben, op te voeden maar
ze wel gemakkelijk kunnen krijgen en lange tijd verwaarlozen en misbruiken zijn
de zogenaamde ouders van Melanie. Op vierjarige leeftijd komt Melanie voor het
eerst bij pleegouders. Verbijsterend openhartig, terzake en eenvoudig
beschrijft pleegmoeder Hanne hoe het Melanie tot haar achttiende jaar in haar
gezin met vier eigen kinderen is vergaan.
Melanie is als kind heel bang, wanhopig op
zoek naar structuur en veiligheid, en gedraagt zich buiten haar gezin soms zo
anders als ‘thuis’. Innerlijke structuur bij dit licht verstandelijk
gehandicapte meisje ontbreekt. Slechts medicijnen met als bijwerking dat ze er
sloom en dik van wordt, maken het mogelijk dat ze in een opvangtehuis kan
verblijven. In de weekenden is ze in haar pleeggezin. Groei in haar ontwikkeling
blijkt ondanks alles mogelijk. Van een school voor zeer moeilijk lerende
kinderen (zmlk) verhuist ze naar een mlk-school.
Vanaf de geboorte van Melanie kreeg het
oorspronkelijke gezin al enige professionele begeleiding, maar pas zes jaar
later worden de mensen eindelijk uit de ouderlijke macht ontzet. Het voorkomt
niet dat de betreffende ‘vader’ door kan gaan met het op de wereld zetten van
kinderen, in totaal tien. Alle vier de kinderen uit zijn tweede huwelijk zijn
uit huis geplaatst.
Het boek geeft te denken over de aanpak of
gebrek aan aanpak van sommige hulpverleners, de macht van biologische ouders
over hun kinderen en de grote inzet van weer anderen. Inzet voor een kind dat
toevallig op hun levensweg is gekomen.
Het boek is spannend om te lezen en heeft
voor adoptie- en pleegouders heel herkenbare momenten. Voor hulpverleners zie
ik het als verplichte literatuur.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie)
Machteld de Jong, Corine Schuil, Marieke Anthonisse en Helma Coolman
(2006). Mijn kleinkind uit een ver land. Ervaringen van grootouders van
adoptiekinderen. Zwolle: Sirene.
Met een voorwoord van Prof. Dr. F. Juffer.
ISBN 90 5831 391 3, 190 p.
Terecht merken de schrijvers op dat publicaties
speciaal voor grootouders van adoptiekinderen in Nederland ontbreken. Om deze
leemte op te vullen is dit boek geschreven. Een helder en goed leesbaar product
is het resultaat. Juffer begin met een sympathiek en toepasselijk voorwoord,
waarin iets over wetenschappelijk onderzoek over grootouders wordt gezegd. Het
boek bestaat verder uit twee inhoudelijke delen en een beperkte literatuurlijst
en heel handig overzicht van adoptie gerichte websites.
In het eerste deel ‘Adopteren’ wordt iets
gezegd over de plaats van grootouders in de beginfase van de adoptie en wordt
vervolgens de adoptieprocedure in Nederland, ook die voor zelfdoeners – dit
laatste zul je niet in veel boeken vinden – en de adoptieprocedure in België
weergegeven. Interessant is dat in België een cursus voor adoptiegrootouders
bestaat.
Het tweede deel: ‘Ervaringen van
grootouders van adoptiekinderen’ vormt de kern van het boek. Auteurs zijn bij
allerlei families – ook drie in Vlaanderen - op bezoek geweest en hebben de
persoonlijke ervaringen tot 18 goed leesbare verhalen gemaakt. Boeiend is de
grote verscheidenheid in de families. Het zijn grootouders met adoptie- en
eigen kinderen die vervolgens kleinkinderen krijgen, grootouders met alleen
eigen kinderen die vervolgens kinderen adopteren, grootouders met adoptie- en
pleegkinderen e.a. De foto’s die iets weergeven van al die families, passen
uitstekend in het geheel.
Bij de meeste verhalen wordt nogal wat
aandacht besteed aan de procedure en de eerste reacties van ouders en
grootouders bij de adoptieplannen en vervolgens de komst van het kind. Het gaat
in vrijwel alle gevallen om adoptiekinderen die nog niet zo lang in de gezinnen
zijn, of zelfs nog moeten komen. Aan elke familie wordt maar kort aandacht
besteed en vaak vrijwel evenveel aandacht aan de ouders als aan de grootouders.
Het boek kan als een eerste boek over
adoptiegrootouders worden beschouwd, grappig om te lezen en hier en daar
informatief. Tegelijk is het nog betrekkelijk oppervlakkig.
Mij bekroop het verlangen om eens een grondig
onderzoek te doen vanuit een doordacht aantal vragen, waarbij vooral
grootouders met oudere kleinkinderen worden bevraagd. Ingegaan dient te worden
op factoren vanuit de grootouders die bevorderend of juist niet, werken op de
ontwikkeling van het adoptiekleinkind. Hierbij realiseer ik me natuurlijk wel
het feit dat dan nogal wat grootouders door de vergrote sterftekans zullen
ontbreken. Tevens zou gekeken kunnen worden naar de plaats van adoptiekinderen
in het grotere geheel van de familie en factoren die de kleur van die plaats
bepalen.
Dit onderzoek om te bevorderen dat
adoptiekinderen zich in de familie beter thuis voelen. Het bedoelde volgende
boek zal het dus niet aan adviezen voor ouders en grootouders ontbreken.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie)
Ruth Willems (2006). Vragen
over adoptie. Anamneselijst voor hulpverleners. Amsterdam: SWP, 62 p.
Ruth Willems heeft aan de hand van haar ervaringsdeskundigheid
(zij is geadopteerd, geboren in Korea), haar universitaire – ze is psychologe –
en praktische ervaring, werkzaam zijnde bij de Raad voor de Kinderbescherming,
deze praktische handleiding geschreven.
Het boek is buitengewoon praktisch
opgebouwd. Ze begint met het weergeven van de 12 items van de vragenlijst en
komt vervolgens in 12 korte hoofdstukken met een toelichting.
Wel schrijft ze dat haar anamneselijst
bedoeld is voor hulpverleners, maar adoptieouders zullen er ook heel veel aan
hebben. De wijze waarop Ruth bij elk item tot toelichting en verdere uitwerking
komt, laat zien dat zij zich eveneens richt op de adoptieouders.
In kort bestek heeft zij de kernelementen
van het adoptieproces besproken. Motieven van ouders, de adoptieprocedure,
voorkeuren voor het kind, achtergrond van het kind….. tot en met de
ontwikkeling van het adoptiekind.
Het is een helder, goed geschreven verhaal,
zeker zinnig voor hulpverleners en kaderleden van adoptieorganisaties om meer
over adoptie en adoptiegezinnen te weten te komen. Voor adoptieouders is het
eveneens nuttig om te lezen, door de tekst heen staan allerlei adviezen.
Ik heb de volgende kanttekeningen die
hopelijk in een 2e druk verwerkt kunnen worden.
-
Meer aandacht voor de
biologisch eigen kinderen van adoptieouders. Soms worden
deze, door de
vele aandacht die het adoptiekind vraagt, regelrecht emotioneel verwaarloosd.
Deze kans is groter wanneer het om oudere adoptiekinderen gaat die in een
slechte lichamelijke en geestelijke toestand worden geplaatst. En het reeds
aanwezige biologisch eigen kind de neiging heeft reacties niet te uiten en maar
door te hobbelen, want ouders zijn toch zo druk. Later kan er dan een sterke
negatieve reactie t.o.v. de adoptie en de ouders, van deze kinderen (dan misschien
reeds 30 of 40 jaar) verwacht worden (p.14 en 20).
-
Ouders die geen
kinderen konden krijgen vormden altijd de grootste groep adoptieouders. Alleen
in de tweede helft van de jaren zeventig
adopteerden relatief wat meer ouders met eigen geboren kinderen (p.16).
-
China is een
duidelijker land waar vrijwel alleen meisjes vandaan komen dan India en daarbij
is het aantal adopties uit China veel groter (20).
-
Uit Roemenië komen al
sinds 2002 geen kinderen meer (21), laat dat land maar als voorbeeld weg.
-
Een adoptiekind kan ook
slecht in een gezin passen, los van de verwachtingen van de ouders (22).
-
“brokkelt er wat af van
het vertrouwen dat het kind in de wereld heeft”. Laten we ons realiseren dat
sommige (sterk verwaarloosde kinderen) kinderen helemaal geen vertrouwen in de
wereld hebben kunnen opbouwen, zeg maar vanaf ongeveer 0 moeten beginnen (23).
-
Benadruk bij de ouders
dat ze alles bewaren dat het kind bij zich heeft (25).
-
Bij het meereizen kan
meer gezegd worden over het belang (of juist niet) dat andere kinderen hebben
om mee te reizen. De risico’s die er zijn voor een thuisgebleven kind als de
ouders onverwachts veel langer weg moeten blijven (26).
-
Hotelgedrag is het
aangepaste gedrag van een ouder adoptiekind gedurende de eerste weken/maanden
soms zelfs jaren na aankomst. Pas als een kind zich echt thuis gaat voelen,
wordt dit gedrag minder (27).
-
De bespreking van de
bestaande nazorg in Nederland kan beter weggelaten worden of naar de realiteit
weergegeven. Immers adoptieouders en adoptiekinderen hebben geen
gestructureerde nazorg. Nazorg vanaf het moment van plaatsing van het kind tot
en met begeleiding van geadopteerde die bijvoorbeeld op rootsreis gaat(29).
-
Rond de
ziekenhuisopname van een kind kan geadviseerd worden om dit direct na plaatsing
van het kind te doen (dan heeft het zich nog niet gehecht aan de adoptieouders)
of anderszins pas enkele jaren later. Natuurlijk indien mogelijk (30).
-
Adoptiekinderen die
moeder worden kunnen hun boosheid zelfs projecteren op een eigen geboren kind,
als dit ook een meisje is (32).
-
Het is niet zo dat
kinderen uit interraciale adoptie minder problemen hebben dan kinderen uit
binnenlandse adopties. Deze herhaling van de onjuiste conclusie uit
onderzoeksgegevens kan beter weggelaten worden (33).
-
Kinderen voor wie adoptie
verzwegen werd, voelen zich niet alleen ‘verraden’ maar ook belogen door hun
ouders, waardoor het vertouwen in deze ouders ernstig wordt aangetast (33).
-
De lengte van
adoptiekinderen is zowel voor meisjes en meer nog voor jongens een probleem.
Ten onrechte wordt er uitsluitend aandacht aan de relatie vroege puberteit van
meisjes en groeibeperking besteed (36).
-
Juist de lichamelijke
gezondheid blijkt zich bij de meeste kinderen goed te herstellen. Echter de
relatie lichamelijke gezondheid bij aankomst en latere psycho-sociale problemen
is sterk. Hieraan kan meer aandacht worden gegeven (36).
-
Er wordt een korte
opmerking gemaakt over de moeilijkheid van een juist diagnosticeren en één
voorbeeld gegeven. Dit dient veel beter te worden uitgewerkt, bijvoorbeeld met
aandacht voor diagnoses in het autistisch spectrum (38).
Niet een minderheid gaat op zoek naar de
biologische ouders, maar een meerderheid op enigerlei wijze (45). Zie o.a.
onderzoek van Hester Storsbergen (1995, 2005) (45
Karin van Hoorn (2006). Levensboek van een adoptiekind. Praktische
handleiding voor ouders en kinderen. Soest: De kleine lotus, 127p. www.dekleinelotus.nl € 14.95
Hoezeer gezinsvorming via het adopteren van
een of meer kinderen in onze samenleving aandacht krijgt, blijkt wel uit de
grote hoeveelheid literatuur die hier de laatste jaren over verschijnt. De
boeken en artikelen hebben vergeleken met de literatuur uit de jaren zeventig
en tachtig ook een steeds praktischer inhoud. Stond aanvankelijk vooral het
juridische en beleidsmatige in allerlei geschriften centraal, daarna het
psychosociaal problematische van adoptie, momenteel verschijnen eveneens steeds
meer praktische handleidingen. Handleidingen waar adoptieouders en
adoptiekinderen wat aan hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan het in 2004 verschenen
boekwerk van Renée Wolfs Wereldkind, praten met je adoptiekind., dat
ondertussen al verschillende herdrukken heeft beleefd.
Zo beoordeel ik eveneens het sympathieke
boekwerkje van Karin Horn. Op heel duidelijke en praktische wijze vertelt zij
adoptieouders waarom en hoe een levensboek voor hun kind gemaakt kan worden.
Wat is een levensboek? Zoals Karin dit
omschrijft: ‘Een levensboek vertelt het verhaal van uw kind, dat begint bij de
tijd dat zij nog in haar geboorteland was, vanaf het moment dat ze geboren
werd. Het is een waarheidsgetrouw verhaal, dat is toegespitst op het
begripsniveau en de belevingswereld van uw kind. Het verhaal is vanuit uw kind
geschreven, u kijkt door de ogen van uw kind en beschrijft wat u dan ziet…..de
tekst is het belangrijkste deel’.
Na een nogal uitgebreid voorwoord van
adoptiecollega Femmie Juffer, geeft Karin in deel 1 aan wat het nut van een
levensboek is. Het bevordert duidelijk de leesbaarheid dat ze dit doet aan de
hand van allerlei praktische voorbeelden van ervaringen van adoptieouders. Ze
eindigt dit eerste deel met wat handige tips over het schrijfproces. Daarin
zegt ze o.a. dat de adoptieouders niet hun eigen emoties in het levensboek
dienen te verwerken. Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Het gaat in het
levensboek om het beschrijven van gebeurtenissen, om hoe een kind iets beleeft.
Daarin wordt het kind erg beïnvloed door zijn ouders. Dat deze in de kantlijn
(op de een of andere manier dus) op dat moment belangrijke eigen emoties
(bijvoorbeeld naar aanleiding van het overlijden van een ouder van de
adoptieouders) vermelden, kan voor het kind later tot beter begrip van zichzelf
en van zijn reacties op de situatie/gebeurtenis leiden.
In deel 2 worden vooral handreikingen
gedaan over de onderwerpen belangrijk voor het levensboek. Dit deel is in feite
het belangrijkste deel van het boek. Opnieuw: het leest gemakkelijk en het
geeft handige, praktische adviezen met allerlei voorbeelden.
De bijlagen in deel 3 zijn eveneens heel
nuttig om door te lezen. Eigenlijk vind ik die zo ter zake dat ze in een
(hopelijk) volgende druk niet meer als Bijlagen maar echt als deel 3
gepresenteerd worden.
Het boekje is helder en uitstekend leesbaar
geschreven. Misschien zou hier en daar de stelligheid in wat meer relativerende
tekst kunnen worden omgezet, tenslotte zijn kinderen nogal verschillend in
begripsvermogen, reacties op de eerdere ervaringen en emotionele beleving
Samenvattend meen ik te mogen vaststellen
dat dit boek voor adoptieouders en hun kinderen van groot nut is. Het geeft
vele praktische adviezen die voor de omgang van adoptieouders met hun kind van
groot nut zijn.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie)
Niels P. Rygaard, (2006). Severe attachment disorder in childhood. A guide to practical
therapy. Wien/New York: Springer.
Niels Rygaard therapeut en zelf adoptievader
van twee kinderen heeft met zijn boek het kernprobleem in veel adoptiegezinnen
behandeld. Centraal staat namelijk in zijn boek hoe om te gaan met ernstig
hechtingsgestoorde kinderen. Adoptieouders van kinderen die op wat oudere
leeftijd in hun gezin worden geplaatst, of kinderen met een duidelijk negatieve
achtergrond, vragen zich op de eerste plaats af of hun kind zich bij hen thuis zal gaan voelen. Of het zich aan hun
zal gaan hechten.
Rygaard geeft eerst een heldere
beschrijving van “attachment” en wat hechtingsstoornis (AD: attachment
disorder) inhoudt. Terecht wijst hij erop dat hechtingsstoornis vaak samengaat
met andere gedragsstoornissen als Post Traumatic stress Disorder, ADHD, Post
Institutional Autistic Syndrome en Tourette‘s syndrome.
Rygaard heeft zelf vele jaren de
verantwoordelijkheid gehad voor kinderen in pleeggezinnen gediagnosticeerd met
een hechtingsstoornis. Vandaar dat door het boek heen individuele voorbeelden
met aandacht voor details worden uitgewerkt, waardoor het geheel aan
leesbaarheid en herkenbaarheid wint.
De opbouw van Rygaard’s boek is helder. Het
bestaat uit drie delen.
Deel 1 behandelt de theoretische basis van
het begrip hechtingsstoornis, tevens de mogelijke oorzaken daarvan en de wijze
waarop de stoornis zich uit: de symptomen. Er is aandacht voor de moeder-kind
relatie, de relevantie van (lichamelijk en geestelijk) contact voor de gezonde
ontwikkeling van het kind, de noodzaak van voorspelbaarheid en regelmaat in de
sociale omgeving waardoor kinderen in staat zijn hun dagelijkse activiteiten
taken goed uit te voeren,
In deel 2 worden diverse therapieën
behandeld. In deel 3 wordt nader ingegaan op de vereisten voor het
therapeutische milieu, wat van therapeuten die met AD-kinderen werken, moet
worden verwacht. In het laatste hoofdstuk van dit deel (attachment disorder,
sexual behavior problems and sexual abuse) geeft R. belangrijke adviezen hoe om
te gaan met kinderen die seksueel mishandeld zijn geweest. O.a. het voorkomen
dat het kind later als volwassenen dezelfde fouten begaat, krijgt aandacht.
Er wordt veel aandacht besteed aan de
verschillende ontwikkelingsfasen van het kind in relatie tot het ontstaan en
tot uitdrukking komen van AD.
Deel 3 zal ook voor de hulpverleners erg
interessant zijn. Hij geeft aanwijzingen hoe met betreffende gezinnen om kan
worden gegaan. Hoe het hulpverleningsproces het best tot stand kan komen,
waarbij R. zelfs gedetailleerd de mogelijke inhoud van eerdere ervaringen van
hulpverleners in interviewvorm weergeeft en de hulpverlener helpt om kritisch
ten opzichte van zijn eigen werk te staan.
Het boek is uit het Deens vertaald,
misschien lijkt het Engels daarom betrekkelijk eenvoudig. Het is voor
adoptieouders zinvol om te bestuderen. En zeker ouders met een kind dat leidt
aan hechtingsstoornis zullen veel herkennen en baat hebben bij de adviezen die
R. geeft.
Voor hulpverleners van bedoelde kinderen is
het boek zonder meer aan te raden. Vooral Deel 2 en 3 is direct relevant voor
hen.
Ik vind het boek zo ter zake voor
adoptieouders en hun hulpverleners dat ik samen met een uitgever bezig ben het
vertaald te krijgen.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar adoptie)
Bij adoptie ontbreekt alle nazorg
Jammer is het
dat vijftig jaar adoptiewetgeving en het Haags Adoptieverdrag van 1994 niet als
resultaat opleverden, dat landen die kinderen ter adoptie laten vertrekken en
landen die ze ontvangen, zoals Nederland, de verplichting hebben om gegevens
over de biologische ouders/familie te verzamelen en te controleren. Dossiers
dienen ten minste 100 jaar geregistreerd en bewaard te blijven door een daartoe
opgericht expertisecentrum. Dit alles omdat we juist in die afgelopen vijftig
jaar duidelijk te weten zijn gekomen, dat voor geadopteerden kennis over hun
achtergrond van grote medische en emotionele betekenis is. Zorg er dan in juridische en praktische zin
voor dat geadopteerden deze kennis kunnen verkrijgen. Ook voor ouders die een
kind hebben afgestaan, geldt deze noodzaak. Ook zij gaan vaak op zoek naar hun
kind dat zij ooit hebben moeten afstaan.
De uit 1956
stammende adoptiewet was bedoeld om de positie van Nederlandse pleegouders en
pleegkinderen zeker te stellen. Bekend zijn de schrijnende verhalen over pleegkinderen
die na vijf of tien jaar opeens, door hun biologische moeder veelal, werden
opgeëist. Door deze nieuwe adoptiewet werden echter alle banden met de
biologische ouders verbroken. Toen was men nog onbekend met die zoekbehoefte
die later uit wetenschappelijk onderzoek, programma’s als Spoorloos en de vele
ervaringen zo duidelijk zichtbaar werd.
De eerste jaren
ging het in ons land om adoptie van zo’n 300 tot 500 kinderen per jaar, door in
hoofdzaak onvrijwillig kinderloze echtparen. Adoptie was toen nog met
zwijgzaamheid omgeven. Dit kan de traditionele, gesloten benadering van adoptie
worden genoemd. Eind jaren zestig steeg het aantal adopties door de Culturele
Revolutie opeens fors. De samenleving kreeg een opener karakter en de televisie
had steeds meer invloed. Zorg voor het kind in nood kwam centraler te staan en
daarmee eveneens de zorg voor al die hulpeloze kinderen in Aziatische,
Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse landen. De open-idealistische generatie
adoptieouders deed zijn intrede, ouders met vaak één of meer eigen kinderen
(zo’n 30 tot 40%). De interraciale adoptie was geboren en adoptie kreeg een
algemener karakter, verloor zijn geheimzinnigheid, zijn maatschappelijk
taboekarakter. Vanaf 1975 werden er zelfs meer kinderen uit het buitenland dan
uit Nederland geadopteerd. Sinds midden jaren tachtig is het aantal adopties
van Nederlandse kinderen slechts 30 tot 70 per jaar, terwijl er gemiddeld elk
jaar zo’n duizend buitenlandse kinderen worden geplaatst. Anno 2006 zijn er in
totaal 34.300 buitenlandse adoptiekinderen en 16.900 Nederlandse
adoptiekinderen. Stiefouderadopties laat ik hier buiten beschouwing.
Door de jaren
heen was het adoptiebeeld veranderlijk. De media oefent trouwens veel invloed
uit. In de jaren tachtig waren er televisie- en radioprogramma’s waarbij door
adoptieouders zelf voor het eerst op de grote opvoedingsproblemen van
buitenlandse adoptiekinderen werd gewezen. Vrijwel meteen liep bij het
Ministerie van Justitie het aantal aanvragen tot de helft terug. Adoptieouders
zijn nu veel realistischer in hun adoptiemotieven. De sinds 1991 verplichte
voorbereidingscursus helpt hieraan mee. In de loop van de jaren negentig
bereikte het aantal adopties weer bijna het oude niveau door de grote
belangstelling voor kinderen uit China en Taiwan.
Veranderde
maatschappelijke opvattingen over ouderschap beïnvloedden diverse aanpassingen
van de adoptiewet. Zo kwam er een leeftijdsverruiming voor adoptieouders en
werd plaatsing van een kind bij één ouder of een homopaar (2001) mogelijk.
Bepalingen die weinig te maken hebben met ‘het belang van het kind’, de
basisgedachte bij de invoering van de adoptiewet.
De wachttijd,
drie tot vijf jaar, is altijd een knelpunt gebleven, evenals de leeftijdseisen.
De wachttijd kan door extra activiteiten van de bemiddelingsorganisaties worden
verminderd. Maar dan lopen we het gevaar dat kinderen te gemakkelijk als
adoptabel worden bestempeld en Westerse landen misschien wel het afstaan van
kinderen bevorderen. Momenteel liggen er voorstellen om de leeftijdseis te
versoepelen, tevens om de adoptienazorg over te hevelen van Justitie naar het
Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport.
Er blijven
andere belangrijke knelpunten. Zo is het merkwaardig dat slechts twee van de
zeven erkende adoptieorganisaties (Wereldkinderen en Stichting Kind en
Toekomst) met een professioneel bureau werken. De andere werken uitsluitend met
vrijwilligers, terwijl het toch gaat om het plaatsen van soms ernstig
gedragsgestoorde, mishandelde baby’s, peuters, kleuters!
Behoudens enkele
particuliere initiatieven is er geen sprake van systematische nazorg. Het vele
wetenschappelijke onderzoek vanuit universiteiten van Utrecht, Rotterdam en
Leiden toont aan, dat adoptiegezinnen nogal eens te maken krijgen met gedrags-
en opvoedingsproblemen. Ook volwassen geadopteerden worstelen vaak intens met
hun achtergrond, hun identiteit. Het instellen van een expertisecentrum voor
adoptie- en pleeggezinnen (veel problemen in pleeggezinnen zijn vergelijkbaar)
wordt al decennia bepleit. De financiële mogelijkheden zijn er, nu alleen nog
de politieke wil.
René Hoksbergen
(em. hoogleraar
adoptie)
[1] van 25 mei 2005, 293, no. 20 p. 2501-2515
[2] Voorlopige titel: De Rode Draad in ons
leven. Geadopteerden aan het woord. René Hoksbergen
(red.)
[3] Zie N. Verrier (2003). Afgestaan. Begrip voor het
geadopteerde kind. Amsterdam: AMBO.
[4] In totaal werden 34 artikelen nationale en
internationale gebruikt waarbij o.a. een vergelijking was gemaakt tussen
geadopteerden en niet-geadopteerden in de mate dat zij gebruik hadden gemaakt
van een instelling voor hulpverlening. Tevens 64 artikelen met informatie over
gedragsproblemen.